Art. 5.1 Besluit lozen buiten inrichtingen, Algemeen overgangsrecht
Besluit lozen buiten inrichtingen
1. Voor het lozen dat bij of krachtens de in de hoofdstuk 3 gestelde voorschriften is toegestaan en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet, een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, of 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning of ontheffing gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
2. De nadere eisen die onmiddelijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten of het Besluit lozingsvoorschriften niet-inrichtingen milieubeheer voor het lozen dat onder dit besluit valt, blijven na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
3. De voorschriften van een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet, een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, of 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming, dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten of het Besluit lozingsvoorschriften niet-inrichtingen milieubeheer die voor het lozen dat onder dit besluit valt onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden, indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gaan gelden, gedurende zes maanden na bedoeld tijdstip van inwerkingtreding aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel uit te maken van de voorschriften van de vergunning of ontheffing aangemerkt als voorschriften van de vergunning of ontheffing.