Bijlage 3 Regeling spoorwegpersoneel 2011: behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011

Regeling spoorwegpersoneel 2011

Treindienstleiders mogen niet lijden aan een medische aandoening en geen medicatie, drugs of stoffen tot zich nemen die zouden kunnen leiden tot: (test volgens Ishihara): Indien een veiligheidsfunctie alleen buiten lichtseingebied wordt uitgeoefend, dan hoeft niet aan bovenstaande eis te worden voldaan. Echter om andere redenen dan veiligheid kan het gewenst zijn dat de treindienstleider toch goed kleuronderscheidingsvermogen bezit (in verband met kleursignalering op de monitor). In dat geval moet wel voldaan worden aan de bovenstaande normen. De aangegeven waarden mogen worden bereikt met behulp van een gehoorapparaat, als daarvan geen nadeel voor de taakvervulling uitgaat. Deze afwijzing kan tijdelijk zijn indien het gehoorverlies het gevolg is van een behandelbare afwijking. Daartussen, alsmede bij sterk éénzijdig gehoorverlies: advies arts-deskundige Ook met betrekking tot geschiktheid voor communicatieve functies in (achtergrond)lawaai, die hetzij tot misverstanden, hetzij ook tot riskante situaties aanleiding kan geven, zijn eisen geformuleerd. In dat geval is gehoorverlies in de frequenties van 2–4 kHz van belang. Deze afwijzing kan tijdelijk zijn indien het gehoorverlies het gevolg is van een behandelbare afwijking. Daartussen : Oordeel arts van een aangewezen deskundige instantie Hieronder vallen alle hartafwijkingen die gepaard gaan met een verminderde hartfunctie en/of een verhoogd risico hebben op acute circulatiestoornissen. Er zijn geen cardiologische aandoeningen die betrokkene onvoorwaardelijk ongeschikt maken voor deze functie. Bij niet te beïnvloeden tensiewaarden ≥ 180/110 is betrokkene ongeschikt. Overleg met de aangewezen gespecialiseerde keuringsarts is noodzakelijk. Het betreft ziekten/afwijkingen die de aandacht/concentratie kunnen verstoren, veelal onaangekondigd en daarmee leidend tot risico's voor betrokkene, bedrijf en derden. Ten aanzien van aangeboren hartafwijkingen en (verworven) klepgebreken, moet beoordeeld zijn of er een te objecti