Art. 2 Besluit mandaat, volmacht en machtiging ProRail inzake bevoegdheden Spoorwegwet

Besluit mandaat, volmacht en machtiging ProRail inzake bevoegdheden Spoorwegwet

1. Aan de president-directeur wordt mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake:

a. vergunningen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet;

b. afwijkende begrenzingen van hoofdspoorwegen krachtens artikel 21, derde lid, van het Besluit spoorweginfrastructuur;

c. het bij beschikking verzoeken om nadere informatie krachtens artikel 5, vijfde lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;

d. het stellen van maatwerkvoorschriften krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;

e. ontheffingen krachtens artikel 13, derde lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;

f. ontheffingen krachtens artikel 22, derde lid, van de Spoorwegwet;

g. ontheffingen krachtens artikel 40, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer met betrekking tot artikel 12, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer.

2. Aan de president-directeur wordt voorts mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake verzoeken om schadevergoeding op grond van:

a. de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999, voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;

b. de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999), voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met:

1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;

2°. een tracébesluit, voorzover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende tracébesluit, of

3°. een besluit als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds en waarvoor ProRail belast is met de uitvoering van werkzaamheden.

3. Aan de president-directeur wordt voorts mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig nemen van besluiten krachtens artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover dit verband houdt met besluiten die op grond van dit besluit zijn genomen.

4. De president-directeur kan van het hem in het eerste tot en met derde lid verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen.