Bijlage 5 Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2013
Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2013
De functie Verpleging is gericht op herstel of voorkoming van verergering van een aandoening, beperking of lichamelijke handicap door: Bij het onderscheid tussen de AWBZ-functies Persoonlijke Verzorging en Verpleging kan worden uitgegaan van een aantal algemene uitgangspunten. Handelingen die onder de functie Verpleging thuishoren zijn (geen limitatieve lijst): De verzekerde kan toegang verkrijgen tot de functie Verpleging als sprake is van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap. Een verstandelijke of zintuiglijke handicap levert geen grondslag op voor Verpleging. Een psychiatrische aandoening of beperking levert alleen een grondslag voor Verpleging in combinatie met verblijf en behandeling na de eerste 365 dagen. Om in aanmerking te komen voor de functie Verpleging dient ook onderstaande te zijn vastgesteld: De beperkingen kunnen gelegen zijn in: De verpleging die noodzakelijk is in verband met medisch specialistische zorg, valt niet onder de aanspraken van de AWBZ maar onder de Zvw. Deze zorg omvat ook verpleegkundige handelingen. Voor verpleging geldt dat bepalend is, wie verantwoordelijk is voor de verpleging: als dat de huisarts is, betreft het AWBZ, als het een medisch specialist is, de Zvw. Alle zorg die onder de functie persoonlijke verzorging valt, komt ten laste van de AWBZ, ook als dat noodzakelijk is in verband met medisch specialistische zorg. Voor thuisbeademing en palliatief terminale zorg geldt dat de verpleging ten laste van de AWBZ komt, ook als die noodzakelijk is i.v.m. medisch-specialistische zorg (art 2.11 lid 2 Besluit Zorgverzekering). De omvang van de functie Verpleging wordt bepaald aan de hand van gemiddelde tijden (zie 4.4 hieronder), die vervolgens leiden tot klassen. Aanpassing van de berekende omvang kan op basis van meerdere en samenvallende activiteiten en/of door persoonlijke bijzonderheden van de verzekerde mogelijk zijn. De omvang van de functie Verpleging wordt vastgesteld in kla
- 1. Deze bijlage is van toepassing op de indicatiestelling voor de functie Verpleging, zoals bedoeld in artikel 5 van het Besluit zorgaanspraken (Bza).
- 2. Deze bijlage kan worden aangehaald als ‘bijlage Verpleging’.
- 3. Op deze bijlage zijn de bijlagen ‘Algemeen’, ‘Grondslagen’ en ‘Gebruikelijke zorg’ van toepassing.
- 1. Artikel 5 Besluit zorgaanspraken:
- 2. ‘Verpleging omvat verpleging in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap, gericht op herstel of voorkoming van verergering van de aandoening, beperking of handicap.’
- 1. het uitvoeren van directe handelingen die tot de functie Verpleging horen, die in opdracht van een arts uitgevoerd worden;
- 2. het aanleren van (AWBZ) verpleegkundige handelingen, als onderdeel van een aanspraak op de functie Verpleging en het begeleiden bij de juiste uitvoering van deze verpleegkundige handelingen wanneer de verzekerde (of de gebruikelijke zorger of mantelzorger) deze zorg zelf uitvoert.
- 3. Het begeleiden van een verzekerde (of de gebruikelijke zorger) bij het zelf juist uitvoeren van een aangeleerde (AWBZ) verpleegkundige handeling om de kwaliteit te behouden en borgen. Daarbij kan het gaan om het ondersteunen bij of het overnemen van handelingen, het stimuleren om de handelingen zelf te doen of het aanleren van de handelingen.
