Bijlage 1 Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen: bij artikel 2 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
Niveau 1F Niveau 2F Niveau 3F Niveau 4F Algemene omschrijving Gesprekken Kan eenvoudige gesprekken voeren over vertrouwde onderwerpen in het dagelijks leven op en buiten school. Kan in gesprekken over alledaagse en niet alledaagse onderwerpen uit leefwereld en (beroeps)opleiding uiting geven aan persoonlijke meningen, kan informatie uitwisselen en gevoelens onder woorden brengen. Kan op effectieve wijze deelnemen aan gesprekken over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard. Kan in alle soorten gesprekken de taal nauwkeurig en doeltreffend gebruiken voor een breed scala van onderwerpen uit (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard. Taken 1. Deelnemen aan discussie en overleg Kan de hoofdpunten volgen en kan de eigen mening verwoorden en onderbouwen met argumenten. Kan kritisch luisteren naar meningen en opvattingen en een reactie geven. Kan bespreken wat er gedaan moet worden en bijdragen aan de planning. Kan tijdens een discussie of overleg (op beleefde wijze) een probleem verhelderen, een overtuiging of mening, instemming of afkeuring uitdrukken en commentaar geven op de visie van anderen. Kan actief deelnemen aan discussies, debatten en overleg in kleinere of grotere groepen. Kan in een geanimeerde discussie of debat uitgesproken en overtuigende argumenten geven. Kan in een overleg een probleem helder schetsen, speculeren over oorzaken of gevolgen en voor- en nadelen van verschillende benaderingen afwegen. 2. Informatie uitwisselen Kan in gesprekken binnen en buiten school informatie geven en vragen en kan kritisch luisteren naar deze informatie. Kan informatie beoordelen en een reactie geven. Kan informatie vragen en geven aan instanties binnen en buiten school. Kan informatie verzamelen en verwerken via het houden van een vraaggesprek. Kan actief deelnemen aan gesprekken in het kader van werk/ beroepsvoorbereiding, een project of (maatschappelijke) stage en de evaluatie daarvan. Kan deelnemen aan informatieve, meningsvormende, bes
- 1. Mondelinge Taalvaardigheid
- 1.1. Gesprekken
- 1.2. Luisteren
- 1.3. Spreken
- 2. Lezen
- 2.1. Zakelijke teksten
- 2.2. Fictionele, narratieve en literaire teksten
- 3. Schrijven
- 4. Begrippenlijst en Taalverzorging
- 4.1. Begrippenlijst
- 4.2. Taalverzorging
- 4.3. Niveaubeschrijvingen
- 4.4. Moeilijkheid
- 1. Werkwoord;
- 2. Tijd van het werkwoord (tegenwoordig en verleden, onvoltooid en voltooid);
- 3. Getal: meervoud, enkelvoud;
- 4. Eerste, tweede en derde persoon;
- 5. Persoonsvorm;
- 6. Voltooid deelwoord;
- 7. Stam van het werkwoord;
- 8. Hele werkwoord (infinitief);
- 9. Onderwerp;
- 10. Zwakke en sterke werkwoorden;
- 11. Werkwoordelijk gezegde.
- 1. Klankzuivere woorden (wil, dier, maat, daar, moet, wesp, kalf etc.): woorden die in een standaard Nederlandse uitspraak geen alternatieve spelling toelaten.
- 2. Klankambigue woorden: woorden die indien de klank gevolgd wordt fout gespeld zullen worden. Het gaat om algemene regels en dialectische bijzonderheden. Het zijn fouten die in de ene regio vaker zullen voorkomen dan in een andere: bodum (bodem), enugu (enige), flakbij (vlakbij), prijsen (prijzen), prongeluk (per ongeluk), srijf (schrijf), teminste; tuminste, tuminstu (tenminste), trugbetalen (terugbetalen).
- 3. Spelambigue woorden zoals mouwen (mauwen), klijn (klein), dagt (dacht), antwoort (antwoord), direkt (direct). Het zijn woorden die op twee manieren gespeld kunnen worden, omdat de klank geen uitsluitsel geeft. Twee lettertekens representeren één klank (au/ou, d/t, ei/ij, ch/g, c/k).
- 4. Regels voor verdubbeling en verenkeling op lettergreepgrenzen: ontsmetting, nummer, verstoppen, liggen, lopen, oversteken, haren.
- 5. Afbreekregels (ge-trokken; getrok-ken, get-rokken, getrokk-en), als een samenspel van morfologische en spellingregels.
- 6. Aaneen- en losschrijven van woorden (autoweg, kwijtraakte, voor altijd).
- 7. Regel van gelijkvormigheid bij assimilatie: zakdoek in plaats van zaddoek.
- 8. Meervoudsvorming
- 8.1. -s na medeklinker, -a, -o, -u, -y, -e: (a) fuchsia’s, (b) cafés, (c) garages, meisjes
- 8.2. -en (a) zonder en (b) met verdubbeling: latten (zelfstandig naamwoord), laten (werkwoord).
- 9. Vorming van bijvoeglijk naamwoord
- 9.1. -e (bij zelfstandig naamwoord in enkelvoud als meervoud), met mogelijk toepassing van andere regels (verenkeling/verdubbeling op lettergreepgrenzen). Ook bij bijvoeglijke naamwoorden afgeleid van werkwoorden
- 9.2. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op -en: gouden, zilveren (zowel bij zelfstandig naamwoord in enkelvoud als meervoud).
