Bijlage 2 Regeling vaststelling programma’s van eisen PO en (V)SO en bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband 2012: bij de Regeling vaststelling programma’s van eisen PO en (V)SO en bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband 2012
De scholen voor het primair onderwijs ontvangen naast de toekenning voor personele kosten een bekostiging voor de materiële instandhouding (mi-bekostiging). De mi-bekostiging is een kalenderjaarvergoeding, uitgedrukt in een lumpsumbedrag en wordt gebaseerd op het aantal leerlingen en het daaruit afgeleide aantal groepen. De mi-bekostiging is normatief onderbouwd met programma’s van eisen (pve’s). In deze pve’s staat aangegeven op welke uitgaven van een gemiddelde school de materiële bekostigingen zijn gebaseerd. Daarmee wordt aangegeven voor welke doelen de bekostiging wordt gegeven en voor welk bedrag verondersteld wordt dat bepaalde taken kunnen worden uitgevoerd. De bedragen kunnen gezien worden als een kengetal, waaraan een school de eigen uitgaven kan spiegelen. De pve’s vormen de onderbouwing van de rijksbekostiging voor de materiële instandhouding van de scholen in het primair onderwijs. De mi-bekostiging wordt jaarlijks aangepast om de prijsveranderingen op te vangen. Daarbij is de prijsmutatie netto-materiële overheidsconsumptie volgens de Macro Economische Verkenning het uitgangspunt. Bij wet van 27 september 2007 (Stb. 445) is ondermeer de bekostigingssystematiek van de residentiële plaatsen gewijzigd. De bekostiging is geharmoniseerd met de reguliere bekostiging, te weten t-1 op basis van het aantal leerlingen op de teldatum. Dit betekent dat met ingang van 1 januari 2009 de bekostiging voor de materiële instandhouding van onbezette plaatsen vervalt. Afgesproken is dat voor de justitiële jeugdinrichtingen en gesloten jeugdvoorzieningen, verbonden aan scholen voor vso-zmok, ook na de inwerkingtreding van deze wet de onbezette plaatsen van de betrokken vestiging bekostigd blijven. De materiële bekostiging van onbezette plaatsen voor een vso-zmok school met een vestiging justitiële jeugdinrichting of gesloten jeugdvoorziening zal met ingang van 1 januari 2009 gebaseerd zijn op het in de pve’s genoemde leerlingafhankelijke bedrag + het groepsafhankelijke bed
- – de werkelijke prijsontwikkeling in 2010,
- – de geactualiseerde prijsontwikkeling in 2011,
- – de verwachte prijsontwikkeling in 2012.
- 1. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt voor het jaar waarvoor de mi-bekostiging voor de instandhouding strekt, berekend door het aantal leerlingen van de desbetreffende school en van een of meer daaraan verbonden afdelingen, op 1 oktober van het voorafgaande jaar, dan wel indien de groeiregeling van toepassing is, het aantal leerlingen van de desbetreffende school en afdelingen op 16 januari van dat jaar, te delen door de voor het desbetreffende onderwijs geldende factor N van de onderstaande tabel.
- 2. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan een afdeling, afzonderlijk berekend en de uitkomst van de afzonderlijke berekeningen wordt naar boven afgerond op een geheel getal.
- 3. Voor scholen die, op grond van artikel 76a van de Wet op de expertisecentra, leerlingen hebben ingeschreven die toelaatbaar zijn verklaard tot een andere onderwijssoort binnen het REC, geldt dat een verbreed toegelaten leerling meetelt als leerling van de kernschool voor de bepaling van het aantal groepen.
- 1. Voor de groepsafhankelijke bekostiging wordt daarbij uitgegaan van 60% van de bekostiging berekend op grond van de eerste handicap gesommeerd met 40% van de bekostiging berekend op grond van de tweede handicap.
- 2. Voor de leerlingafhankelijke bekostiging wordt daarbij uitgegaan van 100% van de bekostiging berekend op grond van de eerste handicap gesommeerd met 65% van de bekostiging berekend op grond van de tweede handicap. Het vaste bedrag per school wordt slechts eenmaal toegekend.
- 1. onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap (LZs), en
- 2. onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap (LZp).
- a. onderhoud,
- b. energie- en waterverbruik,
- c. publiekrechtelijke heffingen (met uitzondering van de onroerende zaakbelasting),
- a. middelen,
- b. administratie, beheer en bestuur,
- 1. Brancardliften
- 2. Schoolbaden
- a. Gebouwonderhoud
- b. Tuinonderhoud
- c. Schoonmaakonderhoud
- a. Elektriciteitsverbruik
- – de verlichting tijdens de schooluren en schoonmaakwerkzaamheden, het avondgebruik en voor een beperkte beveiligingsverlichting;
- – de pompen ten behoeve van de cv en eventueel voor boiler- en tapwatercircuits;
- – de normatief in het schoolgebouw aanwezig geachte stroomverbruikende apparatuur, inclusief schoonmaakapparatuur;
- – de mechanische ventilatoren.
- b. Verwarming
- – de binnentemperatuur van het gebouw tijdens en buiten de schooluren (tijdens de schooluren een gemiddelde binnentemperatuur van 20 graden en buiten schooluren van 10 graden);
- – de ketel- en regelinstallatie en optimaliseringapparatuur;
- – de isolatiekwaliteit (dak-, vloer-, spouwmuur- en leidingisolatie);
- – het verloop van de buitentemperatuur.
- c. Waterverbruik
- a. Medezeggenschap
- b. Bijdragen aan ouders in het kader van de medezeggenschap
- c. WA-verzekering
- a. het schoolbestuur, het onderwijzend personeel, de leden van de oudervereniging;
- b. de medezeggenschapsraad als zodanig;
- c. de ouders van de leerlingen voor zover zij werkzaamheden verrichten op of ten behoeve van de school.
- d. Culturele vorming
- – het binnen de school halen van poppenspel, toneel, film en muziek;
- – het bezoeken van musea, bibliotheek, schoolconcerten, films en toneel.
- e. Overige uitgaven
- f. Dienstreizen
- g. Schoolzwemmen
- h. Onderhoud, vervanging en vernieuwing onderwijsleerpakket
- i. Onderhoud, vervanging en aanpassing meubilair
- • gemiddeld 20 jaar voor een leerlingenset;
- • gemiddeld 10 jaar voor een docentenset;
- • gemiddeld 15 jaar voor het buitenspeelmateriaal;
- • gemiddeld 40 jaar voor de inrichting van de nevenruimten, zoals directeurskamer, teamruimte, handvaardigheid, kopieerruimte en overige inrichting.
- a. Administratie
- b. Onderhoudsbeheer
- c. Beheer en bestuur