Bijlage III Reken- en meetvoorschrift geluid 2012: behorende bij hoofdstuk 3 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012
Reken- en meetvoorschrift geluid 2012
Ten behoeve van de berekening wordt de geometrische situatie als volgt geschematiseerd. Vanuit de waarnemer W wordt de kortste verbindingslijn naar de as van de weg getrokken (de lengte van WS is d). Op afstanden 2d vanuit W liggen evenwijdig aan WS de begrenzinglijnen l1 en l2. De lijn door S loodrecht op WS, representeert de as van de denkbeeldige weg (die het model is van de werkelijke weg). De Standaardrekenmethode 1 is gebaseerd op een vereenvoudiging van de situatie, waardoor ten aanzien van het toepassingsbereik van de methode de volgende voorwaarden gelden voor het aandachtsgebied tussen de begrenzinglijnen l1 en l2: Het equivalente geluidsniveau LAeq in dB(A) vanwege het wegverkeer wordt gevonden uit: met: E: emissiegetal (maat voor de bronsterkte en afhankelijk van maatgevende verkeersintensiteiten, snelheden en wegdektype); Coptrek: correctieterm in verband met eventuele met verkeerslichten geregelde kruisingen van wegen, of in verband met obstakels in de weg die de gemiddelde snelheid sterk verlagen; Creflectie: correctieterm in verband met eventuele reflecties tegen bebouwing of andere verticale vlakken; Dafstand: term die de verzwakking als gevolg van de afstand in rekening brengt; Dlucht: term die de verzwakking als gevolg van luchtdemping in rekening brengt; Dbodem: term die de verzwakking als gevolg van het bodemeffect in rekening brengt; Dmeteo: term die het verschil tussen de meteorologisch gemiddelde geluidsoverdracht en de als referentie genomen meewind situatie in rekening brengt. De uitkomst van formule 1.1 heeft slechts betrekking op één rijlijn. Bij wegen die bestaan uit twee of meer rijstroken worden de afzonderlijke rijlijnen samengevoegd tot representatieve rijlijnen waarop alle verkeer van de samen te voegen rijlijnen is geconcentreerd. De samen te voegen rijlijnen voldoen aan de volgende voorwaarden: In gevallen waarin de weg niet over de volle breedte kan worden vervangen door één representatieve rijlijn wordt het totale LAeq vanwege d
- 1. STANDAARDREKENMETHODE 1
- 1.1 Begrippen
- 1.2 Geometrische definiëring situatie
- 1.3 Toepassingsbereik methode
- 1.4 Rekenmodel
- 1.5 Emissiegetal
- 1.6 Optrekcorrectie Coptrek
- 1.7 Reflectieterm
- 1.8 Afstandsterm
- 1.9 Luchtdemping, bodemeffect, meteo-effect
- 2. STANDAARDREKENMETHODE 2
- 2.1 Begrippen
- 2.2 De hoofdformule
- 2.3 Reflecties
- 2.4 De emissieterm LE
- 2.5 Optrektoeslag ΔLOP
- 2.6 De geometrische uitbreidingsterm ΔLGU
- 2.7 De luchtdemping ΔLL
- 2.8 De bodemdemping ΔLB
- 2.9 De meteocorrectieterm CM
- 2.10 De schermwerking ΔLSW
- 2.11 De niveaureductie ΔLR ten gevolge van absorptie bij reflecties
- 2.12 Het octaafbandspectrum van het equivalente geluidsniveau
- 3. STANDAARDMEETMETHODE
- 3.1 De meetmethode voor de bepaling van het LAeq
- 3.2 Apparatuur
- 3.3 Meteorologische randvoorwaarden
- 3.4 De meetplaats
- 3.5 De meetprocedure
- 4. WEGDEKCORRECTIE
- 4.1 Metingen
- 4.2 Bepalen van het gemiddelde geluidniveau per voertuigcategorie en per meetlocatie
- 4.3 Bepalen van de initiële wegdekcorrectie uit middeling over verschillende locaties
- 4.4 Bepalen van de verouderingscorrectie (Ctijd)
- 4.5 Bepalen van de wegdekcorrectie uit de initiële wegdekcorrectie en Ctijd
- 5. REKENREGEL SCHERMTOP
- 5.1 Definitie
- 5.2 Rekenregel
- 6. REKENREGEL MIDDENBERMSCHERM
- 6.1 Definitie
- 6.2 Rekenregel
- 7. REKEN- EN MEETREGEL DIFFRACTOR
- 7.1 Definitie
- 7.2 Rekenregel
- 7.2A Rekenregel CS,diff
- 7.3 Meettechnische bepaling producteigenschappen van een ingegraven diffractor
