Bijlage A Tijdelijke vrijstelling ter bestrijding van stengelaaltjes in de bloembollenteelt 2012: wettelijk gebruiksvoorschrift
Tijdelijke vrijstelling ter bestrijding van stengelaaltjes in de bloembollenteelt 2012
Grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes, schimmels en knolcyperus. In de bloembollenteelt, ter bestrijding van stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci) Dosering: 7,5 liter per are. Het middel moet daartoe bestemde injectie-apparatuur worden toegepast en ingespit. De werking worden verbeterd door na de ontsmetting een waterzegel aan te brengen.
- • Toegestaan is uitsluitend het gebruik als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes ten behoeve van de onbedekte teelt van bloembollen.
- • Het middel mag in de periode augustus tot en met oktober gebruikt worden als grondontsmettingsmiddel indien er sprake is van een besmetverklaring met het quarantaine organisme stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) in de teelt van bloembollen, om een teeltverbod van voor stengelaaltjes vatbare (bloem)bolgewassen, opgelegd door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, op te heffen.
- • Middelen op basis van metam-natrium mogen met ingang van 1 januari 2006 slechts eenmaal in een periode van 5 jaren op hetzelfde perceel of perceelgedeelte worden toegepast. In geval van een aantasting met het quarantaine organisme stengelaaltje kan één extra behandeling worden uitgevoerd om de besmetverklaring op te heffen.
- • De doseringen zoals aangegeven in de Gebruiksaanwijzing, onder B., mogen niet worden overschreden.
- • Het middel alleen toepassen met daartoe bestemde injectie-apparatuur. Deze injectie-apparatuur moet voorzien zijn van lekvrije doppen, b.v. roestvrijstalen antidrup-doppen of een systeem t.b.v. onderzoeksdoeleinden dat het nadruppen van de spuitdoppen voorkomt door middel van het met perslucht doorblazen van vloeistofleidingen voor het lichten van de scharen. De apparatuur laden met een lekvrij systeem (onder- of overdrukpomp). Bij het begin van een werkgang dienen eerst de injectiedoppen in de grond geplaatst te worden; pas daarna mag de afgifte worden ingeschakeld.
- • Het middel dient op tenminste 10 cm diepte ingebracht te worden.
- • De afgifte dient tenminste 1 meter voordat de injectiedoppen uit de grond worden gelicht, gestopt te worden.
- • Na injectie van het middel de grond onmiddellijk aanrollen.
- • Tijdens alle werkzaamheden ten behoeve van de grondontsmetting en het uitvoeren van de eerste grondbewerking na ontsmetting waarbij huidcontact met het middel kan optreden, doelmatige huidbeschermende kleding, handschoenen met lange schachten en rubberen laarzen dragen.
- • Verontreinigde kledingstukken onmiddellijk uittrekken.
- • Handschoenen en laarzen die in contact zijn geweest met het middel altijd direct met veel water wassen.
- • Handschoenen buiten de cabine opbergen.
- • Bij het gereedmaken van de toedieningsapparatuur, het verhelpen van storingen en het inwendig schoonmaken van de apparatuur een volgelaatsmasker dragen met B2-P3-filter, bij voorkeur voorzien van een aanblaaseenheid. Het filter tijdig maar niet later dan 1 maand na ingebruikname vervangen. Indien het filter als gevolg van een calamiteit aan hoge concentraties van het middel in de lucht heeft blootgestaan, deze dan direct vervangen.
- • Om het grondwater te beschermen mag dit product niet gebruikt worden in grondwaterbeschermingsgebieden. In niet-grondwatergebieden mag u, om het grondwater te beschermen, dit product niet later dan 31 oktober gebruiken.
- • Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden, vermijd onnodige blootstelling
- • Dit middel is uitsluitend bestemd voor professioneel gebruik.
- • De grond moet voor of tijdens de behandeling zaai- of plantklaar worden gemaakt en moet dus de daarvoor geschikte vochtigheid bezitten; ze moet echter vooral niet te nat zijn.
- • Het middel bij voorkeur toepassen bij een bodemtemperatuur (gemeten op 15 cm diepte) tussen ongeveer 7 en 16 °C. Hoe lager de bodemtemperatuur des te langer het middel in de grond aanwezig blijft en des te groter de kans op schade door het middel is.
- • Voor toepassing in de vollegrond geldt een ‘gesloten-periode’, waarin geen grondontsmetting mag worden uitgevoerd.
- • Het middel onverdund toepassen.
- • Om resten van het middel sneller te laten verdwijnen de grond vervolgens los maken.
- • Alvorens te planten of te zaaien na de besmetting een wachtperiode in acht nemen van 3 tot 6 weken.
- • Onder ongunstige omstandigheden (b.v. hoog vochtgehalte van de grond, lage temperatuur, sterk absorberende grondsoort) kan deze periode veel langer zijn. In die situatie verdient het aanbeveling het einde van de wachtperiode vast te stellen met behulp van de tuinkerstest.