Bijlage 1.5 Uitvoeringsregeling stralingsbescherming: , behorende bij de artikelen 1.4 tot en met 1.6
Uitvoeringsregeling stralingsbescherming
De artikelen 1.4 tot en met 1.6 van de regeling en deze bijlage betreffen zowel handelingen als werkzaamheden met radioactieve stoffen2Indien in deze bijlage kortheidshalve de term ‘handelingen’ wordt gebruikt, wordt steeds ‘handelingen en/of werkzaamheden’ bedoeld, tenzij nadrukkelijk anders wordt vermeld.. Voor handelingen, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, toepassen en zich ontdoen van radioactieve stoffen of het gebruik van toestellen, is in veel gevallen een melding of een vergunning volgens de Kernenergiewet nodig3Voor nadere informatie over de meldings- en vergunningsplicht zie hoofdstuk 4 van het Besluit stralingsbescherming.. Dat geldt ook voor werkzaamheden, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, toepassen van of zich ontdoen van een natuurlijke bron voor zover die niet wordt of is bewerkt wegens zijn radioactieve eigenschappen. Volgens artikel 2.5, eerste lid, onder h, van de regeling bevat elke melding van een handeling, onder andere, een verklaring dat de maximale effectieve dosis die een persoon per jaar buiten de locatie kan ontvangen ten gevolge van handelingen met die bron minder bedraagt dan 10 microsievert. Volgens artikel 2. 6, eerste lid, onder e, van de regeling bevat elke aanvraag om een vergunning voor een handeling, onder andere, de maximale totale effectieve dosis die een persoon in een kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie waarop de vergunningaanvraag van toepassing is, zowel ten gevolge van lozingen als ten gevolge van externe straling. Het besluit stelt voorts in artikel 3 dat door de Autoriteit regels kunnen worden gesteld voor de bepaling van de doses4Indien in deze bijlage kortheidshalve de term ‘dosis’ wordt gebruikt, wordt steeds ‘effectieve dosis’ bedoeld, tenzij nadrukkelijk anders wordt vermeld. en methoden kunnen worden aangewezen voor de wijze waarop de berekende doses worden getoetst. Deze bijlage bevat de hierboven bedoelde regels en methoden. De volgende dosisniveaus worden gehantee
- • ingekapselde bronnen, waaronder apparaten die zo’n bron bevatten
- • toestellen (voornamelijk röntgentoestellen en versnellers)
- • open bronnen
- • externe straling (ook directe straling genoemd)
- • lozingen in lucht
- • lozingen in water
- – externe blootstelling hetzij direct uit de bron, hetzij indirect bijvoorbeeld vanuit een geloosde wolk met radioactieve stoffen, of na depositie daarvan;
- – inhalatie van in de lucht zwevende radioactieve stofdeeltjes;
- – ingestie van voedsel en water dat door de verspreide radionucliden besmet is geraakt.
- 1 de enige belangrijke te verwachten dosisbijdragen van externe straling is die ten gevolge van gammastraling en röntgenstraling (d.w.z. dat andere stralingssoorten, zoals neutronenstraling, α- en β-straling, op het relevante punt naar verwachting een verwaarloosbare dosisbijdrage leveren);
- 2 de bron kan m.b.t. de mogelijke dosisbijdrage gezien worden als een puntbron7Modelmatig wordt van een puntbron gesproken indien de afstand tussen de bron en het punt waarvoor de dosis berekend wordt (dosispunt), groter is dan vijfmaal de grootste afmeting van het stralende oppervlak van de bron aan de kant van dat punt en er geen sprake is van een evenwijdige bundel..
- 3 de enige belangrijke te verwachten dosisbijdrage van lozing in lucht is die ten gevolge van inhalatie.
- 4 de enige belangrijke te verwachten dosisbijdrage van lozing in water is die ten gevolge van ingestie.
- 5 lozing in water geschiedt op een rioolsysteem dat via een waterzuiveringsinstallatie op het oppervlaktewater loost.
