Bijlage 1 Regeling vaststelling programma’s van eisen PO en (V)SO en bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband 2012: bij de Regeling vaststelling programma’s van eisen PO en (V)SO en bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband 2012
De scholen voor het primair onderwijs ontvangen naast de bekostiging voor het personeel een bekostiging voor de materiële instandhouding (mi-bekostiging). De mi-bekostiging is een kalenderjaarvergoeding, uitgedrukt in een lumpsumbedrag en gebaseerd op het aantal leerlingen en het daaruit afgeleide aantal groepen. De mi-bekostiging is normatief onderbouwd met programma’s van eisen (pve’s). In deze pve’s kunt u zien op welke uitgaven van een gemiddelde school de mi-bekostiging is gebaseerd. U kunt daarnaast zien voor welke doelen de bekostiging is bestemd en voor welk bedrag verondersteld wordt dat bepaalde taken kunnen worden uitgevoerd. De bedragen kunt u zien als een kengetal waaraan een school de eigen uitgaven kan spiegelen. De programma’s vormen de onderbouwing van de bekostiging voor de materiële instandhouding van de scholen in het primair onderwijs en is ook de bekostiging opgenomen voor de materiële instandhouding van het samenwerkingsverband samenhangend met de inrichting van de zorgstructuur. De mi-bekostiging wordt jaarlijks aangepast om de prijsveranderingen op te vangen. Daarbij is de prijsmutatie netto-materiële overheidsconsumptie volgens de Macro Economische Verkenning het uitgangspunt. Het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs is opgebouwd uit een verzameling van pve’s. Ieder pve omvat een inhoudelijke omschrijving van een van rijkswege verantwoord geachte voorziening en het bedrag dat hiervoor noodzakelijk is. De structuur van het bekostigingsstelsel met een overzicht van de pve’s vindt u hieronder. Daaruit blijkt een onderscheid naar groepsafhankelijke pve’s, leerlingafhankelijke pve’s en aanvullende pve’s. A. Groepsafhankelijke programma’s van eisen B. Leerlingafhankelijke programma’s van eisen C. Aanvullende programma’s van eisen 1. Onderhoud 1. Middelen 1. Nederlands onderwijs aan anderstaligen (NOAT) a. Gebouw b. Tuin a. Medezeggenschap b. Bijdragen voor activiteiten van ouders in verband met de medezeggenschap c. Schoonmaak c. WA-verzek
- – de werkelijke prijsontwikkeling in 2010,
- – de geactualiseerde prijsontwikkeling in 2011,
- – de verwachte prijsontwikkeling in 2012.
- 1. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen van basisscholen, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend volgens de volgende formule: het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen = (A + B + C + D).
- 2. De factoren A, B, C en D van de formule, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend: A = 0,05 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde lid; B = 0,0343 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder op de datum, bedoeld in het derde lid; C = 1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul; D = 0,0179 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld in het derde lid.
- 3. De datum die dient als grondslag voor de vaststelling van het aantal leerlingen bij de berekening van de factoren A, B en C en als grondslag voor de vaststelling van het schoolgewicht bij de berekening van factor D, is:
- a. indien artikel 134, vierde lid, van de wet van toepassing is: 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt;
- b. indien artikel 134, vijfde lid, van de wet van toepassing is: 1 oktober in de periode waarover de vergoeding plaatsvindt;
- c. indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is: 1 maart van het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, met dien verstande dat bij de berekening van de factoren A en B wordt uitgegaan van de leeftijd van de desbetreffende leerlingen op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar, waarbij de leerlingen die op 1 oktober van dat jaar 3 jaar waren, worden meegeteld bij de berekening van factor A.
- 4. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het eerste lid voor de hoofdvestiging en elke nevenvestiging afzonderlijk toegepast.
- 5. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
- 6. Het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leerlingen, bedoeld in artikel 134, zesde lid, van de wet, is 13.
- 1. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen1bedoeld in artikel 134, vierde lid, onder a, en vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs., wordt voor het jaar waarvoor de bekostiging voor de materiële voorzieningen voor de instandhouding strekt, berekend door het aantal leerlingen van de desbetreffende school op 1 oktober van het voorafgaande jaar te delen door de factor N = 14, waarbij de uitkomst naar boven op een geheel getal wordt afgerond en bedraagt minimaal twee groepen.
