Bijlage A Regeling personeel veiligheidsregio’s: behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s
Regeling personeel veiligheidsregio’s
Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 van het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Functienaam: Adviseur gevaarlijke stoffen Beschrijving van de functie: De adviseur gevaarlijke stoffen (AGS): De AGS analyseert en beoordeelt het incident tijdens de uitruk- en verkenningsfase op basis van de beschikbare gegevens en vertaalt deze informatie naar mogelijke scenario’s en scenario ontwikkelingen. De AGS stelt dit beeld gedurende het incident zo nodig bij. Op basis van de gekozen scenario’s formuleert de AGS een mono- en multidisciplinair advies. Hierbij houdt hij rekening met operationele mogelijkheden en sluit hij aan op de doelgroep en de belangen van de ontvanger(s). De AGS treedt op als adviseur van het ROT en kan optreden als vraagregisseur naar externe partners. De AGS werkt samen met de coördinator verkenningseenheden om een multidisciplinair advies op te stellen voor het effectgebied. De AGS kan een adviserende rol hebben tijdens de nazorgfase. *Vormt een advies over: Signaleert problemen; herkent belangrijke informatie; legt verbanden tussen gegevens. Spoort mogelijke oorzaken van problemen op; zoekt ter zake doende gegevens. Niveau A: Achterhalen Maakt ideeën en meningen in begrijpelijke taal aan anderen mondeling duidelijk en weet aan te sluiten bij het publiek. Niveau A: inschatten, non-verbaal Onderkent en verplaatst zich in de gevoelens en behoeften van anderen, en houdt rekening met de gevolgen van eigen handelen op andere mensen of onderdelen van de organisatie. Niveau B: reageren Weegt gegevens en mogelijke handelwijzen in het licht van relevante criteria tegen elkaar af om tot realistische beoordelingen te komen. Niveau A: besluiten Voert in een team een opdracht uit. Draagt bij aan de harmonie van de groep en aan de optimale inzet van de leden ten behoeve van het groepsdoel, desnoods ten koste van eigen korte termijn belangen. Niveau A: betrekken van derden Functie zoals genoemd in artikel 2, lid 1, Besluit personeel veiligheidsregio’s Functienaam:
- 1. vervult twee rollen bij incidenten waarbij gevaarlijke stoffen vrij (kunnen) komen. Elke rol brengt verschillende verantwoordelijkheden met zich mee. De twee rollen van AGS luiden als volgt: In één incident kan de AGS een van beide rollen vervullen. Een AGS werkt als zelfstandig adviseur voor één of meer veiligheidsregio’s. Hij voert zijn werkzaamheden, afhankelijk van de rol, in verschillende omgevingen uit:
- − optreden als AGS in het veld
- − optreden als AGS voor het ROT
- − het incidentterrein
- − het CoPI
- − het ROT
- − het Actiecentrum Brandweer.
- 2.
- – adviseert aan de hoogst leidinggevende ter plaatse.
- − is belast met de leiding en uitvoeringscoördinatie van meerdere verkenningseenheden in het brongebied.
- − werkt samen met de coördinator verkenningseenheden.
- − kan optreden als vraagregisseur bij grootschalige incidenten.
- − werkt samen met en adviseert aan multidisciplinaire partners zowel tijdens het incident als in de nazorgfase.
- 3. adviseert op grond van feiten, analyse, herkenning van scenario’s en situatie-inschattingen over inzetmogelijkheden. De adviezen gaan over redding, bronbestrijding, mogelijke gevolgen voor het effectgebied, schoon en veilig werken, ontsmetting en afhandeling van het incident na stabilisatie en nazorg. Omdat de werkomstandigheden en werkomgeving nooit standaard zijn, is de AGS in staat om onder verschillende omstandigheden een advies uit te brengen:
- − een expertadvies onder tijdsdruk (bij onmiddellijke bedreiging van mensenlevens of bij dreigende escalatie)
- − een beredeneerd (vervolg) advies op grond van aanvullende feiten en analyse.
- > Verzamelt actief feiten bij onder andere meldkamer, leidinggevenden, bedrijfsdeskundigen, externe partners, coördinator verkenningseenheden en in naslagwerken.
- > Vertaalt beschikbare feiten naar mogelijke scenario’s en kiest het meest waarschijnlijke scenario. Maakt hierbij onder andere gebruik van berekeningen, vuistregels, ervaring, kennis en casuïstiek.