- – het maximale (theoretisch mogelijke) omgevingsdosisequivalent (H*max) voor externe straling (vanaf een puntbron);
- – de maximale (theoretisch mogelijke) emissie in lucht (Lmax) voor lozingen in lucht;
- – de maximale (theoretisch mogelijke) emissie in water (Wmax) voor lozingen in water;
- – voor externe straling wordt het berekende H*max getoetst aan H*SN
- – voor lozingen in lucht wordt het berekende Lmax getoetst aan LSN
- – voor lozingen in water wordt het berekende Wmax getoetst aan WSN
- • externe straling
- • lozingen in lucht
- • lozingen in water
- 1) Eén (effectief) lozingspunt Indien wordt de lozing geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken. Indien dat niet het geval is, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
- 2) Meer dan één lozingspunt Indien lozing in lucht kan plaatsvinden via meer dan één (effectief) lozingspunt, dient, voor ieder lozingspunt afzonderlijk de waarde van Lmax berekend te worden rekening houdend met het verbruik per lozingspunt, de afstand tussen lozingspunt en terreingrens en het afgeleide toetsingsniveau LSN. Toetsing geschiedt aan de hand van de volgende formule: Alleen waarden van Lmax groter dan 0,1 (dwz een tiende van het kleinste toetsingsniveau), behoeven bij deze sommatie te worden betrokken.
- • niet wordt voldaan aan de voorwaarden van onderdeel 2.1 (zie ook onderdeel 3.2),
- • een of meer toetsingsniveau’s worden overschreden (zie onderdelen 3.3.5, 4.3.5 en 4.4.5).
- • de omvang wordt, indien dat niet tot een onderschatting leidt, gelijkgesteld aan de maximale lozing of (voor externe straling) de maximale omgevingsdosisequivalent zoals in Deel I uitgerekend (zie formules 3.3, 4.4 en 4.10) of
- • er wordt een realistische berekening gemaakt volgens [DOA02] en [DOB02] van de jaarlijkse emissies voor ieder emissiepunt, gebaseerd op eigen metingen of op fabrieksgegevens. Metingen dienen zoveel mogelijk te worden uitgevoerd overeenkomstig daartoe strekkende normen of voornormen van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) of, bij ontbreken daarvan, overeenkomstig DIN, ISO of CEN normen. De emissieomvang voor verschillende emissiepunten van dezelfde emissiesoort worden gesommeerd.
- • straling vanuit een puntbron,
- • straling vanuit een groot oppervlak,
- • straling vanaf besmette bodem (groundshine),
- • aan de lucht weerkaatste straling vanuit een stralingsbron (skyshine),
- • straling vanuit een besmette wolk (cloudshine)
- • verspreiding, verval en ingroei van dochternucliden van in lucht geloosde radioactieve deeltjes,
- • resuspensie
- • ‘coastal spraying’ (dwz fijne waternevel afkomstig van zee)
- • landbouwproducten
- • veeteeltproducten
- • visproducten
- • drinkwater (inclusief leidingwater)
- • directe depositie van radioactiviteit vanuit de lucht (interceptie), en
- • opname via de wortels van in de bodem aanwezige radionucliden
- • consumptie van de helft van de bladgroenten uit eigen moestuin
- • consumptie visproducten gemengd uit relevante visbekken
- • consumptie drinkwater, indien een feitelijk bestaande drinkwater-inlaat zich in het betreffende voedselgebied bevindt.
- • consumptie overige voedingsmiddelen gemengd uit voedselgebied
- 1 berekening van de individuele dosisbijdragen per belastingpad (onderdeel 6.4);
- 2 berekening van IDext, IDinh, IDsub, IDing (onderdeel 6.4) voor zover van toepassing;
- 3 berekening van MIDext, MIDinh, MIDsub, MIDing, (zie hierboven) voor zover van toepassing;
- 4 berekening van MID volgens:
- 1 externe blootstellingdosis vanuit een vaste bron (niet die vanaf de grond)
- 2 externe blootstellingdosis vanuit de lucht
- 3 inhalatiedosis
- 4 submersiedosis
- 1 berekening van de individuele dosisbijdragen per belastingpad (onderdeel 6.4);
- 2 vaststelling (mede aan de hand van de in tabel 6.2 genoemde bestemmingen) van het feitelijke gebruik van de locatie waarvoor de dosis wordt berekend;
- 3 vermenigvuldiging van de berekende waarden met de erbij behorende correctiefactor (zie tabel 6.3);
- 4 optelling van de gecorrigeerde en ongecorrigeerde dosisbijdragen;
- • Voor het longmodel moet ICRP-66 [IC93] worden gebruikt.
- • Voor botdoses dient voor zover mogelijk ICRP-70 [IC95] te worden gebruikt en waar gegevens ontbreken ICRP-30 [IC79].
- • Voor het maag-darmkanaal dient ICRP-30 [IC79] te worden gebruikt, aangevuld met de ‘gut-factors’ uit [NEA88].