Art. 5 Mandaatbesluit bewaarders van het kadaster en de openbare registers, Algemene aanwijzingen voor de uitoefening van het (sub)mandaat en (sub)machtiging
Mandaatbesluit bewaarders van het kadaster en de openbare registers
1. De uitoefening van de bevoegdheid verkregen bij de mandaten en machtigingen geschiedt door de gemandateerde en gemachtigde binnen de grenzen van de hem opgedragen taken.
2. De gemandateerde en gemachtigde neemt bij de uitoefening van de aan hem verleende mandaten en machtigingen de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en de instructies van bewaarder in acht, alsmede de bepalingen van dit besluit.
3. Alle gevallen waarin de gebruikmaking van de in dit besluit omschreven mandaten en machtigingen zou leiden tot het nemen van een beslissing waarvan de juistheid of redelijkheid kan worden betwijfeld, dienen aan de bewaarder te worden voorgelegd.
4. Indien toepassing van de in dit besluit omschreven mandaten en machtigingen zou leiden tot het nemen van een beslissing die niet in overeenstemming zou zijn met de door de bewaarders vastgestelde instructies, omdat ter zake onduidelijke instructies zijn vastgesteld, dient het geval aan de betrokken bewaarder te worden voorgelegd voor het (nader) vaststellen van instructies, op grond waarvan de gemandateerde en gemachtigde vervolgens een beslissing neemt.