- 10. Vorming van verkleinwoord
- 10.1. Basis + diminutief
- 10.2. Uitzondering op verenkelings/verdubbelingsregel: verkleinwoord na open klinker: chocolaatje, cafeetje, parapluutje.
- 11. Schrijfwijze van achtervoegsels (-heid, -lijk).
- 12. ’s en -s: ‘s nachts, ’s Nachts (begin van een zin).
- 13. Meervouds -n bij zelfstandig en bijvoeglijk gebruikte verwijzingen naar personen/niet personen: alle, vele, weinige, maar ook allen, weinigen, velen etc.
- 14. Persoonsvorm
- 14.1. tegenwoordige tijd van werkwoorden met stam op -d
- 14.1.1. enkelvoud: word(t) eerste persoon stellend en vragend (ik word/word ik) tweede persoon stellend en vragend (jij wordt/word jij) derde persoon enkelvoud stellend en vragend (hij wordt/wordt hij) wordt je broer, wordt jou de toegang ontzegd derde persoon, enkelvoud stellend en vragend bij werkwoorden met prefix (kans op verwarring met woordbeeld van voltooid deelwoord): hij beoordeelt (niet: beoordeeld)
- 14.1.2. meervoud: worden, laten
- 14.2. verleden tijd van zwakke werkwoorden met stam op -d of -t: (morfologische regel leidt tot verdubbeling van d/t, hoewel fonetisch niet nodig) antwoordde
- 14.3. verleden tijd van sterke werkwoorden met stam op -d of -t enkelvoud: werd, liet meervoud: werden.
- 15. Infinitief
- 15.1. «Gewone» werkwoorden met stam op -d of -t: worden, laten
- 15.2. Werkwoorden met stam op -d en -t die in de verleden tijd dd/tt krijgen: vergoeden, verplichten (verwisseling woordbeelden)
- 15.3. Als 15.2, in bijvoeglijke bepalingen, in een omgeving met verleden tijd («de te verlichten straten waren niet afgesloten»).
- 16. Voltooid deelwoord
- 16.1. (per prefix), met kans op verwarring met woordbeeld persoonsvorm op -d: gebeurd, beoordeeld op -d: na een «valse» f (stam op v): geverfd op -d, na een «valse» s (stam op z): verhuisd
- 16.2. op -den of -ten: geladen, gelaten in de omgeving van meervoud (de geladen wagens) in de omgeving van enkelvoud (de geladen wagen)
- 16.3. op -d of -t, gebruikt als bijvoeglijk naamwoord: geparkeerde, geraakte, beschutte in de omgeving van enkelvoud/meervoud: de beschutte tuin/tuinen (bijvoeglijk naamwoord buigt niet met getal mee) in de omgeving van tegenwoordige/verleden tijd: hij zag/zij ziet verlichte straten.
- 17. Schrijfwijze van tussenklanken -s en -e(n).
- 18. Gebruik van trema en koppelteken.
- 1. Hoofdletters en punten bij zinsmarkering.
- 2. Vraagtekens, uitroeptekens en aanhalingstekens.
- 3. Hoofdletters bij eigennaam en directe rede.
- 4. Komma’s, dubbele punt.
- 1. Alfabetisch: hier gaat het om het volgen van de beschaafde Nederlandse uitspraak: dezelfde klank heeft dezelfde letter. De basiskennis is de klank-tekenkoppeling, ook voor bijvoorbeeld oe, ui. Allofonen (v/f; z/s afwisseling) kunnen hierbij gerekend worden. Eind groep 3 wordt deze categorie beheerst.
- 2. Orthografisch: hier gaat het om autonome regels over de grens van lettergrepen heen: woorden met sch, ng, nk, aai, ooi, oei, ch(t), -eeuw, -ieuw, -uw, -ee, de ë in ie of ieë, medeklinkerverdubbeling, open lettergrepen, kleefletters behoren tot deze categorie.
- 3. Morfologisch: alle woorden die gevormd worden door de toevoeging van voor- of achtervoegsels zoals verkleinwoorden (-tje, -pje, -je), meervoudsvorming en achtervoegsels als (-ig, -heid, -teit, -lijk, -aard, -erd, -tie, -iaal/-eaal/-ieel/-ueel, -isch); ook: bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord. Woorden met ’s als meervoud. Alle woorden die gevormd worden door samenstellingen (assimilatieverschijnselen: voortdurend).
- 4. Morfologisch, met gebruikmaking van syntactische kennis: werkwoordsspelling waarin persoon en getal van het onderwerp leidend is voor de spelling (persoonsvorm), de functie van het werkwoord moet worden bepaald (persoonsvorm, infinitief, voltooid deelwoord). Homofonen zijn hier de moeilijkste problemen (verhuisd/verhuist, beleeft/beleefd): kennis van de functie is hier noodzakelijk.
- 5. Logografisch: vaststaande combinaties, die als zodanig gekend moeten worden (geen regelvorming): /zj/ geschreven als g (garage), open lettergreep /ie/ geschreven als -i-, woorden op -isch, /sj/ geschreven als -ch-, /oo/ geschreven als -au- of -ou-, /s/ geschreven als -c- voor i, ie en e; /ks/ geschreven als -x-, /oe/ geschreven als -ou-, woorden met -aise, -aire, /sj/ geschreven als -ci-, /ie/ geschreven als -y-, leenwoorden (team, jam, tram). Woorden met een trema, woorden voorafgegaan door ‘s.