Bijlage 2 Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013
Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013
In deze beleidsregel wordt onder ‘week’ verstaan het tijdvak dat gelegen is tussen maandag 00.00 uur en de eerstvolgende zondag 24.00 uur. Onder ‘dag’ wordt verstaan de tijdruimte van 00.00 tot 24.00 uur. In het Arbeidstijdenbesluit wordt voor een aantal sectoren of typen werkzaamheden voorzien in een ruimere normering dan is voorgeschreven in de Arbeidstijdenwet. In sommige gevallen is de norm in het Arbeidstijdenbesluit ruimer dan de norm voor overtredingen waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Overtreding van deze ruime normering is in dat geval een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd. Artikel 4.8:1 van het Arbeidstijdenbesluit regelt de normering als de werknemer ook rechtmatig in aanwezigheidsdiensten werkt. Hierbij geldt de tijd tijdens de aanwezigheidsdienst als arbeidstijd. Een werknemer mag dan maximaal gemiddeld 48 uur per week over een periode van 26 weken arbeid verrichten. Dit kan worden uitgebreid naar gemiddeld 60 uur per week als de werknemer hiermee uitdrukkelijk instemt (de zogenoemde ‘opt-out’ van artikel 4.8:2 van het Arbeidstijdenbesluit). Indien er geen ‘opt-out’ is getekend is er sprake van een overtreding van artikel 4.8:1, derde lid, onderdeel b, van het Arbeidstijdenbesluit als er meer dan gemiddeld 48 uur per week arbeid wordt verricht. De Nederlandse Arbeidsinspectie treedt direct op als er meer dan gemiddeld 60 uur per week arbeid wordt verricht. Wanneer er wel meer dan 48 uur, maar niet meer dan 60 uur per week arbeid wordt verricht wordt een waarschuwing gegeven waarbij de werkgever een termijn krijgt om de arbeidstijden aan te passen aan artikel 4.8:1 van het Arbeidstijdenbesluit. Als bij hercontrole blijkt dat nog steeds meer dan gemiddeld 48 uur per week arbeid wordt verricht wordt een boete opgelegd. Indien er wel een opt-out is getekend is er geen sprake van een overtreding als meer dan gemiddeld 48 uur per week, maar niet meer dan gemiddeld 60 uur per week arbeid wordt verricht (ongeacht voor hoe
- a. Het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie indien hierdoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.
- b. Het niet naleven van het verbod van kinderarbeid:
- – indien ('gewone') arbeid wordt verricht door kinderen jonger dan 13 jaar, of
- – indien 'artistieke' arbeid door kinderen wordt verricht waarvoor geen ontheffing is verleend.
- – indien ‘artistieke’ arbeid wordt verricht door kinderen van 12 jaar of jonger, gedurende het tijdvak 23.00 uur en 8.00 uur, of indien van de voorwaarden van de ontheffing wordt afgeweken.
- c. Indien er bij het niet naleven van art. 3:2 van de Arbeidstijdenwet sprake is van een voor een kind gevaarlijke situatie.
- d. Indien sprake is van het verrichten van arbeid door kinderen van 13 tot en met 15 jaar:
- – een kind in een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd heeft van minder dan 24 uur, of
- – tussen 21.00 uur en 06.00 uur, of
- – waarbij de onafgebroken rusttijd in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren minder dan 12 uur is, of
- – meer dan 10 uur per dienst, of
- – meer dan 45 uur per week.
- e. Indien sprake is van het verrichten van arbeid door jeugdige werknemers (16 en 17 jarigen):
- – een jeugdige werknemer in een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd heeft van minder dan 24 uur, of
- – tussen 00.00 uur en 06.00 uur, of
- – met een onafgebroken rusttijd van minder dan 10 uur in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, of
- – meer dan 12 uur per dienst, of
- – meer dan 60 uur per week.
- f. Indien sprake is van het verrichten van arbeid door werknemers van 18 jaar of ouder een werknemer1 Een overtreding met betrekking tot de arbeidstijd, die het gevolg is van het feit dat twee perioden waarin arbeid wordt verricht wordt onderbroken door een te korte dagelijkse rusttijd, is slechts een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd indien genoemde rusttijd korter is dan 6 uur.:
- − in een tijdruimte van 14 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd heeft van minder dan 32 uur, of
- − een onafgebroken rusttijd heeft van minder dan 6 uur in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, of
- − meer dan 14 uur arbeid per dienst verricht, of
- − gedurende meer dan 72 uur arbeid verricht in een periode van een week, of
- − meer dan 48 uur arbeid gemiddeld verricht berekend over een periode van 16 weken, of
- − in een periode van 52 aaneengesloten weken meer dan 140 malen arbeid verricht in een nachtdienst die eindigt na 02:00 uur, of
- − 10 of meer achtereenvolgende nachtdiensten verricht.
- g. Het gestelde onder e en f geldt niet voor zover in het Arbeidstijdenbesluit in langere arbeidstijden of kortere rusttijden is voorzien dan onder e of f zijn genoemd. Zolang in dat geval conform het Arbeidstijdenbesluit arbeid wordt verricht, is er pas sprake van een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd indien de ruimere norm van het Arbeidstijdenbesluit wordt overtreden.
- h. Het bepaalde onder g is niet van toepassing wat betreft de norm van het gemiddeld aantal uren per week en de norm van de onafgebroken rusttijd na de aanwezigheidsdienst indien er sprake is van het verrichten van arbeid door werknemers van 18 jaar of ouder en de werknemer conform het Arbeidstijdenbesluit in een aanwezigheidsdienst arbeid verricht. Er is in dat geval sprake van een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd:
- – indien er meer dan 60 uur gemiddeld arbeid wordt verricht berekend over een periode van 26 weken; of,
- – indien er sprake is van een onafgebroken rusttijd van minder dan 6 uur na afloop van een aanwezigheidsdienst.
- i. Het niet naleven van de voorschriften die zijn geregeld in § 5.14 Arbeidstijdenbesluit en als zodanig in het interventiebeleid van het Staatstoezicht op de Mijnen zijn gekwalificeerd.
- j. Indien er sprake is van een transportinspectie:
- – een te korte dagelijkse rusttijd;
- k. Indien er sprake is van een bedrijfsinspectie:
- – een dagelijkse rusttijd van minder dan 4,5 uur, of
- – structurele overtredingen op 10% of meer van de door de bestuurder gebruikte registratiemiddelen ter zake in ten minste 11 gecontroleerde zogenoemde chauffeurswerkdagen.
- l. Het niet voldoen aan een eis tot naleving als bedoeld in artikel 4:1, zesde lid, van de Arbeidstijdenwet.
- a. er is sprake van een voor een kind gevaarlijke situatie; of,
- b. het kind heeft onvoldoende gerust, werkt laat of werk te lang zoals omschreven in bijlage 2.
- c. er is geen ontheffing verleend voor artistieke arbeid, of er wordt niet voldaan aan de voorwaarden daaraan in de ontheffing.