- > Volgt de ontwikkeling en bestrijding van het incident, denkt vooruit in het incident, houdt rekening met scenario-ontwikkeling en het tijdspad.
- > Onderkent dat er cruciale informatie ontbreekt en probeert deze zo mogelijk te achterhalen.
- > Maakt een inschatting van de vereiste maatregelen voor het minimaliseren van de gevolgen voor slachtoffers en omgeving, het beperken van het gevaar voor hulpverleners en het bestrijden van het incident.
- > Geeft beredeneerde (vervolg)adviezen*, zo nodig op basis van onvolledige informatie en onder tijdsdruk. Stemt de inhoud van het advies af op en vertaalt deze naar de ontvanger (de ‘hoogst leidinggevende van de brandweer ter plaatse’, (de leden van) het COPI of ROT).
- > Bepaalt een eerste meetstrategie en laat indien nodig een of meer verkenningseenheden alarmeren.
- > Laat metingen in het brongebied verrichten door verkenningseenheden en stuurt deze aan.
- > Interpreteert voortdurend de meetgegevens en andere relevante feiten (bijvoorbeeld bedrijfsgegevens, visuele waarnemingen, aard en ontwikkeling van het incident, aard en omvang van het bedreigde gebied, meteogegevens, (domino-)-effecten) en stelt eerdere inschattingen zo nodig bij.
- > Vraagt indien nodig een second opinion aan of geeft een second opinion aan een collega AGS.
- > Is intermediair tussen lokaal commando en externe (bedrijfs)deskundigheid.
- > Advies vormen: snel en oppervlakkig of langzamer en completer.
- > Afweging maken: resultaat versus het risico, inspanning, impact en beleving. Bijvoorbeeld:
- − Offensief of defensief optreden en met welke veiligheidsmaatregelen
- − Prioriteit leggen bij beperken van effecten op de omgeving of veiliger maken van de brandweerinzet.
- − Wel of niet omgeving alarmeren in eerste fase, op welke wijze en met welk handelingsperspectief.
- − Omgaan met risicobeleving burgers en hulpverleners; subjectief versus objectief.
- > Afweging maken: wel of niet betreden van de hotzone voor de beeldvorming.
- > Verzamelt actief feiten bij onder andere meldkamer, AGS in het veld, leidinggevenden, bedrijfsdeskundigen, externe partners, coördinator verkenningseenheden en in naslagwerken.
- > Vertaalt beschikbare feiten naar mogelijke effecten voor de omgeving en brengt het effectgebied in beeld. Maakt hierbij onder andere gebruik van berekeningen, vuistregels, ervaring, kennis en casuïstiek.
- > Volgt de ontwikkeling en bestrijding van het incident, denkt vooruit in het incident, houdt rekening met scenario-ontwikkeling en het tijdspad.
- > Onderkent dat er cruciale informatie ontbreekt en probeert deze zo mogelijk te achterhalen.
- > Maakt een inschatting van de vereiste maatregelen voor het minimaliseren van de gevolgen voor slachtoffers en omgeving, het beperken van het gevaar voor hulpverleners en het bestrijden van het incident.
- > Schetst een beeld van het effectgebied en geeft beredeneerde (vervolg)adviezen*, zo nodig op basis van onvolledige informatie en onder tijdsdruk. Stemt de inhoud van het advies af op en vertaalt deze naar de ontvanger (de ‘hoogst leidinggevende van de brandweer ter plaatse’, (de leden van) het COPI of ROT).
- > Interpreteert voortdurend de meetgegevens en andere relevante feiten (bijvoorbeeld bedrijfsgegevens, visuele waarnemingen, aard en ontwikkeling van het incident, aard en omvang van het bedreigde gebied, meteogegevens, (domino-)-effecten) en stelt eerdere inschattingen zo nodig bij.
- > Vraagt indien nodig een second opinion aan bij een collega AGS of externe deskundige.
- > Treedt op als back office voor de AGS in het veld.
- > Ondersteunt bij of formuleert adviesvragen aan externe partij(en). Vertaalt adviezen naar eventuele maatregelen.
- > Advies vormen: snel en oppervlakkig of langzamer en completer.
- > Afweging maken: resultaat versus het risico, inspanning, impact en beleving. Bijvoorbeeld:
- − Offensief of defensief optreden en met welke veiligheidsmaatregelen
- − Prioriteit leggen bij beperken van effecten op de omgeving of veiliger maken van de brandweerinzet.