- 4. Advies, Instructie Voorlichting (hiervoor is geen indicatie vereist). Advies, instructie en voorlichting (AIV) is een onderdeel van de AWBZ-functie Verpleging. Voor deze vorm van verpleging is geen indicatie vereist, omdat het vaak gaat om goed geprotocolleerde zorg die in omvang zeer klein is. Voor het product AIV is een arts niet direct verantwoordelijk. AIV wordt ingezet ten behoeve van mensen met chronische ziekten waarin de verpleegkundige samen met de verzekerde nagaat hoe deze met de ziekte kan omgaan. Dit kan een eenmalige activiteit zijn, maar het kan ook zijn dat er een periodiek contact is (enkele keren per jaar) waarin, veelal op basis van een protocol, wordt nagegaan of aanpassing van attitude of gedrag kan leiden tot het beter hanteren van de ziektegevolgen. Ook motiveren van de verzekerde dit gedrag daadwerkelijk te tonen valt onder AIV. AIV is dus in het bijzonder gericht op secundaire en tertiaire preventie bij chronisch zieke mensen. Vaak is in een keten afstemming bereikt over de manier waarop de verschillende actoren in de keten hun taak uitoefenen en is dit in een protocol vastgelegd. Continuïteit van zorg binnen de keten, zoals van ziekenhuis naar thuis, is een belangrijk aandachtspunt. Dit laat onverlet dat de arts voor deze activiteiten geen verantwoor-delijkheid draagt maar dat er sprake is van een zelfstandige verantwoordelijkheid van de verpleegkundige. Veelal hebben de betrokken verpleegkundigen een specifieke aanvullende expertise ten aanzien van een bepaald ziektebeeld ontwikkeld.
- 1. het toedienen van medicatie bij lokaal niet-intacte huid, zoals het geval is bij injecteren en het aanbrengen van medicatie in een wond;
- 2. het schoonhouden en verzorgen van natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (stoma, tracheastoma) bij een lokaal niet-intacte huid;
- 3. het inbrengen en verwijderen van sondes, katheters en dergelijke;
- 4. het toedienen van vloeistoffen in de bloedbaan (infuus).
- 1. er is een door een arts vastgestelde medische noodzaak voor de verpleegkundige handeling
- 2. en de verzekerde (en/of gebruikelijke zorger) is beperkt in zijn mogelijkheden om voor de eigen gezondheid te zorgen; of
- 3a. heeft beperkingen en/of mist de vaardigheden/kennis om de verpleegkundige handeling zelfstandig uit te voeren en kan deze verpleegkundige handelingen niet aanleren, of;
- 3b. mist de vaardigheden/kennis om de verpleegkundige zorg zelfstandig uit te voeren en is wel leerbaar/trainbaar om de verpleegkundige handelingen aan te leren.
- 1. de persoon zelf en/of
- 2. de technische onmogelijkheid om de handeling zelf uit te voeren (bijvoorbeeld het zichzelf injecteren op een moeilijk bereikbare plaats).
- • Het incidenteel beademen via de tracheostoma met behulp van een ballon, al dan niet bij calamiteiten; er is geen sprake van continue of intermitterende beademing naast dit incidentele gebruik van de beademingsballon.
- • Het toedienen van zuurstof via een ‘brilletje’, flowsnor, tracheostoma of anderszins; het bewaken van het zuurstofgehalte in het bloed met behulp van een saturatiemeter;
- • Het hebben van een tracheostoma;
- • apparatuur die wordt toegepast bij slaapapneu.
- – Bronchiaal toilet, ook wel ‘sprayen NACl’ of ‘druppelen’ genoemd;
- – Uitzuigen van slijm;
- – Verzorgen van de tracheostoma;
- – Periodiek verwisselen van de beademingscanule;
- – Aan- en afkoppelen van de beademingsmachine.
- • beademingsvrije tijd van de cliënt
- • handfunctie
- • frequentie en duur van zorghandelingen
- • mogelijkheid te kunnen alarmeren
- • het toezicht dat mantelzorg biedt
- • de draagkracht/draaglast van de mantelzorg
- • doeltreffendheid van de geïndiceerde zorg
- • doelmatigheid
- – chronische ademhalingsondersteuning in de thuissituatie;
- – noodzaak van permanent toezicht;
- – het permanent toezicht wordt geleverd door mantelzorg binnen een gezamenlijk huishouden en;
- – er is ondersteuning/ontlasting van de mantelzorg noodzakelijk en;
- – er is een positief advies van het Centrum voor Thuisbeademing dat de beademing in de thuissituatie veilig kan plaatsvinden.