Bijlage 2 Regeling burgerluchthavens: als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling burgerluchthavens
Symbool Eenheid Omschrijving αl – Weegfactor in de sommatie van het baanafhankelijke en routeafhankelijke deel van de verdeling van de kansdichtheid voor undershoots zwaar verkeer αs – Weegfactor in de sommatie van het baanafhankelijke en routeafhankelijke deel van de verdeling van de kansdichtheid voor overshoots zwaar verkeer β – Vormparameter in Weibull-verdeling γ – Weegfactor in de sommatie van het baanafhankelijke en routeafhankelijke deel van de verdeling van de kansdichtheid voor landend licht verkeer η – Schaalparameter in Weibull-verdeling θ ○ Hoek van de aan- of uitvliegrichting ten opzichte van het noorden, met de positieve richting rechtsom µ – Verwachtingswaarde σ – Standaardafwijking Δθ ○ De ingesloten sectorhoek a – Schaalparameter b – Vormparameter i – Index voor een cel, bij de berekening van het plaatsgebonden risico in de cel j – Index voor een vliegtuigbeweging k – Index voor een cel, bij de berekening van de bijdrage aan het plaatsgebonden risico n – Index voor een sector ot – Ongevaltype p – Weegfactor in de sommatie van kansdichtheid verdelingsfuncties PL – De locatiekans PO – De kans op een ongeval POL – De ongevallocatiekans q – Verkeerspercentage helikopterverkeer in een sector r m Afstand tot de helikopterlandingsplaats s m De afstand tot de baankop langs een gegeven route t m De afstand loodrecht tot een gegeven route u m De afstand tot de baankop langs de baan-as v m De afstand loodrecht tot de baan-as x m Coördinaat in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting y m Coördinaat in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting Acirkelsegment m2 Het oppervlak van een cirkelsegment AOGB m2 Het oppervlak van het ongevalgevolggebied Ai m2 Het oppervlak van het cel i L – De letaliteit PR – Het plaatsgebonden risico ROGB m Straal van het ongevalgevolggebied XBK m x Coördinaat baankop XBD m x Coördinaat baandrempel XH m x Coördinaat helikopterlandingsplaats YBD m y Coördinaat baandrempel YBK m y Coördinaat baankop YH m y Coördinaat helikopterlandingsplaa
- 1. Het selecteren en toepassen van de ongevalkansen van de bewegingen met vliegtuigen en helikopters tijdens de start- en landingsfase van of naar de betreffende luchthaven. Hierbij wordt rekening gehouden met de categorie van het vliegtuig of de helikopter.
- 2. Het selecteren en toepassen van de kansverdelingen van ongevallocaties in de omgeving van de luchthaven. Het rekenmodel houdt rekening met de ligging van de start- en landingsbanen, de helikopterlandingsplaatsen, de vliegroutes en aan- en uitvliegrichtingen. De kans op een ongeval neemt af met toenemende afstand tot de vliegroute en luchthaven.
- 3. Het bepalen van de gevolgen van ongevallen. Zowel de grootte van het ongevalgevolggebied als de kans op overlijden binnen dit gebied zijn hierop van invloed. De categorie en het maximum startgewicht van de helikopter of het vliegtuig zijn daarvoor bepalend.
- 4. Door in het studiegebied voor alle bewegingen in een jaar de plaatsgebonden risico’s te berekenen en te sommeren kunnen de 10-5 en 10-6 plaatsgebonden risicocontouren worden bepaald.
- • Luchthavengegevens
- • Routes voor vliegtuigen
- • Sectorverdeling voor helikopters
- • Gegevens luchthavenluchtverkeer
- • Meteotoeslag
- A) Het luchtvaartuig voldoet aan één van de volgende criteria: In dit geval moeten de bijbehorende vliegtuig-/helikoptergegevens zelf bepaald worden en in de rapportage onderbouwd worden. Het luchtvaartuig dient als dusdanig te worden ingedeeld. Tevens dient een ‘verzoek uitbreiding lijst met standaard vliegtuiggegevens’ via GEVERS@rivm.nl ingediend te worden.
- • Civiel vliegtuig (d.w.z. gemotoriseerde vliegtuig)
- • Civiel helikopter met een MTOW tot 12.000 kg
- • Civiel variant van een militair vliegtuig
- • Civiel variant van een militaire helikopter met een MTOW tot 12.000 kg
- • Historisch militair vliegtuig.
- B) Het luchtvaartuig voldoet aan één van de volgende criteria: In dit geval dient het luchtvaartuig niet in de berekeningen verwerkt te worden.
- • Helikopter met MTOW boven 12.000 kg
- • MLA (Micro Light Aeroplane)
- • (Motor)zweefvliegtuig
- • (Motor)zeilvliegtuig
- • Autogiro
- • Overig militair vliegtuig of militaire helikopter.
- 1. Het vliegtuig wordt gebruikt voor vrachtvervoer
- 2. Het betreft geen ‘combi flight’
- 3. Het betreft geen ‘ferry flight’
- 4. Het betreft geen ‘crew training flight’.
