Art. 3 Wet identificatie bij dienstverlening BES
Wet identificatie bij dienstverlening BES
1. Indien de cliënt een natuurlijke persoon is, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een van de volgende, in het land van uitgifte, geldige documenten: Indien de natuurlijke persoon in het buitenland woont of verblijft zal volstaan kunnen worden met een fotokopie van een van deze genoemde documenten, mits deze vergezeld wordt van een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de Burgerlijke Stand van de woon- of verblijfplaats van de cliënt.
a. een rijbewijs;
b. een door de lokale overheid uitgegeven identiteitskaart;
c. een reisdocument of paspoort;
d. een ander door Onze Minister aan te wijzen document.
2. Indien de cliënt een rechtspersoon of vennootschap is, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een gewaarmerkt uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid, of een soortgelijke instelling, in het land van vestiging, dan wel met behulp van een verklaring, afgegeven door van de cliënt onafhankelijke functionaris uit het land van vestiging, die de betrouwbaarheid van deze verklaring op grond van de aard van zijn functie voldoende kan waarborgen. Het uittreksel dan wel de verklaring dient ten minste de door Onze Minister te bepalen gegevens te bevatten.
3. De dienstverlener draagt zorg voor de juiste identiteitsgegevens. Wanneer blijkt dat deze gegevens niet meer overeenstemmen met de werkelijkheid, is de dienstverlener verplicht deze gewijzigde identiteitsgegevens aan te passen.