Bijlage 3 Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: bij artikel 3
Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
Inhoudsopgave Blz. 1. Grootheden en eenheden 5 1.1. Karakteristiek van het domein 5 1.1.1. Inhoud 5 1.1.2. Wat moeten studenten met de inhoud doen? 6 1.1.3. Niveauverschillen 6 1.2. Descriptoren 6 1.3. Ondersteunende vaardigheden 7 2. Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld 7 2.1. Karakteristiek van het domein 7 2.1.1. Inhoud 7 2.1.2. Wat moeten studenten met de inhoud doen? 8 2.1.3. Niveauverschillen 8 2.2. Descriptoren 8 2.3. Ondersteunende vaardigheden 9 3. Verhoudingen herkennen en gebruiken 10 3.1. Karakteristiek van het domein 10 3.1.1. Inhoud 10 3.1.2. Wat moeten studenten met de inhoud doen? 10 3.1.3. Niveauverschillen 10 3.2. Descriptoren 11 3.3. Ondersteunende vaardigheden 11 4. Procenten gebruiken 11 4.1. Karakteristiek van dit domein 11 4.1.1. Inhoud 11 4.1.2. Wat moeten de student met de inhoud doen? 12 4.1.3. Niveauverschillen 12 4.2. Descriptoren 12 4.3. Ondersteunende vaardigheden 13 5. Omgaan met kwantitatieve informatie 13 5.1. Karakteristiek van het domein 13 5.1.1. Inhoud 13 5.1.2. Wat moeten studenten met de inhoud doen? 14 5.1.3. Niveauverschillen 14 5.2. Descriptoren 14 5.3. Ondersteunende vaardigheden 15 Heel veel getallen in het dagelijks leven komen voort uit het gebruik van grootheden en eenheden. Grootheden hebben een kwantitatieve waarde en die waarde zegt iets over een ding of een verschijnsel. Als iemand bijvoorbeeld 1,78 m lang is, dan is 1,78 m de waarde van de grootheid lichaamslengte van die persoon. De waarde van een grootheid wordt weergegeven met een getal met vaak een eenheid, zoals meter, uur, graad. Een eenheid kan op zijn beurt een (metriek) voorvoegsel hebben, zoals giga-, mega-, kilo-, centi- of milli-. Ook kan een eenheid samengesteld zijn, zoals km per uur voor snelheid of Mb per sec voor downloadsnelheid. De waarde van een grootheid kun je bepalen door een meting te doen met een meetinstrument, door te tellen of door hem te berekenen uit de waarden van andere grootheden. Een referentiemaat ten slotte is een gl
- • hoe gangbaar grootheden, eenheden en voorvoegsels zijn; minder gangbare grootheden, eenheden en voorvoegsels komen alleen voor als ze functioneel zijn, zoals hectoliters bier in de horeca of mijlen in Groot-Brittannië;
- • of er samengestelde eenheden voorkomen;
- • of en welke eenheden in elkaar omgezet moeten worden;
- • hoe makkelijk of moeilijk meetinstrumenten te gebruiken zijn;
- • de complexiteit van formules en of er in formules woordvariabelen of lettervariabelen gebruikt worden.
- • welke begrippen gebruikt worden om twee- en driedimensionale situaties te beschrijven;
- • in hoeverre situaties voor studenten herkenbaar of nieuw zijn;
- • in hoeverre formules gebruikt (moeten) worden om omtrek, oppervlakte of inhoud te bepalen.
- • In hoeverre eenheden moeten worden omgerekend.
- • welke taal en notatie gebruikt worden om verhoudingen weer te geven;
- • in hoeverre situaties voor studenten herkenbaar of nieuw zijn;
- • of er naast «getallen» ook eenheden moeten worden omgerekend;
- • in welke mate de getallen eenvoudig in elkaar om te zetten zijn (de vermenigvuldigfactoren «mooi» zijn).
- • in hoeverre situaties voor studenten herkenbaar of nieuw zijn;
- • of de percentages «mooi» zijn en passen bij de «absolute» getallen (bijv. 23% van 400 en 20% van 75 zijn eenvoudiger dan 23% van 75);
- • in hoeverre meteen duidelijk is ten opzichte waarvan gerekend moet worden («wat 100% is»);
- • het aantal stappen dat nodig is in berekeningen.
- • in hoeverre in informatiebronnen absolute of relatieve waarden staan;
- • hoe complex de visuele representaties zijn;
- • of en welke berekeningen nodig zijn;
- • welke statistische grootheden studenten moeten interpreteren.