- − Wel of niet omgeving alarmeren in eerste fase, op welke wijze en met welk handelingsperspectief.
- − Omgaan met risicobeleving burgers en hulpverleners; subjectief versus objectief.
- > de risico’s voor mens, dier, goederen en milieu in bron- en effectgebied, op korte termijn.
- > de risico’s voor mens, dier, goederen en milieu in bron- en effectgebied, op lange termijn.
- > te nemen maatregelen voor de veiligheid.
- > inzetmethoden.
- > stabilisatie van het incident.
- > te nemen maatregelen om schade te beperken.
- > gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.
- > waarschuwen/alarmeren van de nabije omgeving bij acuut gezondheidsgevaar en maatregelen voor de bevolking.
- > de indeling van het bedreigde gebied in hot-warm-cold zone.
- > te nemen maatregelen voor de milieubescherming.
- > opvang en nazorg van slachtoffers, personeel, bevolking, materiaal en materieel.
- > noodzaak tot en wijze van schoonmaken.
- > plan van aanpak voor terugkeer naar de ‘normale ’situatie inclusief ‘ontalarmeren’ van de bevolking (ROT).
- > andere, voor de bestrijding van het incident noodzakelijke, informatie.
- > Identificeert de achterliggende oorzaken van complexe problemen.
- > Schat de afbreukrisico’s in ten aanzien van de verschillende oplossingsrichtingen.
- > Houdt rekening met diverse belangentegenstellingen zowel binnen als buiten de
- > organisatie.
- > Weet draagvlak te krijgen voor een oplossingsrichting.
- > Bekijkt ingewikkelde vraagstukken vanuit diverse invalshoeken.
- > Past het niveau en de inhoud van communiceren aan de gesprekspartner(s) aan.
- > Maakt gebruik van non-verbaal gedrag dat het verbale gedrag ondersteunt.
- > Spreekt boeiend en aansprekend, is welsprekend.
- > Stuurt op eenduidig communiceren van informatie.
- > Past gesprekstechnieken toe om een gesprek optimaal te laten verlopen.
- > Gaat bewust om met andere normen, waarden en gedragscodes van partijen binnen en buiten het eigen onderdeel; neemt eigen positie in op basis van rolverdeling en (machts)verhoudingen.
- > Reageert op onuitgesproken behoeften van anderen.
- > Handelt op basis van eigen inschatting van (non-)verbale signalen en (in)formele hiërarchie en krachtenvelden; speelt in op onverwachte invalshoeken.
- > Houdt rekening met ontwikkelingen en gevoeligheden binnen en buiten het eigen werkveld.
- > Overziet de consequenties van handelwijzen en beoordeling.
- > Vertrouwt op grond van eerdere ervaringen op zijn/haar oordeel.
- > Licht een oordeel door middel van steekhoudende argumenten toe.
- > Weegt (nieuwe) gegevens en mogelijke handelwijzen tegen elkaar af in het licht van relevante criteria en komt tot een realistische beoordeling.
- > Weet de eenheid van het samenwerkingsverband te behouden en waakt ervoor dat er geen subgroepjes ontstaan.
- > Neemt actief verantwoordelijkheid voor het groepsproces.
- > Betrekt relevante derde partijen.
- > Activeert zowel groepsleden als derden tot het leveren van een bijdrage aan het te bereiken resultaat en houdt daarbij rekening met de kwaliteiten van de betrokkenen.
- > Motiveert een groep tot maximale inzet voor het eindproduct.
- 1. geeft leiding aan manschappen om het incident brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen te bestrijden. In voorkomende gevallen kan er sprake zijn van dienstverlening. Hij borgt alle veiligheidsaspecten tijdens het incident. De situatie ter plaatse is bepalend voor de uit te voeren taken. Bij de bestrijding van het incident beschikt hij over de standaardbepakking van de tankautospuit en/of ondersteunende voertuigen.
- 2. werkt in de repressieve dienst van de overheidsbrandweer. Hij voert zijn werkzaamheden voor het grootste deel uit op de plaats van het incident, ongeacht het tijdstip van de dag. De bevelvoerder moet samen met zijn manschappen snel ter plaatse zijn.
- 3. heeft bij het incident de leiding over de manschappen van de tankautospuit en van ondersteunende voertuigen die aan de tankautospuit zijn gekoppeld. De bevelvoerder is verantwoordelijk voor de bestrijding van het incident en de opschaling. Bij opschaling heeft hij de operationele leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de Officier van Dienst (OvD).
