Bijlage 2 Besluit PT subsidiabiliteit en forfaitaire standaardtarieven medebewind 2011: criteria voor het in aanmerking nemen van uitgaven bij de indiening 2011
Besluit PT subsidiabiliteit en forfaitaire standaardtarieven medebewind 2011
(VERORDENING (EG) NR. 1234/2007 VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN VERORDENING (EG) NR. 1580/2007 VAN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN) Juli 2010 Inhoudsopgave: A Criteria subsidiabele uitgaven 3 1. Personeelskosten 3 2. Duurzame productiemiddelen 6 3. Overige kosten 17 4. Algemene kosten 19 5. Overige opmerking 19 B Criteria per maatregel/type actie/activiteit/subactiviteit: 20 Maatregel 1 20 Maatregel 2 24 Maatregel 3 33 Maatregel 4 42 Maatregel 5 46 Maatregel 6 51 Maatregel 7 55 Maatregel 8 72 C Negatieve lijst volgens Verordening (EG) nr. 1580/2007 78 D Niet limitatieve lijst van niet in aanmerking te nemen uitgaven en investeringen 83 E GMO-waardige en niet GMO-waardige ruimtes 84 F Subsidiabele en niet-subsidiabele elementen bij nieuwen/ of verbouw 86 G Afvalbeheer op het teeltbedrijf 90 Bijlage G-A Positieve-negatieve lijst 95 Bijlage G-B Wettelijk kader 97 H Nationale Milieurichtsnoeren 99 De hieronder opgenomen kostensoorten (exclusief BTW) komen (mits niet in strijd met de van toepassing zijnde verordeningen) voor een financiële bijdrage in het kader van de GMO-regeling in aanmerking: Maatregel 1: Acties die gericht zijn op de productieplanning Type acties: 101 Aankoop van vaste activa en 102 Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing Algemeen voorbehoud: In geval van investeringen, huur en leasing geldt dat voldaan moet worden aan de aan duurzame middelen gestelde eisen zoals vermeld in artikel 61, leden 3 (met name tweede en derde alinea) en 6 en artikel 21 lid 1, punt f), onder i) en de punten 1, 6, 10 t/m 14, 19, 20, 22 en 23 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007. Ook is interpretatieve nota 2008-07 van toepassing. Dit is nader uitgewerkt in onderdeel A Criteria subsidiabele uitgaven, punt 2 Duurzame middelen en onderdelen E GMO-waardige en niet GMO-waardige ruimte en F Subsidiabele en niet-subsidiabele elementen bij nieuw en of verbouw. Activiteit: Aanvoerprognose 101-1-253 en 102-4-257 ICT investeri
- 1.1. De onder deze categorie opgenomen personeelskosten omvatten tevens kosten voor gedetacheerd personeel en uitzendkrachten.
- 1.2. Personeelskosten kunnen, op grond van punt 2, onder b) van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 slechts in het operationeel programma worden opgenomen, indien deze verband houden met maatregelen om een hoog niveau inzake kwaliteit of milieubescherming te bereiken of te behouden, of om de afzet te verbeteren.
- 1.3. Op grond van punt 2, onder b) van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 kunnen slechts de kosten van vakbekwaam personeel in het operationeel programmaworden opgevoerd. Onder vakbekwaam personeel moet worden verstaan een werk- en denkniveau op minimaal MBO-niveau, verkregen door opleiding of ervaring en specifieke vakkennis om de betreffende functie te kunnen uitoefenen. Voor specifieke eisen omtrent de vakbekwaamheid van kwaliteitscontroleurs wordt verwezen naar deel B, activiteit kwaliteitscontrole, nummers 203-18-61 en 203-18-62. Dit dient door middel van de in de organisatie gangbare en door de directie/het bestuur geaccordeerde functieprofielen te worden gestaafd. Deze functieprofielen dienen te zijn verankerd in de normale administratieve organisatie (AO) en niet specifiek voor de GMO activiteiten te zijn geschreven. Naast het genoemde functieprofiel dient in de onderbouwing in GMO Connection per (sub)activiteit uitgebreid te worden beschreven wat de betreffende functionaris concreet zal doen. In deze beschrijving van circa een halve tot een hele pagina dient vooral ook aandacht besteed te worden aan de bescheiden (rapporten, verslagen, planningen, etc.) die deze functionaris zal opleveren. Indien de ruimte hiervoor in GMO Connection niet toereikend is, kunt u hiervoor een bijlage toevoegen.
- 1.4. Op grond van punt 2, onder b) van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 kan slechts de tijd, die de opgevoerde eigen werknemers of aangesloten telers daadwerkelijk besteden aan de in het operationeel programma beschreven werkzaamheden, in aanmerking worden genomen. De tijdsbesteding dient duidelijk te blijken uit een volledige urenregistratie, welke minimaal éénmaal per maand door de betreffende medewerker en de projectleider/direct leidinggevende (altijd door twee verschillende personen) dient te worden geparafeerd. Onder volledige urenadministratie moet worden verstaan dat alle gemaakte uren (dus ook niet-GMO uren) worden geregistreerd. Deze volledige urenregistratie hoeft alleen over die kwartalen te worden bijgehouden, in welke de betreffende medewerker ook daadwerkelijk in de kwartaalrapportage wordt opgevoerd. Indien personeel binnen een project meerdere activiteiten/werkzaamheden verricht dient dit duidelijk zichtbaar te zijn in de urenregistratie. Ook indien medewerkers worden ingezet ten behoeve van niet GMO-producten of producten van niet-leden dient de splitsing van de activiteiten naar wel- en niet-GMO duidelijk uit de urenregistratie te blijken. Het is mogelijk om deze splitsing te maken aan de hand van een andere deugdelijke onderbouwing (bijvoorbeeld de gebruiksadministratie). Een medewerker kan nooit volledig ten laste van de GMO worden gebracht. Maximaal 90% van de werkelijk gemaakte uren kunnen ten laste van de GMO worden gebracht. Voor managers/leidinggevenden geldt dat niet meer dan 80% van de werkelijk gemaakte uren ten laste van de GMO kunnen worden gebracht. Uit de urenregistratie van de telersvereniging dient duidelijk te blijken dat managementen beheersmatige activiteiten (denk hierbij vooral ook aan het opstellen van rapportages, evaluaties en verslagen ten behoeve van de GMO) niet ten laste van de GMO worden gebracht. Leden van de (hoofd)directie en/of Raad van Bestuur zijn niet subsidiabel. In beperkte uitzonderingsgevallen kan van dit laatste na nadrukkelijke toestemming door het PT worden afgeweken. Dit is slechts mogelijk indien er concrete en aantoonbare activiteiten binnen het betreffende project worden verricht. Naast de genoemde percentages geldt voor ieder personeelslid een absoluut maximum van 1.600 declarabele uren. Er dient daarbij eerst naar het 80/90%-criterium gekeken te worden en vervolgens dient het maximum van 1.600 uren te worden bepaald. Ter illustratie: een keurmeester heeft 2.400 uren geschreven. Allereerst wordt het 90% criterium toegepast. Dit komt uit op 2.160 uren. Dit aantal ligt boven de 1.600 uren. Het aantal te declareren uren wordt daarom afgetopt op 1.600 uren. In het geval van ICT-projecten kunnen slechts activiteiten van eigen medewerkers worden opgevoerd die betrekking hebben op nieuwbouw of uitbreiding van applicaties, als bedoeld in punt 2.15 en betrekking hebben op het handhaven of verbeteren van milieu, kwaliteit of het verbeteren van de afzet. Het doen exploiteren (helpdesk, aanpassen aan gebruikerswensen, updates, onderhoud, storingsdiensten, etc.) is niet subsidiabel. Naast de onderbouwing van de activiteiten dient in dit geval ook een basisontwerp te worden toegevoegd. Het is mogelijk dat uren (alleen van medewerkers van de telersvereniging) besteed aan het volgen van cursussen worden opgenomen. Duidelijk dient in dit geval de link van de cursus met het operationeel programma te worden beschreven. Cursussen om het algemene kennisniveau te handhaven of te verbeteren (persoonlijke effectiviteit, management, Windows, Word, Excel, talencursussen etc.) zijn niet subsidiabel. Ook cursussen om gekwalificeerd te worden voor de in het functieprofiel omschreven werkzaamheden zijn niet subsidiabel. Bijscholingscursussen om op de hoogte te blijven van recente ontwikkelingen daarentegen zijn wel subsidiabel. De vereisten voor wat betreft het begrip gekwalificeerd en het voeren van een urenregistratie etc. blijven ook bij cursussen onverminderd van toepassing. In voorkomend geval mogen ook daadwerkelijk aan de werknemer uitgekeerde kilometervergoedingen in het operationeel plan (onder de overige kosten) worden opgenomen, dit met een maximum van € 0,37 per km (zie ook punt 3.4). Bovenstaande is niet van toepassing voor opleidingen die op grond van artikel 103 quarter, lid 2, onder d) van Verordening (EG) nr. 1234/2007 ten behoeve van telers worden opgevoerd onder opleidingsmaatregelen in het kader van crisispreventie. Zie hiervoor onderdeel B, onder maatregel 6.
