Bijlage 2 Regeling spoorwegpersoneel 2011: behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011
Regeling spoorwegpersoneel 2011
Treindienstleiders mogen niet lijden aan een medische aandoening en geen medicatie, drugs of stoffen tot zich nemen die zouden kunnen leiden tot: Voor het goed en voldoende veilig kunnen functioneren als treindienstleider moeten eisen worden gesteld aan de volgende modaliteiten van het zien: Gezichtsscherpte (inclusief sommige correctiemiddelen), gezichtsvelden, contrastgevoeligheid, kleurenzien, de binoculaire functies en progressieve oogziekten. Voor nacht- en schemerzien, stereoscopisch zien en verblindingsgevoeligheid hoeven geen keuringscriteria worden vastgesteld omdat deze modaliteiten geen rol spelen bij de uitoefening van de functie van treindienstleider, zoals is gebleken uit de werkplekbezoeken en de gesprekken met de treindienstleiders. Voor de bepaling van de gezichtsscherpte mag iedere gangbare optotypenkaart worden gebruikt onder de juiste condities; de Landolt-C kaart verdient echter de voorkeur. Voor de bepaling van de gezichtsvelden wordt de confrontatiemethode volgens Donders en de anamnese gebruikt. Voor de bepaling van het kleurenonderscheidingsvermogen mag alleen gebruik gemaakt worden van de Ishihara-test, 38 platen-editie; bij de afname van de Ishihara-test is het gebruik van gekleurde glazen of lenzen niet toegestaan. Beide ogen tezamen: 0,8 zo nodig met correctie. Minste oog: 0,3 zo nodig met correctie Indien met optimale correctie aan deze eisen niet kan worden voldaan: nader onderzoek door de arts-deskundige. Maximaal toegestane sterkte bril Hypermetropie: maximaal +5 Myopie: maximaal –8, bij sterkere correctie overleg met arts-deskundige. Maximaal toegestane sterkte contactlenzen Geen eisen Orthokeratologie-lenzen (nachtlenzen) Niet toegestaan Gekleurde glazen/lenzen Toegestaan, mits niet te uitgesproken van kleur (met name geel) UV-coating Toegestaan Fotochromatische glazen Toegestaan NB: Indien de vereiste gezichtsscherpte alleen met behulp van een bril of contactlenzen gehaald kan worden dient op de keuringsuitslag vermeld te worden:
- • vermindering van het cognitief functioneren
- • verlies van waarnemingsvermogen
- 1. Anamnese:
- a. Is of was er sprake van een hartaandoening?
- b. Angineuze klachten, dyspnoe klachten, moeheidklachten, hartkloppingen, duizeligheid, syncopes
- c. Medicijngebruik
- d. Roken, alcohol, bewegingsactiviteiten, familie anamnese (voorkomen van hartaandoeningen in de eerste graads familie voor het 60ste levensjaar
- 2. Bloeddrukmeting. Bij te hoge bloeddruk meerdere metingen
- 3. Lichamelijk onderzoek: ictus, souffles, oedemen, lever
- 4. Een volledig vetspectrum (totaal cholesterol, HDL, LDL en triglyceriden) en glucose moet worden bepaald bij: Op grond hiervan kan het cardiovasculair risico worden bepaald. Bij een, volgens de CBO richtlijn CVRM gemeten, cardiovasculair risico >10% moet er overleg plaats vinden met de arts-deskundige om te evalueren of een NPO geïndiceerd is.
- a. ischemische hartaandoeningen
- b. hypertensie
- c. een leeftijd > 60 jaar
- d. rokende mannen > 50 jaar
- e. rokende vrouwen > 55 jaar
- f. mannen en vrouwen > 45 jaar met een belaste familie anamnese.
- 5. Een ecg moet worden gemaakt bij:
- • elke bestaande hartaandoening
- • klachten
- • afwijkingen bij het lichamelijk onderzoek
- • hypertensie
- • cardiovasculair risico > 10%
- • mannen > 40 jaar en vrouwen > 50 jaar
- 1. Anamnese (zie bij initiële keuring).
