Bijlage 7 Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft: eindtermen en toetstermen module hypothecair krediet
Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft
Nummer toetsterm Omschrijving toetsterm Kennisniveau Eindterm 1a De persoon baseert zijn werkzaamheden op de actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving en de van toepassing zijnde richtlijnen en gedragscodes (zelfregulering). 1a.1 De kandidaat kan de fiscale gevolgen voor de klant in kaart brengen met betrekking tot de hypothecaire kredieten en de onroerende zaken waarvoor deze kredieten worden verstrekt, zoals de Wet op de inkomstenbelasting, Wet op de Loonbelasting, Wet belastingen rechtsverkeer, Wet omzetbelasting, schenk- en erfbelasting. B 1a.2 De kandidaat kan de standaardvoorwaarden en normen van de maximale hypotheekverstrekking inclusief de limitatieve afwijkingsgronden en -mogelijkheden uit de Tijdelijke regeling hypothecair krediet benoemen. K 1a.3 De kandidaat kan de relevante gedragscodes en actuele wet- en regelgeving voor hypotheekadvies uitleggen. B 1a.4 De kandidaat kan de relevante regelgeving benoemen op de volgende gebieden: • erfrecht; • huwelijksvermogensrecht en overige samenlevingsvormen; • publiekrechtelijke gebruiksbeperkingen; • overeenkomstenrecht, waaronder titel 2a boek 7 BW en de Wck; • sociale verzekeringen; • overige relevante regelgeving op het gebied van consumptief- en hypothecair krediet en de onroerende zaken of overige registergoederen waarvoor deze kredieten worden verstrekt. K 1a.5 De kandidaat kan op hoofdlijnen de inhoud beschrijven van de door de toezichthouder geschreven relevante documenten met betrekking tot hypotheekadvisering. K 1a.6 De kandidaat kan de pre- en postcontractuele informatieverplichtingen voor hypothecair krediet benoemen en verklaren. B 1a.7 De kandidaat kan de fiscale behandeling van consumptieve kredieten in box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting uitleggen. B 1a.8 De kandidaat kan de regelgeving ter voorkoming van overkreditering van een consumptief krediet uitleggen. B 1a.9 De kandidaat kan de relevante gedragscodes en actuele wet- en regelgeving voor consumptief krediet uitleggen. B 1a.10