Art. 9 WTU-BES, Toelating bij vergunning verleend
Wet toelating en uitzetting BES (WTU-BES)
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd:
a. indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd;
b. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;
c. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
2. De redenen tot weigering worden in de beslissing vermeld.
3. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:
a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken bij ministeriële regeling aan te wijzen landen;
b. de vreemdeling voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen;
c. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;
d. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a;
e. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd;
f. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.
4. De voordracht voor een krachtens het derde lid, onder f, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 oktober 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:16
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22 november 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:241
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 30 november 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:197
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 8 mei 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:233
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 4 november 2022, ECLI:NL:OGEABES:2022:23
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 23 oktober 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:197
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 mei 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:77
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1 maart 2024, ECLI:NL:OGEABES:2024:20
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 april 2023, ECLI:NL:OGEABES:2023:32
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 3 november 2023, ECLI:NL:OGEABES:2023:29
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 mei 2019, ECLI:NL:OGEABES:2019:22
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 3 juli 2018, ECLI:NL:OGEABES:2018:22