Art. 235 Faillissementswet BES, Van de verleening van surséance van betaling en hare gevolgen
1. Indien de rechter in eersten aanleg van oordeel is, dat de behandeling van het verzoek tot intrekking van de surséance niet zal zijn beeindigd vóór den dag, waarop de schuldeischers krachtens artikel 206, tweede lid, worden gehoord, gelast hij, dat de griffier den schuldeischers bij brieven zal mededeelen, dat dit verhoor op dien dag niet zal worden gehouden.
2. Zoo noodig bepaalt hij later den dag waarop dit verhoor alsnog zal plaats vinden; de schuldeischers worden door den griffier bij brieven opgeroepen.