Art. 11a Leerplichtwet BES
1. Het bestuurscollege kan de in de artikel 1a en artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die een verplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet nakomen, alsmede de in artikel 2, derde lid, bedoelde personen die een verplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel b, of artikel 3, tweede lid, niet nakomen, een administratieve boete opleggen.
2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert en de mate van verwijtbaarheid.
3. De boete kan voorwaardelijk of onvoorwaardelijk worden opgelegd.
4. Het opleggen van een voorwaardelijke boete geschiedt steeds onder de algemene voorwaarde dat de betrokkene zich voor het einde van de proeftijd, die op ten hoogste twee jaar gesteld kan worden, niet gedraagt op de in het eerste dan wel het tweede lid bedoelde wijze.
5. Bij het opleggen van een voorwaardelijke boete kunnen voorts bijzondere voorwaarden worden gesteld, onder meer inzake het tijdstip van het zich alsnog melden bij de school, het gedrag van betrokkene gedurende de proeftijd en storting door betrokkene van een waarborgsom.
6. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt twee maanden nadat de overtreding is begaan.
7. De hoogte van de administratieve boete, bedoeld in het eerste lid, is:
a. indien het feit, bedoeld in het eerste lid, voor de eerste keer wordt gepleegd: ten minste USD 14 en ten hoogste USD 280;
b. in geval van het herhaald plegen van het feit, bedoeld in het eerste lid: ten minste USD 56 en ten hoogste USD 1400.
8. De administratieve boeten komen ten goede van de uitvoering van deze wet.