- 1.5. In de aanvraag voor 2011 kan in eerste instantie worden gewerkt met uurtarieven op basis van het salaris van het voorafgaande jaar. Bij de jaardeclaratie dient te worden gewerkt met werkelijk uitbetaalde salarissen. Bij de bepaling van deze tarieven dient te worden uitgegaan van het betaalde contractueel of bij CAO overeengekomen brutoloon van het voorafgaande jaar, in voorkomend geval inclusief een contractueel en/of bij CAO overeengekomen (niet winstafhankelijke) dertiende maand en eventuele onregelmatigheids- en ploegentoeslagen. Daarnaast mogen de volgende elementen in de uurtarieven worden opgenomen (limitatieve lijst): Om te komen tot een uurtarief moet bovenstaand brutoloon worden gedeeld door een aantal van 1.600 werkbare uren bij een volledige dienstbetrekking. Voor werknemers die in deeltijd werken, dient dit aantal naar rato te worden bijgesteld. Indien er overwerkvergoedingen zijn inbegrepen in de werkelijk betaalde salarissen, dan dient het aantal gemaakte overuren bij het aantal werkbare uren te worden opgeteld. Ter onderbouwing dient u van één personeelslid een voorbeeld van de berekening van het uurtarief overleggen.
- werkgeversdeel sociale verzekeringswetten;
- voor rekening van de werkgever komende kosten voor de ziektekostenverzekering;
- werkgeversdeel pensioen en/of vervroegde uittreding (inclusief dotaties aan pensioenvoorzieningen, voor zover onderbouwd kan worden dat er rechtens afdwingbare uitkerings- c.q. betalingsverplichtingen tegenover staan).
- 1.6. Bovenstaande punten (inclusief de verplichting tot het voeren van een volledige urenregistratie) zijn ook van toepassing indien leden van de telersvereniging of hun personeelsleden onder de personeelskosten worden opgenomen. Voor aangesloten leden wordt een uurtarief van € 40 gehanteerd. Voor personeel van aangesloten leden geldt een uurtarief van € 25. Eisen omtrent vakbekwaamheid zijn ook voor leden van de telersvereniging en hun personeel van toepassing. Personeelskosten voor de uitvoering van scoutingactiviteiten zijn niet subsidiabel.
- 1.7. De tijd die daadwerkelijk wordt besteed aan het bijwonen van congressen, symposia en seminars, alsmede de deelname aan studiereizen/excursies kan in het operationeel jaarplan worden opgevoerd. De deelname aan deze activiteiten dient dan wel in relatie te staan met in het betreffende project opgenomen andere subsidiabele activiteiten. Ook hier blijven de vereisten voor wat betreft het begrip gekwalificeerd personeel en het voeren van urenregistraties etc. onverminderd van toepassing. Slechts de tijd die daadwerkelijk aan deze activiteiten wordt besteed is subsidiabel. Per reis dient in dit geval een verslag gemaakt te worden, waarin naast duur, data bezochte instellingen, streken, personen, het aantal deelnemers en de identiteitsgegevens van hen; de doelstelling van de reis en een evaluatie essentieel zijn. Bovenstaande is eveneens van toepassing voor opleidingen die op grond van artikel 103 quarter, lid 2, onder d) van Verordening (EG) nr. 1234/2007 worden opgevoerd onder opleidingsmaatregelen in het kader van crisispreventie en -beheer. Zie hiervoor onderdeel B, maatregel 6.
- 1.8. Personeelskosten en de daarbij behorende belastingen en sociale premies komen alleen voor subsidie in aanmerking mits de telersvereniging of een minimaal 90%- dochter de bedragen uiteindelijk tijdig via haar actiefonds heeft verrekend (zie hiervoor hoofdstuk 2 van de handleiding).
- 2.1. Slechts duurzame goederen welke worden aangeschaft gedurende het jaar van uitvoering van het onderhavige operationeel jaarplan kunnen worden opgevoerd. Al deze investeringen dienen binnen twaalf maanden na aanschaf in gebruik te zijn genomen. De daadwerkelijke aanschaf dient (in voorkomend geval na oplevering) te worden aangetoond aan de hand van factu(u)r(en). Voor alle onder dit hoofdstuk opgenomen investeringen geldt dat de installatie en montage van de betreffende investeringen in het investeringsbedrag kan zijn opgenomen. Dit geldt ook voor bijkomende kosten, waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd (bijvoorbeeld architecten). Uitgaven voor service en onderhoud zijn niet subsidiabel, dit evenmin als wettelijke verplichtingen, zoals leges, afvalverwijderingsbijdrage, etc.
- 2.2. De begrote kosten voor duurzame middelen dienen financieel te worden onderbouwd. Dit dient bij voorkeur door middel van een offerte te geschieden. Indien dit niet mogelijk is of omdat er recentelijk (in een tussentijdse wijziging op grond van artikel 67 van bijlage VIII van verordening (EG) nr. 1580/2007 of in de aanvraag voor het lopende operationeel jaarplan) soortgelijke uitgaven voor duurzame middelen zijn gedaan, kan worden volstaan met een recente factuur of een andere vorm van onderbouwing. Indien er meerdere gelijksoortige investeringen worden gedaan (met uitzondering van grond en bestaand onroerend goed) kan worden volstaan met één onderbouwing. In het geval van aankoop van onbebouwde grond dient, op grond van punt 6 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 te worden aangetoond dat deze aankoop noodzakelijk is voor een in een operationeel programma opgenomen investering.
- 2.3. In het geval van de aankoop van onbebouwde grond mag het aandeel van de grond, op grond van punt 6 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007, in de totale investering (grond, gebouw en machines) niet meer dan 10% van de uitgaven voor de totale GMO-waardige investering bedragen. Er wordt dus gekeken naar de totale investering (dit kan over meerdere jaren, mits binnen de looptijd van het operationeel programma) en niet naar de uitgaven voor de activiteit in enig jaar. Dit maximum van 10 % kan op grond van punt 6 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 in het geval van milieuacties worden overschreden, mits naar behoren gemotiveerd. De grond moet binnen de looptijd van het operationeel programma worden aangewend voor de realisatie van de betreffende investering. Slechts het aandeel dat daadwerkelijk wordt aangewend voor de GMO-waardige investering is subsidiabel. Elementen in de nieuwbouw die niet subsidiabel worden geacht (zie hiervoor ook 2.4 en deel E en F), dienen ook voor het betreffende aantal vierkante meters uit de grondaanschaf te worden verwijderd. Indien de nieuwbouw wordt voorzien van één of meer docks, is het toegestaan per dock maximaal 200 m² grond bij het aantal vierkante meters te subsidiëren grond op te tellen, mits deze vierkante meters ook daadwerkelijk in de grondaankoop zijn inbegrepen. Het gedeelte bestemd voor parkeerplaatsen, erfverharding, groenvoorziening (inclusief groen- en grindstroken rondom gebouwen), ontsluiting naar de openbare weg, fietsenstalling etc. (dit is een niet-limitatieve opsomming) is niet subsidiabel. Eventuele vanuit de overheid voorgeschreven bepalingen hieromtrent, doen aan voorgaande niets af. Een en ander dient door middel van concrete bouwtekeningen en/of plattegronden te worden aangetoond (zie ook 2.4 ). Het is op grond van artikel 61, lid 3, derde alinea van Verordening (EG) nr. 1580/2007 niet mogelijk om de aanschafwaarde van grond over meerdere operationele programma’s te spreiden.