- 7.4 Meettechnische bepaling producteigenschappen van een diffractor op een scherm
- 8. TOELICHTING
- 8.1 Begrippen
- 8.2 Standaardrekenmethode 1
- 8.3 Standaardrekenmethode 2
- 8.4 Standaadmeetmethode
- 8.5 Methode bepaling wegdekcorrectie
- 8.6 Rekenregel middenbermscherm
- 8.7 Rekenregel diffractor
- 8.8 Lijst met definities
- 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- afstand tot rijlijn: kleinste afstand tussen het waarneempunt en een rijlijn (symbool r);
- begrenzingslijnen: begrenzingen van de voor de geluidsimmissie meest bepalende omgeving van het waarneempunt (zie Figuur 1.1);
- etmaalperiode: gedeelte van een etmaal waarover het equivalent geluidsniveau wordt bepaald;
- hoogte van de waarnemer: hoogte van de waarnemer ten opzichte van het maaiveld (symbool hw);
- hoogte van het wegdek: hoogte van het wegdek ten opzichte van het maaiveld (symbool hweg);
- horizontale afstand tot rijlijn: kortste horizontale afstand tussen een (waarneem)punt en een rijlijn (symbool d, eventueel met indices);
- maatgevende verkeersintensiteit: verkeersintensiteit, zoals die, in het voor de geluidsbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een representatief tijdvak, optreedt;
- rijlijn: lijn in het midden van een rijstrook op 0,75 m boven wegdekhoogte, die de plaats van de geluidsafstraling van de motorvoertuigen representeert;
- verkeersintensiteit: aantal motorvoertuigen van een categorie motorvoertuigen als bedoeld in het tweede lid, dat jaarlijks per uur, gemiddeld over een etmaalperiode, passeert;
- verkeerssnelheid: voor het betreffende wegvak representatief te achten gemiddelde snelheid per categorie motorvoertuigen als bedoeld in het tweede lid;
- waarneempunt: punt waarvoor het equivalente geluidsniveau in dB(A), het LAeq, bepaald moet worden; als deze bepaling dient ter vaststelling van de geluidsbelasting van een gevel dan ligt dit punt in het betreffende gevelvlak.
- 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende categorieën motorvoertuigen onderscheiden:
- a. categorie lv (lichte motorvoertuigen): motorvoertuigen op drie of meer wielen, met uitzondering van de in categorie mv en categorie zv bedoelde motorvoertuigen;
- b. categorie mv (middelzware motorvoertuigen): gelede en ongelede autobussen, alsmede andere motorvoertuigen die ongeleed zijn en voorzien van een enkele achteras waarop vier banden zijn gemonteerd;
- c. categorie zv (zware motorvoertuigen): gelede motorvoertuigen, alsmede motorvoertuigen die zijn voorzien van een dubbele achteras, met uitzondering van autobussen.
- 3. Als gebruik wordt gemaakt van automatische telapparatuur met een van het tweede lid afwijkende categorie-indeling, zijn deze tellingen toepasbaar als van deze automatische telapparatuur is aangetoond dat het berekende, op tienden van decibellen afgeronde equivalent geluidsniveau niet meer dan 0,5 dB afwijkt bij voor de betreffende wegtype representatieve verkeerssamenstelling.
- a. de as van de werkelijke weg doorsnijdt de in Figuur 1.1 aangegeven gerasterde gebieden niet;
- b. de weg bevat geen hoogteverschillen van meer dan drie meter ten opzichte van de gemiddelde weghoogte;
- c. het zicht vanuit de waarnemer op de weg wordt niet belemmerd over een hoek van meer dan 30°;
- d. het wegdek is van hetzelfde type;
- e. de verkeersvariabelen vertonen geen belangrijke variaties.
- – de afstand tussen de buitenste samen te voegen rijlijnen is kleiner dan 0,7 maal de afstand tussen de representatieve rijlijn en het waarneempunt;
- – de weg is duidelijk niet asymmetrisch ten opzichte van de representatieve rijlijn, zowel qua verkeerstoestand als qua weginrichting.
