Art. 1 Verordening onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder, (begripsbepalingen)

Verordening onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. ‘deelneming’: deelneming als omschreven in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ook als deze deelneming wordt gehouden door een natuurlijk persoon;

b. ‘gerechtsdeurwaarder’: gerechtsdeurwaarder in de zin van artikel 1, onder c, van de Gerechtsdeurwaarderswet of waarnemend gerechtsdeurwaarder in de zin van artikel 23 van de Gerechtsdeurwaarderswet;

c. ‘gerechtsdeurwaarderskantoor’ of ‘kantoor’: het in artikel 16 van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde kantoor waar de gerechtsdeurwaarder als zodanig, alleen of met anderen, werkzaam is, met inbegrip van eventuele nevenkantoren.

d. ‘KBvG’: de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, bedoeld in artikel 56 van de Gerechtsdeurwaarderswet;

e. ‘vennootschap’: vennootschap, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, of andere rechtspersoon