Art. 60 Wet publieke gezondheid BES, Toezicht en opsporing
1. In het geval van een besmetting of infectie of bij een gegrond vermoeden daarvan, zijn binnen hun ambtsgebied de gezaghebber en de daartoe aangewezen ambtenaren van de gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 11, bevoegd, desgevraagd na het tonen van een legitimatiebewijs, elke plaats te betreden of te verlaten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van deze wet nodig is. Zonodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, wordt aan het optreden van de in het eerste lid genoemde personen, geen enkele beperking, van praktische of financiële aard, verbonden.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het optreden van de in de artikelen 59 en 60 genoemde personen in het kader van het toezicht of de opsporing.