- a. deze akoestisch hard en vlak zijn;
- b. deze verticaal en ongeveer evenwijdig aan de weg staan;
- c. deze hoger zijn dan de hoogte van de waarnemer hw;
- d. de horizontale afstand dr daarvan tot de dichtst bij het waarneempunt gelegen rijlijn kleiner is dan 100 meter en tevens kleiner dan viermaal de horizontale afstand dw van het waarneempunt tot de meest nabij gelegen rijlijn.
- 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- bronpunt: snijpunt van een sectorvlak met een rijlijnsegment;
- etmaalperiode: gedeelte van een etmaal waarover het equivalent geluidsniveau wordt bepaald;
- openingshoek van een sector: hoek tussen de begrenzingvlakken van een sector in het horizontale vlak;
- rijlijn: lijn in het midden van een rijstrook, op 0,75 m boven wegdekhoogte, die de plaats van de geluidsafstraling representeert;
- rijlijnsegment: rechte verbindingslijn tussen de snijpunten van een rijlijn met de grensvlakken van een sector;
- sector: ruimte begrensd door twee verticale halfvlakken waarvan de grenslijnen samenvallen met de verticaal door het waarneempunt;
- sectorvlak: bissectricevlak van de twee grensvlakken van een sector;
- totale openingshoek: som van de openingshoeken van alle sectoren die voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau in dB(A) van belang zijn;
- verkeersintensiteit: aantal motorvoertuigen van een categorie motorvoertuigen als bedoeld in het tweede lid, dat jaarlijks per uur, gemiddeld over een etmaalperiode, passeert;
- verkeerssnelheid: voor het betreffende wegvak representatief te achten gemiddelde snelheid per categorie motorvoertuigen als bedoeld in het tweede lid;
- waarneempunt: punt waarvoor het equivalente geluidsniveau in dB(A), het LAeq, bepaald moet worden; als deze bepaling dient ter vaststelling van de geluidsbelasting van een gevel, dan ligt dit punt in het betreffende gevelvlak;
- zichthoek: hoek waaronder een object (gevel, scherm, weggedeelte, etc.) in horizontale projectie wordt gezien vanuit het waarneempunt.
- 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende categorieën motorvoertuigen onderscheiden:
- a. categorie lv (lichte motorvoertuigen): motorvoertuigen op drie of meer wielen, met uitzondering van de in categorie mv en categorie zv bedoelde motorvoertuigen;
- b. categorie mv (middelzware motorvoertuigen): gelede en ongelede autobussen, alsmede andere motorvoertuigen die ongeleed zijn en voorzien van een enkele achteras waarop vier banden zijn gemonteerd;
- c. categorie zv (zware motorvoertuigen): gelede motorvoertuigen, alsmede motorvoertuigen die zijn voorzien van een dubbele achteras, met uitzondering van autobussen.
- 3. Als gebruik wordt gemaakt van automatische telapparatuur met een van het tweede lid afwijkende categorie-indeling, zijn deze tellingen toepasbaar als van deze automatische telapparatuur is aangetoond dat het berekende, op tienden van decibellen afgeronde equivalent geluidsniveau niet meer dan 0,5 dB afwijkt bij voor de betreffende wegtype representatieve verkeerssamenstelling.
- – heeft het vlak een zichthoek van 2° of meer;
- – steekt het vlak over de gehele sectorhoek ten minste twee meter boven het wegdek uit.
- – het reflecterend oppervlak een grotere hoek met de verticaal maakt dan 5 graden;
- – het reflecterend oppervlak oneffenheden bevat waarvan de afmetingen van dezelfde orde van grootte zijn als de afstand van het vlak tot het waarneempunt of de afstand van het vlak tot het bronpunt;
- – het reflecterend object een geluidsafschermende voorziening is die aan de wegzijde is voorzien van een absorberend oppervlak;
- – het reflecterend object een geluidsafschermende voorziening is en zich aan de overzijde van de weg eveneens een geluidsafschermende voorziening bevindt.
- 1. rail op dwarsliggers in ballastbed of stangenspoor;
- 2. rail in (asfalt)beton.