- 4. werkt bij de incidentbestrijding volgens uitrukprocedures en veiligheidsuitgangspunten en waarborgt voortdurend de veiligheid van zichzelf, zijn manschappen en derden. Verricht werkzaamheden die variëren en die in wisselende en van tevoren niet bekende situaties moeten worden toegepast. Hierbij kan het nodig zijn om van procedures af te wijken en creatief een oplossing hiervoor te zoeken waarbij de veiligheid niet in het geding komt en het beoogde resultaat toch wordt behaald. Tevens is de bevelvoerder verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn vakinhoudelijke competenties.
- * Het incident kan zijn: brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen. In voorkomende gevallen kan er ook sprake zijn van dienstverlening.
- • Verzamelt actief informatie over het incident waar hij naar uitrukt.
- • Analyseert de verkregen informatie.
- • Maakt op basis van de beschikbare informatie een voorlopig verkennings- en inzetplan en plan+.
- • Informeert de manschappen over het incident en het voorlopig verkennings- en inzetplan.
- • Kiest zijn persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie).
- • Bereidt zich mentaal voor.
- • Schouwt de situatie en stelt, indien nodig, het voorlopige verkenningsplan bij.
- • Verkent of laat zijn manschappen methodisch en veilig verkennen conform het verkenningsplan en maakt een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
- • Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting en maakt zijn definitieve inzetplan.
- • Schaalt, indien nodig, op.
- • Stelt, indien nodig, zijn plan+ in werking.
- • Geeft een situatierapport aan de meldkamer.
- • Zet in op de eerste prioriteit en geeft doelcommando’s aan zijn eigen eenheid.
- • Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt, zo nodig, de inzet bij.
- • Stelt, indien nodig, zijn plan+ in werking.
- • Informeert ter plaatse komende eenheden over het incident en stemt af.
- • Coördineert de samenwerking met overige hulpverleningsdiensten.
- • Geeft de meldkamer periodiek en de OvD bij aankomst een situatierapportage.
- • Bouwt het incident af en draagt het over aan (hulpverlenings)diensten / beheerder /salvage.
- • Coördineert de personele en materiële nazorg.
- • Evalueert het incident met zijn eenheid.
- • Evalueert zijn eigen functioneren.
- • Neemt, na een traumatische ervaring, deel aan een nazorgtraject.
- • Handelt de administratie rondom het incident af.
- 1. verricht werkzaamheden op het gebied van de operationele specialistische ondersteuning bij waterongevallen. De brandweerduiker maakt deel uit van de duikploeg, die minimaal bestaat uit een duikploegleider, reddingsduiker, reserveduiker en assistent-duikploeg. De situatie ter plaatse is bepalend voor de uit te voeren taak. De brandweerduiker voert (zoek)opdrachten uit van de duikploegleider en meldt bevindingen aan de signaalhouder. De duikploeg werkt volgens procedures samen met de bemanning van een tankautospuit en andere brandweereenheden ter plaatse. Bij een oefening werkt de duikploeg zelfstandig onder leiding van de duikploegleider.
- 2. verricht zijn werkzaamheden binnen de brandweerorganisatie van de veiligheidsregio. Hij voert zijn werkzaamheden voor het grootste deel uit op de plaats van het incident of de oefening, ongeacht het tijdstip van de dag. Onder water werkt hij doorgaans alleen. Hij hanteert de bepakking van de waterongevallenwagen.
- 3. heeft een uitvoerende functie. Hij voert zijn werkzaamheden onder leiding van de duikploegleider uit. Hij draagt zorg voor zijn fysieke en mentale conditie. Hij is zelf of met de duikploeg verantwoordelijk voor het kiezen van werkzaamheden en bijbehorende middelen die passen bij de opdracht van de duikploegleider. Hij werkt volgens (veiligheids)procedures en werkafspraken.
- 4. heeft variërende werkzaamheden die in wisselende en van tevoren niet bekende situaties moeten worden toegepast. Door het werken in niet bekende situaties is het denkbaar dat de brandweerduiker moet afwijken van bestaande procedures. Dit gebeurt altijd binnen de gestelde kaders m.b.t veiligheid en na toestemming van de duikploegleider.
- > Selecteert de persoonlijke duikuitrusting en controleert deze.
- > Trekt de persoonlijke duikuitrusting aan.
- > Voert snel en vaardig een buddycheck uit.
- > Laat zich onderweg actief informeren over de verwachte aard van de inzet.
