Bijlage 3 Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten: toelichting
Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten
Dit betreft een toelichting op de Aanwijzing en het Protocol ‘Auditief en audiovisueel registreren van verhoren’. In deze toelichting wordt het ‘waarom’ uitgelegd en worden enkele voorbeelden gegeven. Naar analogie van het Protocol wordt per procedure het één en ander besproken. In de Aanwijzing en het Protocol staat het registreren en de daarmee gepaard gaande richtlijnen en randvoorwaarden centraal. Waar dit noodzakelijk is, wordt ingegaan op enige inhoudelijke aspecten. O.a. kwalitatieve aspecten van het verhoor, de coaching ervan of de inhoudelijke rol van de deskundige alsmede de technische inrichtingseisen zijn beschreven in de desbetreffende Brancherichtlijn voor de opsporingsinstanties. Voor de auditieve of audiovisuele registratie van verhoren bestaat geen expliciete wetgeving. Wel is er jurisprudentie ontwikkeld over dit thema, waarnaar in deze toelichting op sommige plaatsen wordt verwezen. Waar de jurisprudentie betrekking heeft op audiovisuele opnamen wordt deze van overeenkomstige toepassing geacht voor auditieve opnamen. In de aanwijzing worden bij de verplichte audiovisuele registratie vier groepen kwetsbare personen onderscheiden: Er is sprake van een verstandelijke beperking, wanneer een persoon als gevolg van beperking van de intellectuele vermogens minder vaardig is in het uitoefenen van bezigheden op het gebied van wonen, werken, leren, communicatie, of bij het gebruik van vervoer of andere voorzieningen in de samenleving. Of er sprake is van een persoon met verstandelijke beperkingen is aan de oordeelsvorming van de opsporingsambtenaar. Bij twijfel over de intellectuele vermogens van de te verhoren persoon dient de persoon in kwestie behandeld te worden als ware hij een persoon met verstandelijke beperkingen. Er is sprake van een cognitieve functiestoornis, wanneer een persoon een ziekte heeft (bijvoorbeeld Parkinson of Alzheimer) of hersenschade heeft opgelopen (bijvoorbeeld hersenbloeding, -infarct of -letsel) met gevolgen voor de cognitieve
- − minderjarigen onder de 12 jaar;
- − minderjarigen tussen de 12 en de 16 jaar;
- − personen met een verstandelijke beperking;
- − personen met een cognitieve functiestoring.
- 1. De persoon van de betrokkene. Hierbij valt te denken aan psychische stoornis of gewelddadigheid;
- 2. De aard en/of gevoeligheid van de zaak. Te denken valt bijvoorbeeld aan gevallen waarin evident sprake is van zwaar lichamelijk letsel of aan lokale impact.
- 3. Het verloop van het verhoor. Hierbij moet worden gedacht aan onvoorziene omstandigheden die aanleiding zijn over te gaan tot registratie.