- 1. de orde van het kruispunt:
- a. een kruispunt is van de eerste orde als ten minste drie van de op het kruispunt aansluitende weggedeelten een totale intensiteit van 2500 motorvoertuigen per etmaal hebben;
- b. een kruispunt is van de tweede orde als twee van de op het kruispunt aansluitende weggedeelten een totale intensiteit van 2500 motorvoertuigen per etmaal hebben;
- 2. de verkeersregeling op het kruispunt. Zijn verkeerslichten afwezig of niet in werking, dan spreekt men van een ongeregeld kruispunt. In alle andere gevallen van een geregeld kruispunt;
- 3. de intensiteitverhouding van de kruisende verkeersstromen. Als deze verhouding tussen de 1/3 en 3 ligt, is er sprake van een gelijkwaardig kruispunt, in alle andere gevallen van een ongelijkwaardig kruispunt. Een voorrangskruising is in alle gevallen ongelijkwaardig.
- • een brongebied,
- • een waarneemgebied;
- • en een middengebied.
- – Voor de eerste Y meter vanuit het bronpunt wordt een absorptiefractie gelijk aan nul toegepast. De waarde van Y wordt gegeven door de volgende formule:
- – De waarde van Y wordt begrensd door de lengte van het brongebied.
- – Voor het restant van het brongebied worden de absorptiefracties gebruikt die voor het brongebied zijn gemodelleerd.
- 1. De eerste term beschrijft de afscherming van een equivalent ideaal scherm (een dun, verticaal vlak). De hoogte van het equivalente scherm is gelijk aan de grootste hoogte van het obstakel. De bovenrand van het equivalente scherm valt samen met de bovenrand van het object. Als op grond hiervan meerdere locaties van het equivalente scherm mogelijk zijn, wordt hieruit die locatie gekozen die maximale schermwerking tot gevolg heeft.
- 2. De tweede, de derde en de vierde term zijn alleen van belang als het profiel, dat wil zeggen de doorsnede in het sectorvlak, van het afschermend object afwijkt van dat van het ideale scherm.
- a. Het extra afschermend effect van een diffractor bovenop een geluidscherm wordt in rekening gebracht met een correctieterm CS,diff;
- b. Het extra afschermende effect van een schermtop – mits deze voldoet aan de in hoofdstuk 5 omschreven eisen – kan in rekening worden gebracht met een correctieterm CT vanwege een schermtop;
- c. Het effect van alle andere van het ideale scherm afwijkende profielen wordt in rekening gebracht door het toepassen van een profielafhankelijke correctieterm Cp.
- a. een rondomgevoelige microfoon voorzien van windbol;
- b. een instrument waarmee de A-weging kan worden uitgevoerd (A-filter);
- c. een instrument dat een directe uitlezing geeft van het geluidsniveau in dB(A);
- d. een instrument dat het microfoonsignaal verwerkt tot een equivalent geluidsniveau in dB(A) over een instelbare meetperiode;
- e. een akoestische ijkbron aangepast aan het gebruikte type microfoon;
- f. een windrichtingmeter;
- g. een windsnelheidsmeter;
- h. een apparaat waarmee de snelheid van de passerende voertuigen kan worden geregistreerd.
- a t/m d. de relevante eigenschappen voldoen ten minste aan de eisen voor het instrument class 1, bedoeld in publicatie nummer 61672-1 van de International Electrotechnical Commission;
- e. een akoestische ijkbron wordt iedere twee jaar geijkt in een daartoe uitgerust laboratorium;
- g. de windsnelheidsmeter heeft, inclusief aanspreekgevoeligheid, ten minste een nauwkeurigheid van 0,5 m/s in het bereik 0–3 m/s en een nauwkeurigheid van 1 m/s bij hogere windsnelheden;
- h. de voertuigsnelheidsmeter heeft maximaal een nauwkeurigheid van 3% van de te meten voertuigsnelheid.
- a. bij dichte mist (zicht < 200 m);
- b. tijdens neerslag;
- c. bij harde wind (waarbij het windgeruis minder dan 10 dB(A) onder het te meten geluidsniveau ligt);
- d. als de akoestische eigenschappen van de weg en de bodem tussen weg en waarneempunt ten gevolge van bepaalde weersomstandigheden afwijken van de normale situatie.
- e. als de weersomstandigheden niet voldoen aan het meteoraam als gegeven in Tabel 3.1. Slechts voor relatief kleine afstanden (R < 10(hb + hw)) is het meteoraam niet van toepassing, tenzij er sprake is van afscherming.
- – De meethoogte bedraagt 3,0 meter. Wanneer van het betreffende wegdek oudere meetresultaten op 5,0 meter hoogte beschikbaar zijn, die in aanvulling met nieuwe metingen worden gebruikt voor het bepalen van de wegdekcorrectie, worden de nieuwe metingen uitgevoerd op zowel 3,0 als 5,0 meter hoogte.