- > Deelt zijn relevante kennis met de duikploeg.
- > Bereidt zich mentaal voor.
- > De brandweerduiker kan zich moeilijk voorbereiden op een situatie die lange tijd onduidelijk kan blijven.
- > Herkent risico’s en (indirecte) gevaarsituaties (o.a. stroming, weersomstandigheden) die de veiligheid van de brandweerweerduiker en slachtoffer(s) kunnen bedreigen en meldt deze bij de duikploegleider.
- > Communiceert zijn bevindingen accuraat.
- > Werkt samen met de rest van de duikploeg en overige brandweereenheden.
- > Handelt volgens de van toepassing zijnde procedures en indien hij hiervan moet afwijken improviseert hij na toestemming van de duikploegleider.
- > De brandweerduiker weegt de verwachte resultaten van zijn opdracht af tegen de risico’s t.a.v. zijn eigen veiligheid en gezondheid.
- > Werkt in een door de duikploegleider aangegeven gebied op en in het water.
- > Gebruikt de persoonlijke duikuitrusting op een veilige manier.
- > Past verschillende zoekmethoden toe.
- > Communiceert met de signaalhouder.
- > Haalt slachtoffer(s) uit het water of een te water geraakt object.
- > Bergt op een veilige wijze objecten om slachtoffer(s) te redden.
- > Bergt op een veilige wijze objecten die een acuut gevaar opleveren voor het milieu of de scheepvaart.
- > Redt als reserveduiker in een noodsituatie de reddingsduiker.
- > Voert een oppervlakteredding uit.
- > De brandweerduiker handelt in stressvolle situaties (onder tijdsdruk, met beperkt tot geen zicht).
- > De brandweerduiker weegt de verwachte resultaten van zijn opdracht af tegen de risico’s t.a.v. zijn eigen veiligheid en gezondheid.
- > Reinigt, of ontsmet i.o.m. de duikploegleider, de persoonlijke duikuitrusting en maakt deze inzetgereed conform WOD-SOE.
- > Reinigt, of ontsmet i.o.m. de duikploegleider, de gebruikte materialen van de waterongevallenwagen en maakt samen met de rest van de duikploeg de wagen inzetgereed conform WOD-SOE.
- > Verzorgt eigen hygiëne en bevordert eigen herstel.
- > Registreert de uitgevoerde duikarbeid in het persoonlijk duiklogboek en laat dit aftekenen door de duikploegleider.
- > Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.
- > Neemt, na een traumatische ervaring, met de betrokken hulpverleners indien nodig deel aan een nazorgtraject.
- > Geeft bij tijdsdruk of tegenslag weloverwogen prioriteit aan aspecten van het eigen werk en blijft doeltreffend handelen.
- > Is een voorbeeld voor anderen door rustig en adequaat optreden.
- > Ziet het betrekkelijke in van tegenwerpingen en laat zich hierdoor niet meeslepen in emotionele meningsverschillen.
- > Bewaart de kalmte wanneer de situatie uit de hand dreigt te lopen.
- > Toont zich niet snel gespannen op het werk.
- > Is bereid zich extra in te zetten wanneer de situatie daar om vraagt.
- > Helpt anderen bij hun werk indien gewenst.
- > Staat open voor veranderingen en verbeteringen die anderen voorstellen.
- > Werkt mee als de situatie dit vereist.
- > Stelt prioriteiten en komt afspraken na.
- > Werkt binnen kaders aan het tijdig en volgens afgesproken criteria behalen van afgesproken resultaten.
- > Maakt af waar hij/zij aan begint.
- > Levert resultaten binnen de afgesproken tijd.
- > Verricht zonder hulp van anderen taken.
- > Vormt zich een eigen beeld van de situatie.
- > Vertrouwt op eigen kennis en ervaring.
- > Handelt zelfstandig maar volgens bepaalde procedures.
- > Heeft oog voor kwaliteit maar ook kwantiteit van het werk.
- > Controleert het eigen werk op tekortkomingen en herstelt gemaakte fouten.
- > Verwerkt gegevens en/of verricht handelingen met een grote mate van precisie.
- > Werkt zorgvuldig.
