Bijlage B.1 Beleidsregels PT project- en exploitatiesubsidies 2010: beleidsregels PT project- en exploitatiesubsidies 2010 (Richtlijnen voor het opzetten van de begroting voor dragende organisaties)
Beleidsregels PT project- en exploitatiesubsidies 2010
Deze richtlijnen gelden voor begroting bij projectaanvragen van dragende organisaties. Onder dragende organisaties worden verstaan: door de SER representatief geachte organisaties van werkgevers en werknemers die leden van bestuur en sectorcommissies kunnen benoemen. Daarmee worden gelijkgesteld organisaties waarin de dragende organisaties overheersende zeggenschap hebben. De aanvraag voor een projectbijdrage moet vergezeld gaan van een gespecificeerde begroting per uitvoerder per kalenderjaar. Als het project is verdeeld in twee of meer fasen met go/ no-go beslissingen, dan moeten de kosten per fase eveneens zichtbaar gemaakt worden. In de begroting worden de volgende posten onderscheiden: BTW De kosten dienen exclusief BTW in de begroting te worden weergegeven. Indien en voor zover de BTW niet verrekend kan worden, wordt deze per post apart vermeld en wordt de reden van het niet verrekenbaar zijn bij de aanvraag aangegeven. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
- 1. Personele kosten;
- 2. Materiële kosten;
- 3. Implementatiekosten;
- 4. Apparatuurkosten en
- 5. Overige kosten.
- 1. Personele kosten Voor alle functies en personeelsleden geldt dat wordt uitgegaan van de reële inschaling. In de projectbegrotingen dient te worden uitgegaan van een jaarlijkse stijging van de salarislasten met maximaal één periodiek en met een correctie ingevolge de inflatie van maximaal 2% per jaar. Bij de afrekening zal rekening worden gehouden met de werkelijk gemaakte kosten, met inachtneming van het maximaal ter beschikking gestelde subsidiebedrag. Ter dekking van de directe overheadkosten kan bij de projecten waar dat is aangegeven, een opslag worden berekend van maximaal 30,00 euro per uur. De projectuitvoerders zullen moeten aantonen dat het opgevoerde bedrag reëel en noodzakelijk is voor het uitvoeren van het project. Als gevolg van de algemene overheadopslag vervallen vergoedingen voor de reguliere infrastructuur zoals begeleiding, indirect personeel, algemene diensten, verzekeringen, huisvestingslasten, kantoormaterialen, fotografie en reproductiekosten, porti- en telefoonkosten, automatiseringskosten en overige ict-kosten, representatiekosten en beoordelingskosten voor plaatsing van artikelen.
- A. tot het jaarsalaris wordt gerekend het werkelijke brutojaarsalaris, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en een eventuele dertiende maand van het direct bij de projectuitvoering betrokken personeelslid;
- B. per personeelslid mogen er maximaal 1.600 productieve uren op jaarbasis worden doorberekend bij een voltijdaanstelling;
- C. indien er sprake is van een deeltijdaanstelling dan wordt het maximum van 1.600 uur naar verhouding aangepast;
- D. het uurtarief wordt als volgt opgebouwd:
- o jaarsalaris / 1.600;
- o opslag voor de werkelijke pensioenlasten en sociale werkgeverslasten tot maximaal 30%;
- o opslag voor de directe overheadkosten van maximaal €30,- per uur. of een vastgesteld uurtarief (zie beleidsregels), waarbij het maximaal te declareren uren per maand wordt vastgesteld op 173 uur met een maximum van 1.600 uur per jaar; Het uurtarief bij inhuur is marktconform. Onder marktconform wordt verstaan de voor een bepaalde kwaliteit actueel laagst mogelijke kosten.
- E. opslag voor overwerk is niet subsidiabel.
- 2. Materiële kosten De specifiek voor het project benodigde verbruiksartikelen.
- 3. Implementatiekosten Onder implementatiekosten worden de kosten verstaan die worden gemaakt voor het verspreiden en overdragen van kennis/ervaringen uit het project. Ook kosten in het kader van het voorbereiden van de daadwerkelijke invoering van de projectresultaten vallen hieronder. Voorbeelden van kostenposten zijn: publicaties, nieuwsbrieven, foldermateriaal, mailings, lezingen, expertmeetings, uitwisselingsbijeenkomsten en de organisatie van congressen. Hieronder vallen niet de personeelskosten als hiervoor bedoeld.
- 4. Apparatuurkosten Investeringen in materiële vaste activa dienen goed gemotiveerd te worden. Alleen kosten die specifiek voor het project worden gemaakt, zijn subsidiabel; interestkosten worden niet vergoed. De kosten van investeringen (afschrijvingen) kunnen in de projectkosten worden opgenomen naar rato van het gebruik hiervan. Voor afschrijvingen en het bepalen van de restwaarde wordt uitgegaan van de volgende methoden: Overige bepalingen:
- computerapparatuur: maximale fiscale afschrijving;
- overige apparatuur: lineaire afschrijving op basis van de economische levensduur.
- investeringen in materiële activa voor het project mogen gedurende de looptijd van het project worden afgeschreven tot maximaal de restwaarde; en
- indien de restwaarde vooraf niet te bepalen is dan dient de eventuele restwaarde aan het eind van het project in mindering te worden gebracht op de kosten.
- 5. Overige kosten Tot de overige kosten worden gerekend: reiskosten, kosten zoals het uitbesteden van analysewerkzaamheden, juridische advisering, accountantskosten in verband met de subsidieverlening en eventuele marketingadviezen, media-adviezen en mediakosten publiciteitscampagnes. Ingeval van dienstreizen, excursies etc., die zijn gemaakt in het kader van een in het project opgenomen activiteit is het mogelijk om forfaitaire vergoedingen voor reis- en verblijfkosten te verstrekken. Ten aanzien van medewerkers in dienst van brancheorganisaties dienen deze vergoedingen te zijn uitbetaald en te blijven binnen de maxima van het Reiskostenbesluit Rijksoverheid. Ten aanzien van medewerkers niet in vaste dienst bij de dragende organisatie gelden de daadwerkelijk gemaakte reiskosten.