- – De in NEN-EN-ISO 11819-1:2001 gestelde eisen aan de akoestische eigenschappen van het bodemgebied op de meetlocatie hoeven niet strikt te worden gevolgd, wel wordt aanbevolen om bij de keuze van de meetlocaties zoveel mogelijk met deze eisen rekening te houden.
- – Als richtlijn geldt dat op elke locatie metingen aan ten minste honderd lichte en vijftig zware motorvoertuigen beschikbaar moeten zijn. Maar het kan voorkomen dat deze aantallen op een locatie niet zijn gehaald, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende vrachtwagens passeren. Het resultaat van die locatie kan dan wel worden meegenomen bij de verdere analyse voor het vaststellen van de wegdekcorrectie. Uiteindelijk bepaalt de grootte van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde over alle meetlocaties of het eindresultaat betrouwbaar genoeg is.
- – lichte motorvoertuigen (m = 1): snelheidsbereik 30–130 km/h en Δ95%cigem,1(vm) (na afronding op één decimaal) ≤ 0,3
- – zware motorvoertuigen (m = 3): snelheidsbereik 30–100 km/h en Δ95%cigem,3(vm) (na afronding op één decimaal) ≤ 0,8.
- a. het gemiddelde A-gewogen geluidniveau Lgem,m(vx,m) bepaald door de waarden van de regressielijnen bij snelheid vx,m rekenkundig te middelen en
- b. het gemiddelde frequentiespectrum berekend over de gemeten individuele voertuigpassages (per voertuigcategorie afzonderlijk) en genormeerd volgens 4.3.6, zodanig dat de energetische som over de octaafbanden van het genormeerde spectrum gelijk is aan 0 dB(A).
- • punt A ligt aan de weg- of bronzijde van het scherm. De (horizontale) afstand tussen punt A en punt B is ten minste 1,0 meter. Punt A ligt ten minste op gelijke hoogte als punt B met een tolerantie van ± 0,1 meter;
- • bij de aansluiting van de T-top op het verticale scherm bij het punt O zijn spleten tot maximaal 10 mm toelaatbaar;
- • punt C ligt aan de ontvangerzijde van het scherm. De (horizontale) afstand tussen punt B en punt C is ten minste 1,0 meter. Punt C ligt ten minste op gelijke hoogte als punt B ± 0,1 meter.
- • Geluidsisolatie van de T-top: Tussen punten A en B en tussen punten B en C is geluidsisolerend materiaal aanwezig, waarvan de geluidsisolatie (DLR) minimaal 20 dB(A) is, bepaald volgens NEN-EN 1793-2 voor het standaard-wegverkeersgeluidspectrum. Voor gesloten (niet poreuze) panelen is hieraan voldaan als het oppervlaktegewicht op de lichtste plaats ten minste 15 kg/m2 is.
- • Geluidsabsorptie van de T-top: Het geluidsabsorberend materiaal is over de gehele breedte tussen punten A en C aanwezig boven de geluidsisolerende panelen. Het geluidsabsorberende materiaal bevindt zich niet onder de denkbeeldige lijn tussen punten A en C. De initiële geluidsabsorptie van een nieuwe T-top is zodanig dat de niveaureductie door absorptie DLα, zoals bepaald volgens NEN-EN 1793-1 ten minste 9 dB(A) is voor wegverkeerslawaai.
- 1. De eerste stap bepaalt een kromme C in het verticale vlak door een bronpunt en een waarneempunt. De kromme start voor elk sectorvlak in het punt op de rand van de schermtop aan de bronzijde. De kromme wordt beschreven door formule 5.1. met: zC(rTW): de hoogte van de kromme C van de bron ter plaatse van het waarneempunt; z0(rTW): de hoogte van de zichtlijn van de bron ter plaatse van het waarneempunt; rTW: de horizontale afstand tussen de rand van de schermtop (aan de bronzijde) en de ontvanger; C1 en C2: constanten. De parameters zijn grafisch weergegeven in Figuur 5.2 en Figuur 5.3. De verticale afstand dC tussen de kromme C en het waarneempunt wordt berekend volgens: Daarbij is: zW: de hoogte van het waarneempunt ten opzichte van het referentiepeil (horizontaal vlak waarin z=0) [m]; zC: de hoogte van de kromme C ten opzichte van het referentiepeil ter plaatse van het waarneempunt [m]. De term dC is negatief als het waarneempunt lager is dan de kromme C.