- • Landing undershoot: een ongeval tijdens de landingsfase waarbij het vliegtuig op de grond vóór de baan terechtkomt.
- • Landing overrun: een ongeval waarbij het vliegtuig bij de landing aan het einde van de baan rijdend de baan verlaat.
- • Take-off overrun: ongeval waarbij het vliegtuig bij de take-off aan het einde van de baan rijdend de baan verlaat.
- • Take-off overshoot: een ongeval waarbij het vliegtuig nadat het is opgestegen weer op de grond terechtkomt.
- 1. de selectie van verdelingsfuncties
- 2. de transformatie van de coördinaten van het celmiddelpunt
- 3. singuliere punten en discontinuïteiten
- 4. toepassen van de verdelingsfuncties
- • als de projectie van punt P op het eerste routesegment voorbij het einde van het routesegment valt;
- • en als de projectie van punt P op het volgende routesegment voor het begin van het volgende routesegment valt.
- 1. Bij een startpunt aan de rand van het netwerk. Ga na of op één van de drie overige zijden van betreffende netwerkvierkant tekenomslag plaatsvindt. Is dit het geval, dan wordt op die zijde een volgend omslagpunt berekend. Indien op alle drie zijden tekenomslag plaatsvindt, dan moeten omslagpunten berekend worden op beide aanliggende zijden. Het omslagpunt dat volgt op het startpunt is het punt met de kortste afstand tot het startpunt.
- 2. Bij een startpunt binnen het netwerk. De volgorde waarin de netwerkzijden van de aangrenzende netwerkvierkanten worden onderzocht op tekenomslag is willekeurig. Indien tekenomslag plaatsvindt op alle drie overige zijden van een netwerkvierkant, dan wordt het volgende omslagpunt bepaald op soortgelijke wijze als onder 1.
- 3. Bij een omslagpunt dat geen startpunt is. Bepaald wordt welk van de twee aan het omslagpunt grenzende netwerkvierkanten voor verdere verwerking in aanmerking komt. Dit is het netwerkvierkant dat voor de bepaling van dat omslagpunt nog niet gebruikt is.
- 1. het gevonden omslagpunt valt samen met het startpunt,
- 2. het gevonden omslagpunt ligt op de rand van het netwerk.
- 1. De gestileerde contouren vormen het gebied waar de wettelijke beperkingen voor 10-5 en 10-6 gelden. Dit houdt in dat er geen onderscheid meer is tussen gebied binnen de berekende modelcontour en extra, omwille van stilering, toegevoegd gebied.
- 2. De gestileerde contouren vormen het uitgangspunt voor het omgevingsplan.
- 3. De keuze voor de wijze van stileren moet direct gerelateerd zijn aan het gebruik van de luchthaven en mag geen andere beleidsdoeleinden dienen, zoals het openhouden van gebieden of onnodig weren van ruimtelijke functies.
- 4. Lange smalle uitlopers van risicocontouren (zogenaamde ‘risicostaarten’) kunnen afgekapt worden op een bepaalde afstand van de baankop. De afstand voor afkap van de contour is ofwel;
- a. de afstand waar de breedte B van de contour smaller wordt dan 60 m, of
- b. de afstand waar de contour smaller is dan 2% van de lengte L van de contour (B < 0,02L). Voorbeeld: afkap van de contour op 3.500 m van de baankop als de contour daar smaller wordt dan 70 m.
- 5. Eilanden in het verlengde van de contour kunnen worden weggelaten indien smaller dan 60 meter.
- 6. Bij het stileren kan aangesloten worden bij ‘logische’ ruimtelijke begrenzingen als perceelgrenzen, infrastructuur, gebiedsgrenzen en bebouwing. Dit mag evenwel niet tot een vermindering van het aantal (beperkt) kwetsbare bestemmingen leiden, bijvoorbeeld omdat ze wel binnen de zone liggen bij een afkap bij 60m breedte. Het gaat hierbij om zowel bestaande als toekomstige bestemmingen.
- 7. Bij circuits is afkap mogelijk na de eerste en voor de laatste bocht van 90 graden in het horizontale vlak ten opzichte de baan.
- 8. Een rafelig of zaagtand-achtig verloop van de contour kan worden vervangen door een rechte lijn tussen de hoekpunten.
- 9. De gestileerde contour dient minimaal de vorm en oppervlakte van de berekende modelcontour, exclusief ‘afgekapte staart’, op hoofdlijn te handhaven en mag dus niet leiden tot kleinere gebieden dan waar de berekende risico’s voorkomen.
- 10. Het stileren dient plaats te vinden op een kaart waarbij de breedte van de gestileerde contourlijn passend is om te kunnen bepalen of de objecten binnen of buiten de contour liggen. Om deze rede en conform de Wet ruimtelijke ordening is het aan te bevelen om de gestileerde contouren middels zogenoemde ‘GIS-bestanden’ digitaal beschikbaar te hebben.