- 2.4. In het geval van aanschaf of nieuw-/verbouw van gebouwen (zoals bijvoorbeeld koelcomplexen, distributiecentra, sorteerhallen, etc.), kan slechts het gedeelte dat aan het eigen GMO-product kan worden toegeschreven én in eigendom is van de telersvereniging, in de aanvraag worden opgenomen. In deel E is een limitatieve lijst opgenomen van ruimtes die als GMO-waardig kunnen worden beschouwd, alsmede een niet-limitatieve lijst van de niet-GMO-waardige ruimtes. Het eigendom dient door de telersvereniging bij de jaardeclaratie aangetoond te worden. Alleen de oppervlakte van de hiervoor aangegeven ruimtes mogen meegenomen worden in de bepaling van de GMO-waardige oppervlakte. Voor de bepaling van het te declareren bedrag dient het percentage GMO-waardige ruimtes vastgesteld te worden. Dit gebeurt aan de hand van de oppervlakte van de GMO-waardige ruimtes. Deze oppervlakte dient u middels een bouwtekening aan te tonen c.q. te onderbouwen. Het percentage GMO-waardige ruimtes wordt bepaald ten opzichte van de totale oppervlakte. Onder totale oppervlakte wordt verstaan het inpandig aantal vierkante meters (inclusief eventuele verdiepingen) van het nieuw- of te verbouwen pand dat is weergeven op de aangeleverde bouwtekening. De oppervlakte van de (eventueel) aan te bouwen docks dient bij deze berekening buiten beschouwing gelaten te worden. Het te declareren bedrag wordt bepaald door de totale aanneem- c.q. bouwsom minus de niet-subsidiabele elementen te vermenigvuldigen met het percentage GMO-waardige ruimtes. De aanneem- c.q. bouwsom dient u bij indiening middels offertes te onderbouwen. Bij de jaardeclaratie dient u de aanneemsom te onderbouwen middels facturen welke op naam staan van de telersvereniging. Deze kosten dienen ook daadwerkelijk door de telersvereniging te worden gedragen. Het percentage GMO-waardige ruimtes wordt ook toegepast op de externe diensten die op deze investering betrekking hebben. Elementaire voorzieningen als afwateringssystemen, riolering, aansluiting op waterleiding, elektriciteitsnet en aansluitingen op systemen voor datacommunicatie (zoals bijvoorbeeld telefoon) worden gezien als onmisbare elementen en zijn daarom subsidiabel. Parkeerplaatsen, groenvoorziening, bewegwijzering, etc. worden als niet subsidiabel beschouwd. Het onderscheid tussen alle elementen c.q. ruimtes dient duidelijk uit de offerte en een bouwtekening of plattegrond te blijken. In delen E en F is een niet-limitatieve lijst van niet-subsidiabele elementen bij nieuw- /verbouw opgenomen. Het bepaalde onder punt 2.7 is onverminderd ook op gebouwen van toepassing. Het PT verzoekt u bij indiening van een dergelijke investering gebruik te maken van het format wat is opgenomen in GMO Connection.
- 2.5. Duurzame middelen mogen gedurende de looptijd van het operationeel programma op generlei wijze uit het eigendom van de telersvereniging verdwijnen en dienen voor de in het operationeel programma beschreven activiteiten te worden aangewend. Voor investeringen in het laatste jaar van een operationeel programma geldt een additionele vervreemdings- en aanwendingstermijn van twaalf maanden na oplevering en/of ingebruikname van het duurzame middel. Indien duurzame middelen toch worden vervreemd zal de restwaarde op grond van artikel 61, lid 3, laatste alinea, eventueel verhoogd met een extra korting, worden teruggevorderd. Op grond van artikel 61, lid 3, tweede alinea van Verordening (EG) nr. 1580/2007 is het wel mogelijk om een investering te vervangen. In dat geval dient de restwaarde in mindering te worden gebracht op de vervangende investering of aan het actiefonds van de telersvereniging te worden toegevoegd. Er moet hierbij sprake zijn van een daadwerkelijke vervanging binnen dezelfde maatregel en doelstelling. De restwaarde wordt bij vervreemding en vervanging bepaald, door een percentage van 20% pro rato per gebruiksjaar van de aanschafwaarde af te trekken. Indien er minder dan de op deze manier bepaalde restwaarde ten laste van de GMO is gebracht, wordt er uitgegaan van de ten laste van de GMO gebrachte bedragen. Een uitzondering wordt gemaakt voor het tenietgaan van investeringen door bijvoorbeeld brand of diefstal. In een dergelijk geval wordt de ontvangen verzekeringsuitkering als restwaarde gehanteerd. Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om investeringen over meerdere operationele programma’s te spreiden, zoals bedoeld in artikel 61, lid 3, eerste alinea van Verordening (EG) nr. 1580/2007, worden alle regels ook van toepassing verklaard op het volgende operationele programma. Dit betekent dan opnieuw een verbod om gedurende dat programma te vervreemden en dat er opnieuw met een afschrijving van 20% pro rato per jaar op de aanvangsboekwaarde van het overgebrachte duurzame middel vanuit het vorige operationele programma wordt gewerkt.
- 2.6. Indien een tweedehands duurzaam goed wordt aangeschaft dient krachtens punt 10 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 een verklaring van de verkopende partij te worden overlegd. In deze verklaring dient te worden verklaard dat in de voorbije zeven jaren voor de aankoop van het goed geen andere subsidie is ontvangen. Dit geldt voor alle vormen van subsidies, zowel communautair als nationaal. In het geval van aankoop van onroerend goed (inclusief grond) dient, op grond van punt 19 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007, door de verkopende partij te worden verklaard dat er in de voorbije tien jaren geen andere subsidie voor het goed is ontvangen. Dit geldt voor alle vormen van subsidies, zowel communautair als nationaal. Het is niet toegestaan om een tweedehands duurzaam goed bij een aangesloten teler aan te schaffen en dit goed vervolgens bij deze of een andere aangesloten teler te laten staan/te plaatsen. Dit is ook van toepassing op huur- en leaseovereenkomsten met/van telers. Tweedehandsinvesteringen kunnen slechts in aanmerking worden genomen, indien het aanschafbedrag hoger is dan EUR 10.000. Deze alinea is ook van toepassing op nieuwe leden die toetreden tot de telersvereniging.
