Bijlage 2b Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2: bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 van 8 december 2010, nummer CvE-10.1345
Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2
Het examen Spreken Programma II bestaat uit 3 delen. Alle driedelen worden in een computerlokaal afgenomen. De opdrachten worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en op de computer vastgelegd. De opdrachten staan op het beeldscherm. De opgaven bevatten een beschrijving van een situatie en een spreektaak. Meestal is ook een tekening van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en de taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II. Zie ook het examenprogramma. Deel 1 bestaat uit 6 korte spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 20 seconden. Deel 2 bestaat uit 9 middellange spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 30 seconden. Deel 3 bestaat uit 2 lange opdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 2 minuten. Bij wijze van illustratie hierbij een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen Spreken II: Het aantal te behalen punten bij de inhoudsaspecten: 69 Verdeling over de beoordelingsaspecten: Inhoud: 39 Woordkeus: 3 Woordenschat: 21 Coherentie: 6 - Het aantal te behalen punten bij de vormaspecten: 56 Verdeling over de beoordelingsaspecten: Woord- en zinsvorming: 36 Uitspraak: 15 Tempo: 5 Totaal aantal opdrachten: 17 Maximumscore: 125 (exclusief precondities) Preconditie. Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wordt nagegaan of de uiting beoordeelbaar is. Hier speelt de preconditie een rol. Bij het controleren van de preconditie moet één van de onderstaande keuzemogelijkheden worden aangevinkt: Uit recent onderzoek naar de kwaliteit van de beoordelingsvoorschriften is gebleken dat het ‘Benutten van de spreektijd' niet door elke beoordelaar correct wordt toegepast. Een aantal beoordelaars kijkt, ongeacht de inhoud van een antwoord van een kandidaat of de kandidaat de spreektijd vo
- – Wanneer een kandidaat één of meer plaatjes anders interpreteert dan in de beoordelingsvoorschriften bedoeld wordt, maar de opdracht toch goed uitwerkt (een instructie geven, een beschrijving geven etc.), moet het spreekproduct analoog aan de bestaande voorschriften beoordeeld worden.
- – Bij opdrachten waarbij kandidaten (een mening met) argumenten moeten geven, moet de beoordelaar er alert op zijn dat niet de inhoud van de argumentatie op geldigheid beoordeeld wordt. Iets wat wij belachelijk vinden, kan voor de spreker een prima reden zijn. Als de uiting duidelijk is, kan iemand drie punten bij 'Inhoud' krijgen.
- □ Verstaanbare Nederlandse reactie in relatie tot de context
- □ Niet passend in context, niet verstaanbaar, geen Nederlands
- □ Kandidaat zegt niets
- □ Niet te beoordelen: reden in logboek vermelden
- – Het kan voorkomen dat een kandidaat een reactie geeft die we niet expliciet in de voorschriften opgenomen hebben. Wanneer deze reactie adequaat is in de gegeven situatie, dan kan een kandidaat toch het maximale aantal punten krijgen bij ‘Inhoud’, afhankelijk van de duidelijkheid van de uiting.
- – Als er echt alleen maar voorgelezen wordt, geldt dat bij 'Inhoud' max. één punt toegekend mag worden. De kandidaten zijn gewaarschuwd tegen het uitsluitend voorlezen (zie de 'Aanwijzingen' die bij het begin van het examen worden vertoond op het beeldscherm).
- – Bij sommige opdrachten moet de beoordelaar ook letten op het volgende: wanneer een kandidaat de gevraagde taalhandeling niet realiseert, kan bij 'Inhoud' maximaal één punt toegekend worden. Wanneer de gevraagde taalhandeling bijvoorbeeld het geven van een instructie is, en een kandidaat geeft een beschrijving, dan kan dus maximaal één punt worden toegekend. In de beoordelingsvoorschriften staat wanneer de beoordelaar hiermee rekening moet houden.
- – Benutten van de spreektijd:
- 0: Er wordt gerefereerd aan de situatie, maar de uiting is verder volstrekt onduidelijk.
- 1:
- – De gevraagde taalhandeling wordt niet gerealiseerd, men probeert niet om de vriend te overtuigen, maar men geeft hem bijv. een instructie.
- – Er wordt ten minste één argument gegeven. De uiting bevat veel onduidelijkheden.
- 2:
- – Er wordt één argument gegeven. De uiting bevat hooguit enkele onduidelijkheden. De spreektijd wordt onvoldoende benut.
- – Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting bevat enkele onduidelijkheden.
- 3:
- – Er wordt één argument gegeven. De uiting is duidelijk. De spreektijd wordt volledig benut.
- – Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting is duidelijk.
- – hij één argument geeft, èn
- – het argument qua inhoud slechts enkele onduidelijkheden bevat, èn
- – hij gezien de spreektijd nog een tweede argument had kunnen geven (de kandidaat is dus enige tijd voordat de pieptoon kwam, gestopt met spreken).
- – hij één argument geeft, èn
- – het argument qua inhoud duidelijk is, èn
- – hij geen tijd meer heeft om zijn antwoord af te ronden (de kandidaat hoort dus de pieptoon terwijl hij nog aan het spreken is).
- – Als een kandidaat bij een plaatje waarop een pot verf te zien is bijvoorbeeld zegt: 'een pot met dat spul', dan krijgt hij of zij 0 punten bij dit aspect. Deze persoon heeft wel laten zien een zodanige woordenschat te hebben dat hij kan omschrijven wat hij bedoelt, maar de woordkeus is in dit geval beperkt. Een ander voorbeeld: een kandidaat zegt, wanneer hij een kleiner uniform wil: 'mag ik één nummer kleiner?', in plaats van het correcte 'mag ik één maat kleiner?'. Ook hier geldt: de woordenschat is groot genoeg om de bedoeling duidelijk te maken, maar er is sprake van een verkeerde woordkeus.
- – Hier wordt bij de middellange en lange opdrachten een onderscheid gemaakt tussen kleine fouten (categorie-1-fouten) en andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten). Onder kleine fouten (categorie-1-fouten) verstaan we lidwoordfouten en fouten die daaruit voortvloeien. Fouten in verkleinwoorden en meervoudsvormen vallen ook onder kleine fouten. Met andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten) worden fouten bedoeld zoals bijvoorbeeld verkeerde werkwoordsvervoegingen, fouten in de woordvolgorde of het weglaten van 'het' als persoonlijk voornaamwoord (bijvoorbeeld: 'Ik heb een mooi boek gekocht maar was heel duur').
- – Bij de spreekopdrachten in deel 2 wordt bij de beoordeling een onderscheid gemaakt tussen langere en kortere uitingen en wel tussen uitingen die uit minimaal drie zinnen bestaan (>2) en uitingen die uit maximaal 2 zinnen bestaan (≤ 2). Dit is gedaan om kandidaten die langer spreken en daardoor dus ook meer fouten kunnen maken, niet te straffen voor het feit dat ze een langere reactie geven dan een ander.
- – Wanneer een kandidaat alleen maar voorleest, geldt dat bij ‘Woord- en zinsvorming’ maximaal één punt toegekend mag worden.