- 2. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt onderdeel 1 voor de hoofdvestiging en elke nevenvestiging afzonderlijk toegepast.
- – een hoofdvestiging ontvangt de volledige mi-bekostiging. Ze ontvangt de volledige bekostiging voor zowel het groepsafhankelijke gedeelte als het leerlingafhankelijke gedeelte van de materiële bekostiging en ook, wanneer de school daar recht op heeft, de aanvullende bekostiging(en).
- – een nevenvestiging ontvangt de volledige bekostiging voor het groepsafhankelijke gedeelte van de materiële bekostiging (de berekening van het groepsafhankelijke gedeelte van de materiële bekostiging vindt afzonderlijk plaats voor de hoofdvestiging en de nevenvestiging). Verder ontvangt de nevenvestiging een bedrag per leerling voor de leerlingafhankelijke programma’s van eisen.
- – een dislocatie ontvangt geen aparte bekostiging. Leerlingen die in een dislocatie les krijgen, worden toegerekend aan de hoofdvestiging. Ze tellen mee met het leerlingafhankelijke gedeelte van de mi-bekostiging van de hoofdvestiging.
- – a. onderhoud,
- – b. energie- en waterverbruik,
- – c. publiekrechtelijke heffingen (met uitzondering van de onroerende zaakbelasting),
- – d. middelen,
- – e. administratie, beheer en bestuur,
- 1. Voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt voor 2% van de leerlingen in het samenwerkingsverband een extra bekostiging per leerling verstrekt van € 217,67 conform artikel 115, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs.
- 2. Voor basisscholen in een samenwerkingsverband zonder sbo wordt voor 2% van de leerlingen van de desbetreffende basisschool een extra bekostiging per basisschoolleerling verstrekt van € 217,67 conform artikel 115, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs.
- a. Gebouwonderhoud
- b. Tuinonderhoud
- c. Schoonmaakonderhoud
- a. Elektriciteitsverbruik
- – de verlichting tijdens de schooluren en schoonmaakwerkzaamheden, het avondgebruik en voor een beperkte beveiligingsverlichting;
- – de pompen ten behoeve van de cv en eventueel voor boiler- en tapwatercircuits;
- – de normatief in het schoolgebouw aanwezig geachte stroomverbruikende apparatuur, inclusief schoonmaakapparatuur;
- – de mechanische ventilatoren.
- b. Verwarming
- – de binnentemperatuur van het gebouw tijdens en buiten de schooluren (tijdens de schooluren geldt een gemiddelde binnentemperatuur van 20 graden en buiten de schooluren een gemiddelde binnentemperatuur van 10 graden),
- – de ketel- en regelinstallatie en optimaliseringapparatuur,
- – de isolatiekwaliteit (dak-, vloer-, spouwmuur- en leidingisolatie),
- – het verloop van de buitentemperatuur.
- c. Waterverbruik
- a. Medezeggenschap
- b. Ouderbijdragen in het kader van de medezeggenschap
- c. WA-verzekering
- a. het schoolbestuur, het onderwijzend personeel, de leden van de oudervereniging;
- b. de medezeggenschapsraad als zodanig;
- c. de ouders van de leerlingen voor zover zij werkzaamheden verrichten op of ten behoeve van de school.
- d. Culturele vorming
- – het binnen de school halen van poppenspel, toneel, film en muziek
- – het bezoeken van musea, bibliotheek, schoolconcerten, films en toneel
- e. Overige uitgaven
- f. Dienstreizen
- g. Onderhoud, vervanging en vernieuwing onderwijsleerpakket
- h. Onderhoud, vervanging en aanpassing meubilair
- • gemiddeld 20 jaar voor een leerlingenset;
- • gemiddeld 10 jaar voor een docentenset;
- • gemiddeld 30 jaar voor de inrichting van een speellokaal;
- • gemiddeld 15 jaar voor het buitenspeelmateriaal;
- • gemiddeld 40 jaar voor de inrichting van de nevenruimten, zoals directeurskamer, teamruimte, handvaardigheid, kopieerruimte en overige inrichting.
- a. Administratie
- b. Onderhoudsbeheer
- c. Beheer en bestuur