- 1. is verantwoordelijk voor de intake, verwerking en uitgifte van meldingen van een incident ten behoeve van de crisisbeheersing en brandweerzorg. Hij ondersteunt adequaat de incidentbestrijding en is verantwoordelijk voor de uitvoering van de multidisciplinaire opschaling. Voor een adequate intake, verwerking en uitgifte van een melding handelt de centralist meldkamer in basis volgens procedures, registreert de benodigde gegevens in het meldkamersysteem en communiceert effectief met de overige hulpverleningsdiensten en de melders. Aan de melders geeft de centralist meldkamer handelingsperspectieven. Een centralist meldkamer is werkzaam op een meldkamer binnen de Landelijke Meldkamer Samenwerking. Er wordt vanuit tien virtueel genetwerkte meldkamers gewerkt, die per locatie een of meer veiligheidsregio’s bedienen. De meldkamers bestaan uit de meldkamerfuncties veiligheidsregio/brandweer, politie, ambulancezorg en Koninklijke marechaussee. De meldkamers kunnen elkaars taken overnemen en zijn 24/7 de life line voor burgers in nood en hulpverleners.
- 2. voert volledig een intake uit en verzorgt de uitgifte van en informatievoorziening naar de eenheden en functionarissen. In bijzondere omstandigheden kan hij de intake van de andere disciplines overnemen. De centralist meldkamer heeft een regierol in drie situaties:
- a. hij heeft de regie op de incidentbestrijding totdat er contact is met een operationeel leidinggevende. Hierna is de centralist meldkamer ondersteunend aan de operationeel leidinggevende.
- b. tijdens het aanrijden is de regie op opschaling gedeeld. Als de operationeel leidinggevende ter plaatse is, neemt deze de regie over.
- c. hij heeft de regie op de restdekking bij incidenten totdat de operationeel leidinggevende dit overneemt. Vanaf dat moment heeft centralist meldkamer alleen nog een signalerende rol over de restdekking. De centralist meldkamer adviseert zelfstandig de brandweereenheden en – functionarissen, op basis van de gegevens uit de melding. Een centralist meldkamer is als centraal informatiepunt verantwoordelijk voor een adequate informatievoorziening tussen:
- > melder(s)
- > brandweereenheden en – functionarissen
- > meldkamerfunctie politie, ambulance en KMAR
- > calamiteitencoördinator
- > ketenpartners en instanties
- 3. werkt onder tijdsdruk in dynamische omstandigheden waarin hij handelingsvrijheid heeft en voortborduurt op procedures als deze niet (volledig) passen bij de situatie. De dynamische omstandigheden zijn o.a.:
- > dat hij moet werken met beperkte en ongeordende informatie.
- > dat hij gelijktijdig hulpverleningsdiensten aan moet sturen en de melder handelingsperspectieven moet geven.
- > dat hij in een korte tijd veel zaken moet regelen, afstemmen, controleren en bijsturen en vooruitdenken.
- > dat hij handelt conform standaardprocedures. De centralist meldkamer kan hiervan (gemotiveerd) afwijken indien hij dit noodzakelijk acht, omdat hij werkt met situaties waarin gegevens niet altijd volledig zijn, systemen uit kunnen vallen en materieel en capaciteit schaars kunnen zijn.
- > dat hij in zijn proces gebruik maakt van diverse, al dan niet gekoppelde, ICT-systemen.
- > hij monitort continu processen en ontwikkelingen binnen en buiten de meldkamer ten behoeve van de operationaliteit en paraatheid.
- > hij bewaakt de functionaliteit van de meldkamersystemen. Hij acteert op bevindingen die voortkomen uit een of beide taken.
- > Neemt de melding aan conform procedures.
- > Legt gegevens van de melding vast in meldkamersystemen.
- > Prioriteert en classificeert de melding.
- > Biedt de melder een handelingsperspectief.
- > Moment van alarmeren: wanneer schakelen van informatie verzamelen naar uitgifte
- > Bij schaarste in tijd: wanneer hulp aan melder beëindigen en wanneer overgaan naar aansturen eenheden en functionarissen.
- > Beoordeelt de melding en het inzetvoorstel en past dit zo nodig aan.
- > Alarmeert volgens de landelijk en regionaal geldende procedures de juiste hulpverleningsdiensten of verwijst door naar de juiste instanties.
- > Coördineert de uitruk- en inzetfase totdat de operationeel leidinggevende ter plaatse is en is hierna ondersteunend aan de operationeel leidinggevende.
- > Haalt pro actief relevante informatie en deelt dit met de (aanrijdende) eenheden en functionarissen en indien nodig met de andere hulpverleningsdiensten en ketenpartners.
- > Past de inzet aan als aanvullende informatie daar aanleiding toe geeft, conform mono- en multi(opschaling)procedures.