Art. 2.13 Regeling diergeneesmiddelen, Aanwijzing als diergeneesmiddel dat wordt verstrekt na te zijn voorgeschreven
De minister verbindt aan de vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel het voorschrift dat het diergeneesmiddel uitsluitend wordt afgeleverd na te zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 5.8, aanhef en onder a, van het besluit, indien:
a. voor het diergeneesmiddel een leverings- of gebruiksbeperking geldt, waaronder:
1°. beperkingen die voortvloeien uit de ten uitvoerlegging van de van toepassing zijnde verdragen van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
2°. beperkingen die voortvloeien uit een EU-rechtshandeling op het gebied van diergezondheid, dierenwelzijn, volksgezondheid of het milieu,
b. het diergeneesmiddel bestemd is om te worden toegepast bij dieren die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd en ten minste één van de criteria, bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met h, van Richtlijn 2006/130/EG niet van toepassing is,
c. voor het diergeneesmiddel een bijzondere voorzorgsmaatregel geldt ten einde elk onnodig risico te vermijden voor:
1°. de diersoort die de doelgroep vormt,
2°. degene die de diergeneesmiddelen toepast,
3°. het milieu,
d. het diergeneesmiddel bestemd is voor een behandeling of een pathologisch proces waarvoor een nauwkeurige voorafgaande diagnose vereist is, of waarvan de toepassing van het diergeneesmiddel de diagnose of de therapie nadien kan bemoeilijken of beïnvloeden,
e. het noodzakelijk is dat de voor te schrijven hoeveelheid diergeneesmiddel beperkt blijft tot de beoogde behandeling of therapie, onder meer indien:
1°. er vóór de keuze van het toe te passen diergeneesmiddel een noodzaak is tot diagnosestelling, waaronder het gebruik van tests en andere diagnostische hulpmiddelen of instrumenten,
2°. toepassing van het diergeneesmiddel een risico met zich brengt voor het dier, degene die het diergeneesmiddel toepast, het milieu of de volksgezondheid, of
f. het diergeneesmiddel een farmacologisch werkzame stof bevat die nog geen vijf jaar in de Europese Economische Ruimte in een diergeneesmiddel in de handel is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G de Bock 7 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:290
- Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1818
- CBb 23 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:152
- Rb. Rotterdam 15 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8910
- Rb. Rotterdam 14 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4697
- Conclusie A-G Keulen 21 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:404
- CBb 3 oktober 2023, ECLI:NL:CBB:2023:549
- CBb 29 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:674
- CBb 1 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:466