- 2. Bloeddruk meting. Bij te hoge bloeddruk meerdere metingen.
- 3. Ecg: Bij mannen > 40 jaar en vrouwen > 50 jaar.
- • Hartfalen
- • Status na reanimatie
- • Hypertensie met secundaire orgaanschade.
- • Bij hartritmestoornissen bij mensen > 60 jaar.
- • Bij ischemische hartaandoeningen met een cardiovasculair risico >10% .
- • Anamnese (bij reeds bekende ziekten ook specialistische informatie)
- • Specifieke aandacht voor:
- ○ Wegrakingen (epilepsie, collaps)
- ○ Kracht en sensibiliteitsstoornissen
- ○ Schedel-hersenletsels
- ○ Medicatie
- • Globaal lichamelijk onderzoek
- • Proef van Romberg, vingerneusproef
- • Globaal: kracht, li/re verschillen
- • Reflexen: li/re verschillen
- • Uitgebreide neurologische anamnese (inclusief informatie behandelende sector)
- • Specifiek aanvullend onderzoek, en desgewenst specialistische expertise, zoals EEG, EMG en beeldvormend onderzoek
- • Betrokkene is minstens een jaar ongeschikt voor veiligheidskritische activiteiten
- • Na een jaar herbeoordeling van resterende afwijkingen/klachten die indicatief kunnen zijn voor blijvende ongeschiktheid
- • Zo niet, dus indien min of meer restloos genezen:
- • Informatie inwinnen bij behandelend neuroloog
- • Verzamelen gegevens mbt cardiovasculair risico: ECG, tensie, vetspectrum, BMI, familieanamnese, rookgedrag, lichamelijke activiteiten
- • Met deze gegevens verwijzen voor advies van de arts-deskundige
- • Neuropsychologisch onderzoek
- • Hyperglycemie
- • Hypoglycemie
- • Hypoglycemia unawareness
- • Onbehandelde Diabetes Mellitus
- • Ongecontroleerde hyperglycemie (een patroon van structureel verhoogde bloedsuikers > 15 mmol/l)
- • Hypoglycemia unawareness
- • Geen Diabetes Mellitus of gestoorde glucosetolerantie
- • Goed ingestelde en behandelde Diabetes Mellitus
- • Goed ziekte-inzicht en therapietrouw
- • Betrouwbaar, spontaan melden bij bedrijfsarts van wijzigingen (van medicatie en/of klachten)
- • Bloedglucose (een recente nuchtere glucose)
- • HbA1c
- • Bloeddruk
- • Vetspectrum
- • Microalbuminurie
- • Zijn er complicaties op cardiovasculair, oogheelkundig of neurologisch gebied?
- • Medicatie
- • Hypoglycemia unawareness
- • Serum TSH/T4
- • Neuropsychologisch onderzoek op indicatie door een 2e lijns gespecialiseerde neuropsycholoog, waarbij ook complexe aandacht wordt getest
- • Onbehandelde schildklierstoornis gepaard gaan met neurocognitieve klachten en beperkingen
- • Behandelde en klachtenvrije schildklierstoornis. Er is sprake van klinisch-chemische euthyreoïdie gemeten aan TSH èn vrij T4.
- • Voorwaarde voor veiligheidsgeschiktheid is een anamnestisch screening van aandacht, concentratie, geheugen, reactievermogen en snelheid van informatieverwerking en stemming.