- 2.7. Indien een duurzaam goed slechts gedeeltelijk wordt gebruikt voor de uitvoering van het operationeel programma, mag alleen het op het operationeel programma betrekking hebbende deel aan de betreffende maatregel worden toegerekend. Op grond van artikel 61, lid 6 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 dient een investering voor minimaal 50% te worden aangewend voor producten waarvoor de telersvereniging is erkend en die afkomstig zijn van leden van de telersvereniging of van een andere telersvereniging. Indien het gebruik in een vastgestelde piekperiode minder bedraagt dan 50% kan de investering niet worden opgevoerd. Voor de verschillende producten zijn de volgende piekperioden vastgesteld (in de praktijk kan met weeknummers gewerkt gaan worden): Bovenstaande eis van 50% geldt per investering (met uitzondering van heftrucks). Dit houdt in dat een nieuwe investering niet subsidiabel is, indien gedurende de piekperiode de voorgaande investering(en) niet volledig wordt/worden benut. Dit houdt in dat in het geval van bijvoorbeeld twee machines, deze twee een gezamenlijk gebruikspercentage dienen te realiseren van 150 %. Bij 8 machines is dit percentage 750 %. Op centrale locaties van de telersvereniging dient dit gebruik tijdens de piekperiode aan de hand van een administratie op investeringsniveau te worden aangetoond. Voor investeringen op locaties van aangesloten telers kan het PT om nadere verklaringen vragen. Het PT houdt zich het recht voor om bij beschikking voor bepaalde investeringen en/of producten van bovenstaande piekperioden af te wijken en een andere periode vast te stellen. Ook kan een telersvereniging verzoeken om een andere piekperiode vast te stellen. Voor investeringen die ten behoeve van meerdere productcategorieën worden aangewend (bijvoorbeeld gebouwen) zal het PT op verzoek van een telersvereniging een piekperiode vaststellen. Indien een investering wordt aangeschaft na de piekperiode, begint de registratie in het daaropvolgende jaar. Dit is ook van toepassing, indien de investering in het laatste jaar van een operationeel programma wordt gedaan. Gedurende de piekperiode moet per investering een gebruiksadministratie worden bijgehouden om aan te tonen dat het percentage tenminste 50 % bedraagt voor producten waarvoor de telersvereniging is erkend en die afkomstig zijn van haar leden of een andere telersvereniging. Deze administratie dient minimaal de volgende elementen te registreren: Bovenstaande gebruiksadministratie moet per dag worden bijgehouden. Bij de jaardeclaratie moeten de gegevens per maand (in voorkomend geval periode van vier weken) worden aangeleverd. De achterliggende administraties en bewijsstukken moeten altijd beschikbaar zijn voor het PT en/of andere controle-instanties en op verzoek worden toegezonden. Voor verschillende soorten van investeringen, zijn er verschillende registratiewijzen. Het PT schrijft de volgende registratiewijzen voor: Het PT houdt zich het recht voor om in voorkomend geval andere registratiewijzen voor te schrijven of van bovenstaande voorschriften af te wijken. Ook kan een telersvereniging een verzoek indienen om de registratie op een andere manier te laten plaatsvinden. U dient altijd in de aanvraag op te nemen hoe u de gebruiksadministratie gaat voeren. Bij de goedkeuring zal het PT u informeren omtrent de wijze van administreren. Voor investeringen die al reeds voor 2008 in het operationeel programma waren opgevoerd en ook nog in de aanvraag 2011 worden opgenomen, geldt de volgende overgangsbepaling: Het uiteindelijk op te voeren gedeelte van de investering is een gewogen gemiddelde van de werkelijke percentages over de jaren tot en met 2007 en 100% over de jaren 2008 en verder. Ook product, waarover de telersvereniging of de individuele telers geen bedrijfseconomisch risico meer lopen, wordt gezien als niet-GMO-product. Ter illustratie: indien product inmiddels is verkocht, maar nog wel een toegevoegde waarde krijgt doordat het gesorteerd en verpakt moet worden en het product gaat verloren door fouten bij het sorteren en verpakken, zijn de betreffende sorteer- en verpakinstallaties slechts dan subsidiabel indien de telersvereniging en/of de teler in het geval van verloren gaan van product hierover het financiële risico draagt.
- Glasgroenten (bijvoorbeeld tomaat, komkommer, paprika, aubergine, courgette, aardbeien) en asperges: mei tot en met augustus
- Zachtfruit (bijvoorbeeld bessen, bramen, frambozen, aardbeien vollegrond): juni tot en met september
- Kersen half mei tot en met half juli
- Vollegrondsteelten (bijvoorbeeld ijsbergsla, broccoli, bonen, spruiten, prei, wortelen en jaarrondteelten (bijvoorbeeld champignons en witlof): augustus tot en met november.
- Hardfruit (bijvoorbeeld appelen en peren): oktober tot en met januari
- Jaar
- Project
- Locatie
- Soort investering
- Aanschafdatum
- Leverancier, merk, type, serie- of registratienummer
- Hoeveelheid verwerkt GMO-product (conform de hieronder beschreven registratiewijze), aangetoond moet kunnen worden dat dit inderdaad GMO-product is
- Hoeveelheid verwerkt niet GMO-product
- Totaal hoeveelheid verwerkt
- Op productstromen (op locatieniveau), deze cijfers dienen te worden gebruikt bij distributiecentra, gebouwen, etc.
- Palletregistraties, deze cijfers dienen te worden gebruikt bij koelcellen, etc.
- Stuks, collie, kilogramregistraties, deze dienen te worden gebruikt bij sorteerlijnen, verpakkingsmachines, etc.
- 2.8. Het duurzame goed kan alleen worden aangeschaft door de telersvereniging of een minimaal 90% dochter. In het geval van een dochter waarin minimaal 90% van de aandelen wordt gehouden, kan de investering (onder voorbehoud van de overige randvoorwaarden) volledig worden opgevoerd. Investeringen door rechtspersonen waarin ook telers een belang hebben van meer dan 10% van de aandelen, zijn niet mogelijk. Investeringen door een dochter van meerdere erkende telersverenigingen zijn mogelijk. Deze investeringen moeten naar rato van de aandelenverhouding over de betreffende telersverenigingen worden verdeeld.
- 2.9. De telersvereniging dient, naast het eigendomsrecht, gedurende de looptijd van het operationeel programma altijd de zeggenschap over het gebruik van het duurzaam goed te behouden. De investering dient toegankelijk te zijn voor alle leden.
- 2.10. Op grond van artikel 61, lid 3, derde alinea van Verordening (EG) nr. 1580/2007 is het, binnen de voorwaarden zoals gesteld in punt 2.11 mogelijk om een duurzaam goed te plaatsen op de locatie van een bij de telersvereniging aangesloten lid. In een dergelijk geval dient de telersvereniging er zorg voor te dragen dat het eigendom van het goed bij de telersvereniging blijft gedurende het operationeel programma. Dit dient onder andere te blijken uit het feit dat het duurzaam goed op de balans (met uitzondering van bomen en meerjarig plantgoed) van de telersvereniging of een minimaal 90%-dochter van de telersvereniging is geactiveerd. Indien het betreffende lid de telersvereniging verlaat kunnen zich twee situaties voordoen: De vervangingsinvestering moet in het operationele jaarplan worden opgenomen. De regels voor tussentijdse wijzigingen zoals opgenomen in circulaire GMO-003 2010 zijn hierop van toepassing. De voorwaarden zoals genoemd in de circulaire GMO-013-2009 op pagina 12 punt 5 (nog niet gerealiseerde acties) zijn hier ook van kracht. Indien er geen vervangende investering wordt gerealiseerd zal het PT de restwaarde eventueel verhoogd met een extra korting terugvorderen. De telersvereniging kan zich niet beroepen op het begrip natrekking. Het is de verantwoordelijkheid van de telersvereniging om dit bijvoorbeeld door middel van een recht van opstal te regelen. Voor de afwijking hierop in het geval van aanschaf van plantgoed voor blijvende gewassen wordt verwezen naar onderdeel B, nummers 101-2-331 en 102-5-5. Op grond van punt 22 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 is het niet mogelijk om investeringen of soortgelijke type acties in andere bedrijven te plaatsen, dan die van de telersvereniging, een groepering van telersverenigingen, dochterondernemingen daarvan of bij de aangesloten telers. Dit houdt in dat investeringen geplaatst in bedrijven van derden niet subsidiabel zijn, ongeacht het gebruik van deze investeringen. Bedrijven die volledig in eigendom zijn van rechtspersonen die bestaan uit aangesloten telers, de telersvereniging, een groepering van telersverenigingen of dochterondernemingen van de genoemde rechtspersonen worden niet als bedrijven van derden gezien. Voorgaande is ook van toepassing als deze bedrijven worden gehuurd. Vanzelfsprekend gelden hierbij wel de voorschriften omtrent het gebruik van de investeringen, het eigendom (zie 2.9) en de vervreemding. Naast bovenstaande voorwaarden dienen investeringen op grond van punt 23 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 altijd geplaatst te worden op het grondgebied van de Europese Unie.
- a) de investering gaat terug naar de telersvereniging om herplaatst te worden bij een ander lid,
- b) de investering blijft staan bij het lid omdat die niet herplaatst kan worden. In de tweede situatie is de investering niet meer in het eigendom van de telersvereniging en is er sprake van vervreemding. De telersvereniging dient dan de restwaarde van de investering te verhalen op de betreffende teler. Voor het bepalen van de restwaarde zie punt 2.5. Deze restwaarde kan worden gebruikt om in mindering te brengen op de kosten van een overeenkomstige investering bij een ander lid binnen dezelfde maatregel en doelstelling binnen het lopende operationeel jaarplan. Mocht het niet haalbaar zijn om deze investering voor 31 december te realiseren dan bestaat in dit geval de mogelijkheid om gebruik te maken van de regeling uit artikel 70 lid 3 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 en kan deze termijn verlengd worden tot 30 april van het jaar dat volgt op het operationeel jaarplan
- 2.11. In het geval investeringen op het bedrijf van een aangesloten teler worden geplaatst dient het belang van de telersvereniging en de relatie met de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationeel programma te worden aangetoond. Investeringen in de pré-oogstfase worden in het algemeen geacht geen relatie met de verwezenlijking van de algemene doelstellingen te hebben en zijn derhalve niet subsidiabel. Slechts in het geval van een vernieuwend experiment (onder experiment moet een voor de sector vernieuwende pilot worden verstaan, welk een uitstralingseffect zal hebben naar de telers en waarbij de telersvereniging een financieel risico loopt en waarvan de telersvereniging de resultaten onder de eigen telers of de gehele sector bekend maakt) of een zeer duidelijke relatie met milieu, kwaliteit en/of afzet in het zeer directe belang van de telersvereniging of de sector zijn dergelijke investeringen in het operationeel programma mogelijk. In het geval van een experiment, is het bij succes niet mogelijk om de betreffende investering vervolgens automatisch bij meerdere leden uit te voeren. Het directe collectieve belang dient te worden onderbouwd.
- 2.12. De aanschafkosten voor duurzame goederen kunnen in één keer ten laste van het actiefonds worden gebracht of er kan voor worden gekozen om het goed gedurende meerdere jaren ten laste van het actiefonds te brengen. Dit laatste is niet mogelijk voor investeringen onder de EUR 5.000. Indien er over meerdere jaren bedragen ten laste van het actiefonds worden gebracht, dient er vanaf het kwartaal van aanschaf, ieder kwartaal een substantieel bedrag (minimaal EUR 5.000) ten laste van het actiefonds te worden gebracht. Dit bedrag dient dan gelijkmatig over de kwartalen te worden verdeeld. Hieromtrent zal het PT met nader beleid komen. Indien er gegronde economische redenen zijn en het fiscaal/bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat de afschrijfperiode meer dan vijf jaar bedraagt (dit is derhalve nooit het geval bij grond) kan er voor worden gekozen om het restant van de investering ook nog in een volgend operationeel programma op te nemen. Dit geldt ook voor investeringen die reeds in eerdere jaren, onder de werking van Verordening (EG) nr. 1433/2003, in een operationeel programma zijn opgenomen. Een zelfde duurzaam goed kan maximaal in drie opeenvolgende operationele programma’s worden opgenomen. In een dergelijk geval wordt de vervreemdingstermijn automatisch verlengd tot het laatste jaar van het operationeel programma waarin er bedragen voor de betreffende investering ten laste van het actiefonds zijn gebracht. Bij de aanvraag dient te worden aangegeven hoe de uitgaven ten laste van het actiefonds zullen worden gebracht. Er kan nooit meer ten laste van het actiefonds worden gebracht dan de initiële investering.
- 2.13. Het is op grond van punt 12 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 mogelijk om een duurzaam goed te huren. In een dergelijk geval kunnen krachtens punt 13 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 alleen de werkelijk betaalde ‘kale’ huurbedragen in aanmerking worden genomen. Er dient dan gemotiveerd te worden aangetoond (bijvoorbeeld door een offerte van de aanschafwaarde) dat dit economisch verantwoord is. Gestelde voorwaarden voor wat betreft andere subsidies zijn ook hier van toepassing, zie hiervoor punt 2.6.
- 2.14. Het is mogelijk om een duurzaam goed te leasen. In een dergelijk geval kunnen op grond van punt 14 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 alleen de werkelijk betaalde ‘kale’ huurbedragen in aanmerking worden genomen. Kosten voor rente, onderhoud, servicecontracten, winstmarge e.d. zijn niet subsidiabel. Gestelde voorwaarden voor wat betreft andere subsidies zijn ook hier van toepassing, zie hiervoor punt 2.6. In totaal kunnen er op grond van artikel 61, lid 3 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 nooit meer leasetermijnen in aanmerking worden genomen dan de netto marktwaarde van het geleasde goed. Een langlopend leasecontract kan ook over meerdere operationele programma’s worden gespreid, mits daarvoor gegronde economische redenen bestaan en in het bijzonder als het bedrijfseconomisch/fiscaal gebruikelijk is dat de afschrijvingsperiode meer dan vijf jaar bedraagt. Ook hier geldt het maximum van drie opeenvolgende operationele programma’s.
- 2.15. Voor uitgaven voor duurzame goederen op het gebied van ICT zijn de volgende richtlijnen van toepassing:
- ICT voorzieningen voor eigen personeel worden gezien als werkplek gerelateerde kosten en zijn daarom niet subsidiabel. Een uitzondering hierop vormen portable pc’s (laptops, notebooks) en de daarbij noodzakelijke randapparatuur. Deze zijn subsidiabel indien zij daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor de te verrichten activiteiten door medewerkers van de telersvereniging die in het veld hun activiteiten verrichten. Voorwaarde daarbij is dat deze activiteiten ook in het operationele plan zijn opgenomen. De aanschaf van deze portable pc’s kan gerelateerd aan het aantal subsidiabele GMO-uren van de betreffende medewerker in het operationeel plan worden opgenomen. Bijvoorbeeld als van een buitendienstmedewerker 40% van de uren in de GMO-declaratie worden gebracht, kan ook 40% van de aanschaf van de portable pc in de declaratie worden opgenomen.
- Servers zijn slechts subsidiabel voor het deel van het geheugen dat daadwerkelijk voor GMO-waardige applicaties wordt gebruikt. Daarom dient te worden aangetoond welke applicaties via de server gebruikt worden en wat het capaciteitsbeslag en het gebruik van de betreffende GMO-applicaties zijn op de server.
- Als subsidiabele software kunnen slechts die applicaties worden opgenomen, die bijdragen aan handhaving van de kwaliteit of de milieubescherming of de afzet vergroten. Algemene applicaties zoals MS Office applicaties (bijvoorbeeld Word, Excel), boekhoud- en financiële pakketten etc. zijn niet subsidiabel.
- Slechts totaal nieuwe applicaties kunnen in de GMO-aanvraag worden opgenomen. Een update (bijvoorbeeld aanpassingen als gevolg van gebruikerservaringen) van een reeds bestaande applicatie is niet subsidiabel. Deze nieuwe applicatie dient binnen de telersvereniging een andere manier van werken als effect te hebben. Uitbreiding is slechts subsidiabel indien het een echt nieuwe module betreft en ook deze module een andere manier van werken als effect heeft.
- Software kan slechts onder de duurzame middelen worden opgenomen, indien deze in eigendom komt. Wordt software slechts onder licentie uitgegeven, dan dienen deze kosten onder overige kosten te worden opgenomen. Indien software wordt ontwikkeld door eigen personeel of externe diensten, dan mogen de kosten hiervan GMO-technisch niet worden geactiveerd, maar dienen ze gedurende het jaar als uitgaven voor personeel c.q. overige kosten te worden verantwoord.
- 2.16. Van alle onder de GMO gebrachte investeringen in het lopende operationeel programma moet een DPM-register worden bijgehouden. Dit register dient actueel te worden gehouden en te allen tijde opvraagbaar te zijn voor het PT of andere controlerende instanties. Het verplichte format detailstaat betalingen/afschrijvingen dat wordt gebruikt bij de kwartaaldeclaraties en de jaardeclaratie en dat eerder door het PT ter beschikking is gesteld kan worden gebruikt als DPM-register.
- 3.1. De begrote kosten voor overige kosten dienen financieel te worden onderbouwd. Dit dient bij voorkeur door middel van een offerte te geschieden. Indien dit niet mogelijk is of omdat er recentelijk (in een tussentijdse wijziging of in de aanvraag voor het lopende operationeel jaarplan) soortgelijke uitgaven voor overige kosten zijn gedaan, kan worden volstaan met een recente factuur of een andere vorm van onderbouwing. Indien er meerdere gelijksoortige uitgaven worden gedaan kan worden volstaan met één onderbouwing.
- 3.2. Indien kennis of capaciteit bij de telersvereniging onvoldoende aanwezig is, kunnen hiervoor externen worden ingezet. Ook deze dienen van een kwalitatief hoogstaand niveau te zijn. Indien eigen personeelsleden voor deze activiteiten niet subsidiabel worden geacht, is het op grond van punt 16 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 ook niet mogelijk om dergelijke activiteiten onder overige kosten op te voeren.
- 3.3. In het algemeen hoeft de factuur voor een overige kostensoort niet te worden uitgesplitst. Het gefactureerde bedrag kan in deze gevallen in de GMO declaratie van het betreffende jaar worden opgenomen. In het geval dochters van de telersvereniging worden opgevoerd als externe dienst of in het geval dat kerntaken van de telersvereniging worden uitbesteed is de lijst van niet subsidiabele acties ook op deze externe diensten van toepassing. In deze gevallen dienen voor de externe diensten de uitgaven wel te worden uitgesplitst en mogen niet subsidiabele uitgaven niet worden opgenomen. Ook zijn deze externe diensten onderworpen aan de voorschriften van de EU-verordeningen en aan die van het PT. Het PT zal na indiening beoordelen voor welke externe diensten dit van toepassing is en dit in de beschikking opnemen. Met deze externe diensten dient ook een contract te worden gesloten waarin bepalingen zijn opgenomen dat het PT, de Europese Commissie, het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Europese en/of Algemene Rekenkamer of diensten die namens deze instanties controleren, toegang tot het bedrijf en de boekhouding van deze externe dienst verkrijgen. Tevens dienen deze externe diensten accountantsverklaringen, conform de richtlijnen voor de accountantscontrole, bij de declaratie te overleggen. Afhankelijk van het project zal het PT gedurende de beoordeling of bij de goedkeuring voorschrijven voor welke externe diensten dit van toepassing is.
- 3.4. Het is mogelijk om met eigen auto gereden kilometers te vergoeden aan in het operationeel programma opgenomen medewerkers en telers. Deze kilometers moeten dan zijn gemaakt in het kader van een eveneens in de maatregel opgenomen activiteit. De vergoedingen moeten daadwerkelijk aan de medewerker zijn uitbetaald. Er mag maximaal € 0,37 in de GMO-aanvraag worden opgenomen. In een dergelijk geval dient er wel een deugdelijke kilometeradministratie gevoerd te worden.
- 3.5. In het geval van dienstreizen, excursies etc., is het op grond van punt 7 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 mogelijk om forfaitaire vergoedingen voor reis- en verblijfkosten te verstrekken. Deze vergoedingen dienen daadwerkelijk aan de medewerker te zijn uitbetaald en dienen binnen de maxima uit het Reiskostenbesluit Rijksoverheid te blijven. Momenteel luidt dit besluit als volgt: Het bepaalde in dit punt is eveneens van toepassing op aangesloten telers, die activiteiten in het kader van de betreffende maatregel verrichten.
- 3.6. Acties kunnen krachtens punt 22 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 niet worden uitgevoerd in andere bedrijven dan die van de telersvereniging, de groepering van telersverenigingen, een dochteronderneming of de leden daarvan. Zie hiervoor ook punt 2.10
- 3.7. Op grond van punt 23 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 kunnen geen maatregelen worden uitbesteed buiten het grondgebied van de Europese Unie. Dit houdt in dat uitgaven gerealiseerd bij externe partijen buiten de Europese Unie niet subsidiabel zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat de (eigen) personeelskosten van een studiereis buiten de Europese Unie nog in aanmerking kunnen worden genomen, maar de aldaar gedane uitgaven voor bijvoorbeeld logies en transport niet meer voor financiering in aanmerking komen
- 4.1. Het is op grond van punt 2, onder a) van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007 mogelijk om over de totale begroting een forfaitair bedrag aan algemene kosten op te nemen. Dit forfait bedraagt 2% van de totale projectkosten (inclusief maatregel 6) met een maximum van € 180.000. Deze 2% bestaat voor 1% (maximaal € 90.000) uit subsidie en voor 1% (maximaal € 90.000) uit eigen bijdragen.
- 4.2. In het geval van een groepering van telersverenigingen, mag dit bedrag worden vermenigvuldigd met het aantal telersverenigingen dat lid is van deze groepering met een maximum van € 1.250.000 (subsidie € 625.000, eigen bijdragen € 625.0000).
- 5.1. In geval een uitgavenpost beperkt subsidiabel is gesteld, dient ook het volledige bedrag van de uitgave te worden verantwoord in de detailstaat betalingen/ afschrijvingen. PT komt nog met een nadere uitwerking van deze bepaling.
- o In geval van meet-en regelapparatuur c.q hard- en software voor celsturing is uitsluitend de eerste aanschaf subsidiabel.
- o Onder deze begrotingsregel wordt ook energiebesparende apparatuur ten behoeve van koeling in aanmerking genomen.
- o Ook koelcellen voor koeling van witlofpennen bij de witloftrekker of centrale locatie van de TV (niet de teler van de pennen) en koeling van frigoplanten (aardbei e.a.) op het teeltbedrijf of centrale locatie van de TV (niet bij het opkweekbedrijf) worden in aanmerking genomen.
- o Kosten voor huur van koelcellen of koelkosten (per kg, m3 of pallet) zijn subsidiabel, mits bij de calculatie van het GMO subsidiabele tarief de energie- en overige algemene productiekosten buiten beschouwing blijven. Voorwaarde is, dat er bij de jaardeclaratie een inslag/uitslag registratie wordt overlegd.
- o De aanschaf van plantgoed voor blijvende gewassen ( meerjarige planten, bomen, struiken) is subsidiabel. In het geval van aanschaf van planten van blijvende gewassen, die beschikbaar gesteld worden aan de leden, is het om bedrijfseconomische en juridische redenen niet mogelijk dat deze in eigendom van de telersvereniging blijven. In plaats daarvan dient de afzet van het gewas gedurende minimaal de looptijd van een operationeel programma te zijn gegarandeerd. Hiertoe dient een contract tussen de telersvereniging en de teler te worden afgesloten, waarin de leveringsplicht is vastgelegd.
- o De telersvereniging dient uiterlijk bij de jaardeclaratie per teler op te geven: ras, locatie(s) aangegeven op een bedrijfskaart, areaal en aantal planten. Het PT stelt een format ter beschikking. Bij de jaardeclaratie dienen de afleverbonnen te kunnen worden overlegd.
- o De benodigde kruisbestuivers (ook indien deze niet productief zijn) als onderdeel van een nieuwe in het operationeel plan op te nemen aanplant, worden in aanmerking genomen.
- o Meerjarige gewassen worden uitsluitend in aanmerking genomen, indien hiervan meerjarig geoogst wordt. Uitsluitend de initiële aanschaf wordt in aanmerking genomen.
- o In rekening gebrachte koelkosten zijn niet subsidiabel.
- o NAK keurkosten zijn niet subsidiabel.
- o De aanschaf van bomen mag gedurende meerdere jaren van de looptijd van het operationeel programma ten laste van het actiefonds gebracht worden (zie ook onderdeel A Criteria subsidiabele uitgaven, punt 2.12).
- o Aankopen van bomen van Inova rassen dienen eveneens onder deze subactiviteit te worden opgevoerd (Het percentage subsidie voor Inova rassen is eveneens 50 % (voorheen 60 %)).
- Het verkopen van producten op welke manier dan ook (per klok, bemiddeling, etc.)
- Het opnemen van bestellingen
- (Het zorgen voor) de levering van het product
- Activiteiten in verband met de allocatie van het product
- Het maken van prijsafspraken
- Activiteiten voor producten van niet-leden (inclusief import en niet-GMO product)
- Investeringen in snij- en wasapparatuur (bijvoorbeeld voor asperges, prei, witlof en champignonvoetjes) Snij(oogst)machines voor de champignonteelt zijn niet subsidiabel, slicers zie regel 301-20-77.
- Investeringen in sorteerders van witlofpennen
- Pluk-o-trak
- Plukkarren voor de aardbeienteelt met geïntegreerde weegunit ten behoeve van het sorteren in en afwegen in de eindverpakking.
- naam en aanvoer-/lidnummer teler
- soort gewas
- areaal
- totaalbedrag teler per gewas
- bedrag in euro per m2 gewas
- naam leverancier
- aantal deelnemers per zorgsysteem;
- toe- en afname ten opzichte van het vorig jaar;
- aantal gecertificeerde deelnemers;
- percentage gecertificeerde productie ten opzichte van de verkochte productie.
- opgave van het aantal uitgevoerde analyses; het PT stelt een format ter beschikking;
- het uitgevoerde residumonitoringsplan (vermelding van datum - telernr - gewas - monsternemer en nr monster - laboratorium en nr analyse - analysemethoden - uitslag analyse - waardering);
- de uitkomsten van de uitgevoerde analyses: percentage onvolkomenheden;
- de acties die de telersvereniging naar aanleiding van voorgaand punt heeft ondernomen (calamiteitenplan, sanctiebeleid).
- Investeringen in snij- en wasapparatuur (bijvoorbeeld voor asperges, prei, witlof en champignonvoetjes) Snij(oogst)machines voor champignons zijn niet subsidiabel, slicers zie regel 301-20-77.
- Investeringen in sorteerders van witlofpennen
- Alleen de kosten voor ontwerpen, bouwen en implementatie van geautomatiseerde systemen voor WMS zijn subsidiabel. Alleen de initiële kosten kunnen worden gedeclareerd.
- De uitgaven zijn subsidiabel voor zover deze als doel hebben kwaliteitsverbetering van het proces (bijvoorbeeld leveringssnelheid), tracking & tracing van de producten, koppeling van vraag en aanbod, alsmede efficiencyverbetering.
- De interface met het aanvoerregistratiesysteem en de hiervoor benodigde aanpassingen aan dit systeem zijn eveneens subsidiabel.
- De interfaces van WMS met het verkoopsysteem - orderregistratiesysteem - facturatiesysteem en verladingssystemen en de hiervoor benodigde aanpassingen aan deze systemen zijn subsidiabel. Voornoemde systemen zelf zijn niet subsidiabel.
- Daarnaast zijn uitgaven voor scanners, touchscreens, tags, punnets e.d. en RFID subsidabel.
- Ook magazijnstellingen zijn subsidiabel.
- Algemene verkoopbevordering en verkoopbevordering voor kwaliteitsmerken: Dit betreft generieke promotie, bijvoorbeeld de algemene slogan eet meer groenten. (In enkele gevallen is bij wijze van uitzondering het gebruik van geografische benamingen wel toegestaan. Zie hiervoor punt 15 van bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1580/2007).
- Merknamen/handelsmerken van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en dochterondernemingen als bedoeld in artikel 52, lid 7: Er mag geen sprake zijn van gezamenlijke verkoopbevordering samen met bijvoorbeeld een supermarkt. Het merk dient als merk geregistreerd of gedeponeerd te zijn en de telersvereniging of een minimaal 90% dochter dient eigenaar van het merk te zijn. Op grond van interpretatieve nota 2008-21 is het niet mogelijk om promotie te maken voor een merk dat men in licentie heeft. Zelfs niet, indien dit merk in licentie is gegeven door een aangesloten teler.
- Het gebruik van geografische benamingen is slechts toegestaan indien: het een beschermde oorspongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding betreft die onder Verordening (EG) nr. 510/2006 valt, of in de overige gevallen mits deze ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap.
- In het geval van visuele media is het promotiemateriaal voorzien van het logo van de Europese Gemeenschap en van de vermelding: “Door de Europese Gemeenschap medegefinancierde campagne”.
- Het verkopen van producten op welke manier dan ook (per klok, bemiddeling, etc.)
- Het opnemen van bestellingen
- (Het zorgen voor) de levering van het product
- Activiteiten in verband met de allocatie van het product
- Het maken van prijsafspraken
- Activiteiten voor producten van niet-leden (inclusief import en niet-GMO product)
- Alleen de kosten voor ontwerpen, bouwen en implementatie van geautomatiseerde systemen voor WMS zijn subsidiabel. Alleen de initiële kosten kunnen worden gedeclareerd.
- De uitgaven zijn subsidiabel voor zover deze als doel hebben kwaliteitsverbetering van het proces (bijvoorbeeld leveringssnelheid), tracking & tracing van de producten, koppeling van vraag en aanbod, alsmede efficiencyverbetering.
- De interface met het aanvoerregistratiesysteem en de hiervoor benodigde aanpassingen aan dit systeem zijn eveneens subsidiabel.
- De interfaces van WMS met het verkoopsysteem - orderregistratiesysteem - facturatiesysteem en verladingssystemen en de hiervoor benodigde aanpassingen aan deze systemen zijn subsidiabel. Voornoemde systemen zelf zijn niet subsidiabel.
- naam en aanvoer-/lidnummer te
- naam teeltbegeleider
- soort gewas
- areaal
- aantal bezoeken, duur per bezoek in uren, tarief per uur
- totaalbedrag per teler per gewas
- bedrag in euro per m2 gewas
- percentage GMO (50 of 100 %)
- De Wilde Vogel Richtlijn (Raadsrichtlijn 79/409/EEG) en de Habitat Richtlijn (Raadsrichtlijn 92/43/EEG)
- De Kader Waterbeleid Richtlijn (Richtlijn 2000/60/EG van het Europese Parlement en de Raad)
- spuitapparatuur (bijvoorbeeld tunnelspuitmachine voor de fruitteelt; spuitapparatuur met luchtondersteuning);
- UV-licht ter bestrijding van schimmelziekten;
- thermische apparatuur (onkruidbranders, heteluchtapparatuur);
- elektromagnetische apparatuur (bijvoorbeeld Agriton machine).
- mechanische onkruidbestrijdingsapparatuur
- GPS systemen in het kader van de precisielandbouwtechnieken
- In geval van aanschaf ten behoeve van een bestaande stookinstallatie is de rookgasreiniger nog tot 1 januari 2017 bovenwettelijk en wordt 100 % van de kosten in aanmerking genomen.
- In geval van aanschaf ten behoeve van een nieuwe stookinstallatie worden uitsluitend de meerkosten van de bovenwettelijke reductie NOx emissie van een rookgasreiniger t.o.v. een standaardrookgasreiniger in aanmerking genomen. Deze bovenwettelijke reductie dient te blijken uit de specificatie van de leverancier (vooraf) en de (wettelijk verplichte) metingen van de emissieconcentratie na ingebruikstelling).
