Bijlage 2 Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen
Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen
Het correctievoorschrift bestaat uit: Het werk van de kandidaten wordt beoordeeld met inachtneming van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. Voorts heeft het College voor Examens op grond van artikel 2 lid 2d van de Wet CvE de Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen vastgesteld. Voor de beoordeling zijn op grond van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit de volgende passages van belang. Voor de beoordeling van het examenwerk zijn de volgende bepalingen uit de Regeling beoordeling centraal examen van toepassing: Voor het centraal schriftelijk en praktisch examen kunnen vakspecifieke regels worden vastgesteld. Zie hiervoor bijlage 3. Het beoordelingsmodel bestaat uit twee delen: het beoordelingsschema (paragraaf 4.1) en de toelichting bij het beoordelingsschema (paragraaf 4.2). In (de toelichting bij) het beoordelingsschema staan: Zie verder Bijlage 3. Het cijfer voor het cspe wordt als volgt verkregen. De examinator en de tweede examinator stellen in onderling overleg de score vast Deze score wordt meegedeeld aan de directeur. De directeur stelt het cijfer voor het cspe vast op basis van de regels voor omzetting van score naar cijfer.
- 1. Regels voor de beoordeling
- 2. Algemene regels
- 3. Vakspecifieke regels (indien van toepassing)
- 4. Beoordelingsmodel
- 5. Berekening cijfer
- 1. De directeur doet een exemplaar van de opdrachten en de beoordelingsnormen van het examen toekomen aan de examinator.
- 2. Deze beoordeelt de prestaties, voor zover van toepassing tijdens het maken van de praktijkopdrachten, volgens de door het College voor Examens gegeven richtlijn en legt zijn bevindingen schriftelijk vast in het beoordelingsschema (4.2).
- 3. De door de directeur aangewezen tweede examinator beoordeelt het resultaat van de praktijkopdrachten, alsmede de verrichtingen van de kandidaat zoals blijkend uit de in het vorige lid bedoelde schriftelijke vastlegging daarvan. De directeur overhandigt de tweede examinator daartoe een exemplaar van de opdrachten en de beoordelingsnormen.
- 4. De examinator en de tweede examinator stellen in onderling overleg de score vast.
- 5. De examinator zendt de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk aan de directeur.
- 1. De examinator vermeldt op het beoordelingsschema de namen en/of nummers van de kandidaten, het aan iedere kandidaat voor iedere opdracht toegekende aantal scorepunten en het totaal aantal scorepunten van iedere kandidaat.
- 2. De examinator kent voor een prestatie scorepunten toe in overeenstemming met het beoordelingsmodel. Wijzigen, weglaten of toevoegen van onderdelen van het beoordelingsmodel is niet toegestaan. Scorepunten zijn alleen de gehele getallen 0, 1, .., n. Waarbij n het maximaal te behalen aantal scorepunten voor een opdracht is. Andere scorepunten die geen gehele getallen zijn, of een score minder dan 0 zijn niet geoorloofd.
- 3. Scorepunten worden toegekend met inachtneming van de volgende regels:
- 3.1 voor een volledig juiste prestatie wordt bij de desbetreffende opdracht het maximaal te behalen aantal scorepunten toegekend;
- 3.2 indien een prestatie gedeeltelijk juist is, wordt indien het beoordelingsmodel dit toelaat, een deel van de te behalen scorepunten toegekend in overeenstemming met het beoordelingsmodel;
- 3.3 indien een andere prestatie is geleverd dan aangegeven in het beoordelingsmodel en deze is aantoonbaar vakinhoudelijk juist of gedeeltelijk juist worden moeten scorepunten toegekend naar analogie van het beoordelingsmodel;
- 3.4 indien in het beoordelingsmodel verschillende mogelijkheden zijn opgenomen, gescheiden door het teken /, gelden deze mogelijkheden als verschillende formuleringen van eenzelfde prestatie.
- 4. Mocht tijdens het examen een hulpmiddel niet werken en dit is niet te wijten aan het verkeerd gebruik door de kandidaat dan mag dat geen invloed hebben op de beoordeling van de kandidaat. De kandidaat mag daar in tijd en punten niet door benadeeld worden.
- 5. Indien de examinator voor het begin van het examen meent dat in het examen of in het beoordelingsmodel een fout of onvolkomenheid zit, deelt hij dit onverwijld mee aan het College voor Examens. Indien een vermeende fout of onvolkomenheid pas tijdens de afname blijkt, beoordeelt de examinator het werk van de kandidaten alsof het examen en beoordelingsmodel juist zijn. Hij kan de fout of onvolkomenheid dan alsnog mededelen aan het College voor Examens. Het is niet toegestaan zelfstandig af te wijken van het beoordelingsmodel. Met een eventuele fout wordt bij de definitieve vaststelling van de normering van het examen rekening gehouden (zie ook 5 berekening cijfer).
- 6. Als een onvolkomen prestatie in een onderdeel van het examen doorwerkt in een daaropvolgend gedeelte, mag alleen die onvolkomen prestatie en niet de verdere uitwerking daarvan worden aangerekend, tenzij daardoor het volgende gedeelte aanzienlijk wordt vereenvoudigd of tenzij in het beoordelingsmodel anders is vermeld.
- 7. Scorepunten worden toegekend op grond van de door de kandidaat geleverde prestaties voor iedere opdracht. Er worden geen scorepunten vooraf gegeven.
- • de scores per vraag;
- • de juiste antwoorden bij de minitoetsen;
- • de uitwerking van schriftelijke en ICT-opdrachten;
- • mondelinge vragen met hun correctievoorschrift die niet in het beoordelingsschema opgenomen zijn.