- • Algemene oriëntatie d.m.v. de anamnese:
- • Houdingsafhankelijk
- • Orthostatisch
- • Hoesten of verslikken
- • Mictie
- • Cardiaal
- • Neurologisch
- • Hyperventilatie
- • Vertigo c.q. evenwichtsstoornissen
- • Diabetes Mellitus
- • Alcohol/drugs/medicijngebruik
- • Eetpatroon
- • Slaapstoornissen (denk aan relatie met onregelmatige dienst)
- • Prodromen
- • Klachten in herstelperiode
- • Amnesie
- • Onderzoek:
- • Bloeddruk liggend en staand
- • Auscultatie hart en longen
- • Rust-ECG
- • Bloedglucose
- • vermoeidheid en slaapaanvalletjes overdag
- • verminderde concentratie
- • snurken
- • niet-verfrissende slaap
- • verstikkingsgevoel tijdens de slaap
- • apnoes (hetero-anamnestisch)
- • onrustige slaap of herhaald nachtelijk ontwaken
- • prikkelbaarheid of verandering in de persoonlijkheid
- • nycturie
- • verminderde libido
- • Meet de halsomtrek in centimeters
- • Indien sprake is van hypertensie, tel daar 4 cm bij op
- • Indien er sprake is van snurken, tel daar 3 centimeter bij op
- • Indien er sprake is van choking of gasping, tel er nogmaals 3 centimeter bij op
- • < 43 cm : kleine kans op OSAS
- • 43–48 cm : matige kans op OSAS
- • > 48 cm : grote kans op OSAS
- • Is er sprake van Snoring?
- • Is de patiënt Tired?
- • Zijn er Observaties van ademhalingsstops?
- • Is er sprake van high bloodPressure?
- • Hoge BMI
- • Leeftijd > 50 jr
- • Nekomtrek > 40cm en mannelijk geslacht
- • Is er grote kans op OSAS
- • Ongeschikt indien:
- • De diagnose is gesteld bij een AHI > 30
- • ESS > 11
- • Slaperigheid of herhaalde kortstondige aandachtsvermindering overdag
- • Na behandeling geschikt indien:
- • Behandeld (bij voorkeur met CPAP) en bij gebleken therapietrouw, en
- • AHI < 15, en
- • Positief neuropsychologisch onderzoek, en
- • Begeleid gestreefd wordt naar een ‘normale’ bloeddruk (≤140/90) en BMI (< 30 kg/m2)
- • Als eerste moet de bedrijfsarts vaststellen of er sprake is van voorgeschreven of zelfverschaft medicijngebruik.
- • Vervolgens moet de bedrijfsarts zich een beeld vormen over de reden voor verstrekking of gebruik en de gezondheidstoestand van de medewerker, die op zich (met of zonder medicatie) ook al aanleiding tot beperkte geschiktheid of ongeschiktheid kan zijn.
- • Belangrijk, maar niet bepalend is de vraag naar mogelijk ervaren bijwerkingen. Indien die aanwezig zijn zal dat het oordeel en advies mede beïnvloeden.
- • Indien er meerdere medicijnen worden gebruikt moet gelet worden op mogelijke interacties die extra risico kunnen opleveren en dus tot ongeschiktheid kunnen leiden.
- • Aan de hand van bovenvermelde gegevens beoordeelt de bedrijfsarts of de medicatie de veiligheidsgeschiktheid negatief kan beïnvloeden.
- • Speciale aandacht behoeven hierbij de volgende categorieën:
- • Amfetaminen
- • Analgetica en NSAID’s
- • Antidepressiva
- • Anti-emetica en reisziektemedicatie
- • Anti-epileptica
- • Antihistaminica
- • Antihypertensiva en andere cardiovasculaire geneesmiddelen
- • Anxiolytica
- • Bloedsuikerverlagende middelen
- • Parkinsonmedicatie
- • Psychostimulantia
- 1. De treindienstleider ervaart beperkingen in aandacht en concentratie en heeft zich om die reden ziekgemeld. De beoordeling en begeleiding van de inzetbaarheid wordt door de eigen bedrijfsarts gedaan. Tijdens de reïntegratie dient de leidinggevende toezicht te houden op adequaat functioneren. Bij twijfel is een psychologisch onderzoek aangewezen.
- 2. De treindienstleider heeft een psychiatrische aandoening met beperkingen in het persoonlijk functioneren, in het bijzonder aandacht- en concentratiestoornissen, maar doet zijn taken. Het uitvoeren van die taken kan disfunctioneel zijn. Het gaat hierbij om fouten in veiligheidkritische situaties. Bij het signaleren van dergelijke situaties is een onderzoek door een arts-deskundige aangewezen.