- 2. In de tweede stap wordt de waarde van CT bepaald volgens de in Figuur 5.4 weergegeven procedure. Naast de reeds vermelde parameters dC en rTW, zijn de volgende gegevens nodig: RB: de horizontaal gemeten afstand tussen de bron en het geluidsscherm langs een bepaald bron-waarneempunt-pad [m]; Rw: de horizontaal gemeten afstand tussen waarneempunt en scherm langs een bepaald bron-waarneempunt-pad [m]; RBL: de afstand tussen bron en geluidsscherm gemeten langs de kortste verbindingslijn [m]; RWL: de afstand tussen geluidsscherm en waarneempunt gemeten langs de kortste verbindingslijn [m]; zT: de hoogte van de top van de afscherming ten opzichte van het referentiepeil [m]; zW: de hoogte van het waarneempunt ten opzichte van het referentiepeil [m]. Ook deze parameters zijn grafisch weergegeven in Figuur 5.2 of Figuur 5.3. Voor de bepaling van de waarde van de correctieterm van een schermtop (CT) ligt het referentiepeil op de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de bron. De basisberekening van CT is verloopt volgens de volgende formule: met: C3 en A: constanten. De waarden van de constanten voor de in paragraaf 5.1 beschreven T-top zijn weergegeven in de onderstaande tabel. De constante C0 heeft als waarde de breedte van de rand van de T-top aan de wegzijde ten opzichte van het midden van het scherm.
- 1. Er worden drie gebieden onderscheiden waarin het waarneempunt zich kan bevinden;
- 2. Per gebied wordt aangegeven hoe de middenbermcorrectie moet worden bepaald.
- • De diffractor is bedoeld om langs een weg geplaatst te worden op dezelfde hoogte als de weg.
- • Metingen van de geluiddruk worden uitgevoerd met een afgedekte en onafgedekte diffractor.
- • Een geluidbron, zoals een luidspreker, wordt dicht bij de grond gebruikt.
- • Een akoestisch harde bodem is aanwezig tussen de geluidbron en de microfoonpositie.
- • De akoestische eigenschappen worden bepaald in 1/3 octaafbanden van 100 t/m 2500 Hz.
- • De omrekening naar octaafbanden vindt plaats door toepassing van het standaard geluidspectrum voor wegverkeer zoals opgenomen in NEN-EN 1793-3:1997.
- • Meetapparatuur
- • Testsignaal
- • Achtergrondgeluid
- • Wind
- • Temperatuur
- • Naam van het meetbureau
- • Datum en locatie testmetingen
- • Omschrijving van de meetlocatie
- • Omschrijving resultaat controlemeting bij harde bodem en afgedekte diffractor
- • Beschrijving van de gebruikte meetapparatuur
- • Foto’s van de meetopstelling en geteste diffractor, zowel bedekt als onbedekt
- • Omschrijving van de diffractor, waaronder type, afmetingen, waaronder de breedte, en fabrikant
- • Meteorologische omstandigheden
- • Resultaten van de metingen in 1/3 octaafbanden
- • Rapportage van Adiff in 1/3 octaafbanden en in 1/1 octaafbanden.
- a. metingen worden alleen uitgevoerd met een reflecterend scherm,
- b. de uiteindelijke middeling van het diffractoreffect voor de verschillende meetposities wordt lineair in plaats van energetisch uitgevoerd.
- a. eerst wordt voor iedere 1/3 octaafband (j) per hoek (h=0 of h=45 graden voor ieder van de meetposities (k=1 t/m 5) en bronhoogte (b=1 t/m 2) voor het scherm met diffractor (t=1) en scherm zonder diffractor (t=2) de diffractie index bepaald conform onderstaande formule.
- b. vervolgens wordt per meetpunt k het verschil bepaald tussen DIj,k bepaald voor het scherm met diffractor en zonder diffractor volgens:
- c. vervolgens vindt lineaire middeling plaats over alle meetposities k (5), hoeken h (2), en bronhoogtes b (2) volgens
- a. 180° indien LAeq dient ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting van een gevel, of
- b. 360° indien het LAeq dient ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting op een terrein behorende bij een geluidsgevoelig object als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder.