Bijlage 4 Regeling spoorwegpersoneel 2011: behorende bij artikel 3 van de Regeling spoorwegpersoneel 2011
Regeling spoorwegpersoneel 2011
dimensie Machinist met volledige bevoegdheid Machinist met beperkte bevoegdheid Rangeerder Treindienstleider met volledige bevoegdheid Treindienstleider met minimale bevoegdheid 1 midden midden laag hoog midden 2 hoog midden laag hoog midden 3 hoog midden laag hoog midden 4 hoog midden laag laag laag 5 hoog midden midden midden laag 6 hoog midden laag hoog laag 7 hoog midden midden midden midden 8 hoog hoog midden hoog laag 9 hoog hoog midden midden laag 10 hoog laag n.v.t. midden n.v.t. 11 hoog midden midden hoog laag Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorwegpersoneel 2011 in werking treedt.
- 1. Algemeen verstandelijk niveau – Intelligentie, leervermogen, nodig voor leren en begrijpen van regelgeving en voor het overzicht over en het kunnen inschatten van de situatie.
- 2. Zelfstandigheid – Relatieve onafhankelijkheid van steun van anderen, eigen beslissingen kunnen nemen.
- 3. Verantwoordelijkheidsgevoel – Reëel inzicht hebben in c.q. serieus kunnen afwegen van de consequenties van eigen handelen. Consciëntieus omgaan met gestelde taken.
- 4. Bestand tegen solistische taak – Bestand zijn tegen de effecten van alleenwerken, geen collega's aanwezig.
- 5. Bestand tegen onregelmatige diensten – Bestand zijn tegen de effecten van werken buiten kantoortijd: 's morgens vroeg, 's avonds laat en 's nachts. (*) Deze dimensie is niet van toepassing op personeel dat niet in onregelmatige diensten werkt
- 6. Emotionele stabiliteit – Stressbestendigheid, incasseringsvermogen, emotionele problemen van zich af kunnen zetten, niet gauw aangeslagen zijn en op de langere termijn bestand zijn tegen belastende omstandigheden in de functie.
- 7. Concentratievermogen – Vermogen om zich te kunnen concentreren op de opgedragen taak.
- 8. Selectieve aandacht – Vermogen om zich te kunnen richten op relevante signalen, waarbij niet relevante signalen moeten worden genegeerd.
- 9. Reactievermogen – Vermogen om zonder aarzelen te reageren op bepaalde signalen.
- 10. Verlengde aandacht – Vermogen om langdurig oplettend te blijven en alert te blijven reageren in relatief monotone situaties.
- 11. Totaaloordeel – Dit betreft het totaaloordeel over de geschiktheid voor de betreffende functie op basis van alle informatie over het cognitief functioneren, de aandachtsfuncties, de psychomotorische functies en persoonlijkheidseigenschappen.