Bijlage 5 Rsp: specifieke bepalingen voor het bevaren van gedeelten van de Rijn die als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s geclassificeerd zijn
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
Aanvullende competentie Een schipper die met een vaartuig dit binnenwaterwegtraject met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen. De aanvullende competentie komt overeen met de aanvullende competentie die genoemd wordt onder nummer I (Rijn van kmr 335,66 (verkeersbrug Wintersdorf) tot kmr 352,07 (Duits-Franse grens). Aanvullende competentie Een schipper die met een vaartuig dit gedeelte van de Rijn met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
- 1. Degene die een vaartuig voert op de binnenwatertrajecten tussen kmr 335,66 (verkeersbrug Wintersdorf) en kmr 425,00 (Mannheim) of tussen kmr 498,45 (verkeersbrug Mainz/Mainz-Kastel) en kmr 592,00 (Koblenz, monding van de Moezel) moet houder zijn van een specifieke vergunning voor het bevaren van binnenwatertrajecten met specifieke risico’s.
- 2. Het vereiste examen wordt afgenomen door de bevoegde autoriteit door middel van een administratief examen (hoofdstuk 7). Het examen kan als multiplechoice-examen of als mondeling examen worden afgelegd. De kandidaat moet tijdens het examen aantonen over de volgende kennis te beschikken: De details staan in deel B.
- a) de vaarweg in de op- en afvaart kunnen beschrijven;
- b) gedetailleerde kennis van de kenmerken van het binnenwaterwegtraject, met name ten aanzien van de lokale stroompatronen en -snelheid en de daarmee samenhangende eisen voor het veilig besturen van het vaartuig op het desbetreffende gedeelte van de Rijn;
- c) gedetailleerde kennis van de afmetingen van de vaarweg;
- d) kennis van de verkeersvoorschriften voor dit gedeelte van de Rijn.
- 3. Degene die als houder van een kwalificatiecertificaat schipper de in deze bijlage bedoelde specifieke vergunning wil verkrijgen, moet het desbetreffende gedeelte van de Rijn in de afgelopen drie jaar ten minste drie maal stroomopwaarts en drie maal stroomafwaarts hebben bevaren. Tijdens alle reizen als bedoeld in de eerste zin moet de kandidaat in het stuurhuis aanwezig geweest zijn. De kandidaat moet op zijn minst tijdens een reis stroomopwaarts en een reis stroomafwaarts zelfstandig de koers en snelheid van het vaartuig bepaald hebben.
- 4. De reizen over het riviergedeelte moeten plaatsgevonden hebben aan boord van een gemotoriseerd vaartuig dat slechts bestuurd mag worden door een schipper die beschikt over een kwalificatiecertificaat schipper.
- 5. De kandidaat toont aan dat hij de reizen over het desbetreffende riviergedeelte heeft afgelegd door overlegging van zijn dienstboekje. Indien de aanvrager op het moment dat hij zich aanmeldt voor het examen nog niet alle vereiste reizen over het desbetreffende riviergedeelte heeft afgelegd, wordt de aanvrager toegelaten tot het examen onder voorwaarde dat op de dag van het examen aangetoond wordt dat alle reizen over het desbetreffende riviergedeelte voor de dag waarop het examen plaatsvindt, werden afgelegd.
- 6. De schipper moet het mogelijk maken dat de kandidaat de reizen over het desbetreffende riviergedeelte – onder waarborging van de veiligheid – aflegt en dient hem/haar daarin bij te staan.
- 1. Hij moet de vaarweg in de op- en afvaart kunnen beschrijven.
- 2. Afgezien daarvan moet hij beschikken over
- a. gedetailleerde kennis van de kenmerken van dit riviergedeelte
- b. gedetailleerde kennis van de afmetingen van de vaarweg.
- 3. Bovendien moet de schipper
- a) de stromingspatronen en -snelheden op dit gedeelte van de Rijn kennen en moet hij weten hoe hij op dit riviergedeelte het vaartuig moet besturen. Daartoe moet hij met name:
- (1) de specifieke werking en het belang van de kribben in dit riviergedeelte kennen;
- (2) weten dat de ontmoetingskant op talrijke plaatsen van bakboord naar stuurboord en omgekeerd wisselt en dat het vaartuig daarvoor vaak een scherpe bocht moet maken;
- (3) de plaats van de kribvakken kennen om de invloed op de stroming in te kunnen schatten;
- (4) de bijzonder talrijke mondingen van zijtakken kennen;
- (5) de specifieke regelingen kennen voor vaartuigen vanaf een bepaalde lengte;
- (6) weten waar de vaarweg bijzonder smal is en op welke plaatsen een ontmoeting met duwstellen vermeden moet worden;
- (7) op de hoogte zijn van de sterk wisselende stromingspatronen en stromingssnelheden die kunnen optreden;
- (8) weten welke voorschriften er gelden met betrekking tot de minimale snelheid van duwstellen;
- (9) weten welke bijzondere eisen voortvloeien uit de aanwezigheid van talkrijke kleine vaartuigen,
- b) de hydromorfologische eigenschappen van dit gedeelte van de Rijn kennen en weten hoe hij daarmee om moet gaan. Daartoe moet hij met name:
- (1) op de hoogte zijn van de steeds veranderende eigenschappen van de rivierbedding, van grindbanken tot kribvlakken en fijn sediment;
- (2) weten dat er een sterke tendens is tot verzanding waardoor in de vaargeul plaatsen met een ondiepte kunnen ontstaan;
- (3) weten welke diepten ter beschikking staan in de vaarweg om bij het oplopen van vaartuigen in de afvaart uit te kunnen wijken of in de opvaart de vaarweg optimaal te kunnen benutten;
- (4) weten waar zich noodligplaatsen bevinden en hoe deze gelegen zijn, respectievelijk weten waar het mogelijk is te keren in geval van nood als de waterweg onverwacht gestremd zou zijn;
- (5) de talrijke gevaarlijke plaatsen kennen.
- 1. Hij moet de vaarweg in de op- en afvaart kunnen beschrijven.
- 2. Afgezien daarvan moet hij beschikken over
- a. gedetailleerde kennis van de kenmerken van dit riviergedeelte;
- b. gedetailleerde kennis van de afmetingen van de vaarweg;
- c. kennis van de verkeersvoorschriften voor dit riviergedeelte.
- 3. Bovendien moet de schipper
- a) de stromingspatronen en --snelheden op dit gedeelte van de Rijn kennen en moet hij weten hoe hij op dit riviergedeelte het vaartuig moet besturen. Daartoe moet hij met name:
- • weten hoe hij bij Rheingau dient te varen;
- • op de hoogte zijn dat in dit riviergedeelte een andere Overeengekomen Lage Rivierstand (OLR) geldt, namelijk van 1,90 m in plaats van 2,10 m;
- • de verschillende hoogwaterpeilen kennen om voor dit binnenwaterwegtraject de vaargeuldiepte en laaddiepte te kunnen bepalen;
- • de stromingseffecten kennen;
- • de naam en ligging van geschikte ligplaatsen kennen, zodat hij bij onvoorziene gebeurtenissen goed en veilig kan reageren;
- b) de specifieke plaatselijke verkeersvoorschriften kennen:
- • de verkeersregeling in het gebergtegedeelte;
- • de wachtplaatsen;
- • de inhaalverboden.