- Uitsluitend de rookgasreiniger zelf inclusief bijbehorende meet- en regelapparatuur is subsidiabel. Bouwvoorzieningen en buitenomkasting van de WKK ruimte worden toegerekend aan de WKK en worden derhalve bij de rookgasreiniger niet in aanmerking genomen. Voorzieningen voor distributie van CO2 in de kas, alsmede voorzieningen voor de CO2 regeling in de kas CO2 units) zijn niet subsidiabel.
- o kleine gasmotoren (kleiner dan 2,5 megawatt thermisch)
- o biogasmotore
- Buitenluchtaanzuiging in combinatie met een tweede beweegbaar energiescherm;
- Energiebesparend ventilatiesysteem met warmteterugwinning en/of voorverwarming;
- Andere luchtbehandelingsystemen;
- Hogedrukvernevelingsysteem (adiabatische koeling met een druppelgrootte 5 tot maximaal 15 micron);
- Warmtewisselingsysteem;
- Warmtepomp;
- Seizoensopslagsysteem voor warmte en koude (aquifer);
- Warmtebuffertank;
- Tweede energiescherm*. De energiebesparing met het doek dicht is minimaal 45%. De energiebesparing is een doekeigenschap.
- Energie extensieve bedrijven (verbruik< 25 Nm3 aardgasequivalent/m2) tevens het eerste energieschermscherm*. De energiebesparing met het doek dicht is minimaal 35%. De energiebesparing is een doekeigenschap.
- Gevelscherm*. De energiebesparing met het scherm dicht is minimaal 40%. De energiebesparing is een doekeigenschap.
- het areaal GMO waardige gewassen;
- de hoeveelheid en het type mest of compost;
- de opgevoerde kosten.
- er dient gedetailleerd onderbouwd te worden dat er sprake is van een extra (nieuwe) resistentie ten opzichte van standaardrassen (algemeen gebruikte rassen). Hiertoe dient documentatie overlegd te worden waarin een vergelijking gemaakt wordt tussen de belangrijkste standaardrassen en het ras met de extra resistentie. Dit dient bij voorkeur te gebeuren aan de hand van rasbeschrijvingen van de NAK.
- uitsluitend meerkosten ten opzichte van een gangbaar standaardras zijn subsidiabel. In geval er geen forfait is vastgesteld, dient een prijsvergelijking te worden gemaakt tussen de standaardrassen en het ras met de extra resistentie. Uitgaven voor gecoat zaaizaad dienen hierbij buiten beschouwing te worden gelaten.
- paprika resistentie tabaksmozaiekvirus TM3 € 70 per 1000 zaden;
- komkommer tolerantie echte meeldauw Sf (Sphaerotheca fusca) (Sf fuliginea) € 40 per 1000 zaden;
- radijs resistentie Fusarium oxysporum € 50 per 100.000 zaden;
- tomaat resistentie echte meeldauw On (Oïdium lycopersicum) (vooralsnog) werkelijke meerkosten;
- ijsbergsla resistentie bladluis Nasanovia (vooralsnog) werkelijke meerkosten.
- naam en aanvoer-/lidnummer teler
- soort gewas
- areaal
- aantal planten/zaden per teler per gewas
- aantal planten/zaden per m2 gewas
- totaalbedrag teler per gewas
- bedrag in euro per m2 gewas
- naam leverancier
- Het volgende forfaitaire tarief geldt in 2011: voor tomaten, aubergines, paprika’s, courgettes en komkommers € 0,75 per plant (inclusief zaadkosten onderstam).
- In alle andere gevallen gelden de werkelijke meerkosten ten opzichte van een niet-geënte plant met een maximum van € 0,75 per plant.
- naam en aanvoer-/lidnummer teler
- soort gewas en type plant (al dan niet getopt)
- areaal
- aantal planten/zaden per teler per gewas
- aantal planten/zaden per m2 gewas
- totaalbedrag teler per gewas
- bedrag in euro per m2 gewas
- naam leverancier
- 1. Natuurlijke vijanden: macrobiologische bestrijders (voornamelijk insecten en mijten) en aaltjes, mits toegelaten op grond van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (Wijziging Regeling van 25 januari 2005, Stcrt 2005, 23 : Artikel 1b vijfde lid, Artikel 1c en Bijlagen 5, 6 en 7 en eventueel volgende besluiten);
- 2. Natuurlijke vijanden: microbiologische bestrijders (schimmels, bacteriën, virussen), mits toegelaten in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
- 3. Overige biologische middelen (ook wel Gewasbeschermingsmiddelen van Natuurlijke Oorsprong – GNO’s), mits toegelaten in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden Zie hiervoor www.ctb.agro.nl;
- 4. Middelen voor feromoonverwarring, mits toegelaten in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
- 5. Feromonen als lokstof in vallen of op rollertraps (inclusief vallen) en vangplaten;
- 6. Middelen waarvan het wettelijk toegestaan gebruik gemotiveerd wordt met verwijzing naar de Regeling Uitzondering Bestrijdingsmiddelen (RUB) worden niet in aanmerking genomen. In afwijking hierop is het middel kalkmelk voor de fruitteelt wel subsidiabel.
- 7. Overige biologische middelen (wettelijk toegelaten GNO’s) dienen voor de goedkeuring van het operationeel jaarplan door het PT te zijn beoordeeld. Hiertoe dient uiterlijk bij de definitieve indiening van het operationeel jaarplan een lijst ter goedkeuring aan het PT te worden voorgelegd.
- 8. Het effect van biologische bestrijding dient onderbouwd te worden met betrekking tot het terugdringen van het gebruik van werkzame stof uit chemische gewasbeschermingsmiddelen. Hiertoe is het noodzakelijk, dat de telersverenigingen jaarlijks aan de hand van registraties van de teeltbedrijven het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare opgeven, uitgesplitst naar gewas(groep). De verbruikscijfers 2010 dienen als startsituatie voor het operationeel jaarplan 2011. Deze verbruikscijfers dienen uiterlijk op 1 mei 2011 aan het PT te worden overlegd. (Deze dienen tevens ter onderbouwing van de jaardeclaratie 2010).
- 9. Naast de inzet van bovenstaande biologische gewasbeschermingsmiddelen zijn tevens de uitgaven van specifieke begeleiding ten behoeve van biologische gewasbescherming subsidiabel. Als onderdeel van een totaalpakket is splitsing van de factuur naar daadwerkelijke inzet van biologische gewasbeschermingsmiddelen en begeleiding niet noodzakelijk.
- naam en aanvoer-/lidnummer teler
- soort gewas
- areaal
- totaalbedrag teler per gewas
- bedrag in euro per m2 gewas
- naam leverancier
- De uitgaven dienen bovenwettelijk te zijn.
- Subsidiabel zijn de verwerkingskosten en uitgaven voor recycling en compostering van afval dat achterblijft na een teelt of verwerking (bijvoorbeeld groenafval, substraten etc., maar bijvoorbeeld geen bouw- en sloopafval). Naast recycling en compostering worden ook de verwerkingskosten voor vergisting gericht op het produceren van biogas en verbranden met energieterugwinning (biomassacentrale, opwekking electriciteit) in aanmerking genomen.
- De fractie bedrijfsafval/agrarisch afval/niet composteerbaar tuinbouwafval (voorheen met een maximum van € 33,50 per ton) is niet meer subsidiabel.
- Voor de subsidiabele kosten is een maximum per ha bepaald. Het maximum bedrag per ha geldt per teeltbedrijf afzonderlijk en niet voor het gehele deelnemend areaal. De per teeltbedrijf gemaakte subsidiabele kosten mogen worden opgevoerd met in achtneming van onderstaande maxima:
- € 3.500 per ha voor tomaat, paprika, aubergine en peper;
- € 2.000 per ha per teeltwisseling voor komkommer, komkommer / nateelt tomaat, courgette, augurk en aardbei;