Bijlage 1 Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien): specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen per actie
Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden in de resterende programmaperiode nog door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 mei 2012, 09.00 uur, tot en met 30 juni 2014, 17.00 uur. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak bedoeld in artikel A2, € 60.000.000,–. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing van personen uit de doelgroepen, bedoeld in artikel A6, te vergroten. Een project in het kader van hoofdstuk I, gemeenten, richt zich op personen die behoren tot één of meer van de volgende doelgroepen: Een project, in het kader van dit hoofdstuk, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien: Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel A5 ondersteunen: Met betrekking tot projecten in het kader van dit hoofdstuk komen bij de projecten betrokken colleges van burgemeester en wethouders in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 5.000.000,– per aanvraag. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het UWV. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden in de resterende programmaperiode nog door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 15 augustus 2012, 09.00 uur, tot en met 15 september 2012, 17.00 uur. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A12, € 40.000.000,–. Een project in het kader van dit hoofdstuk, heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing te vergroten van personen uit de, in artikel A15 omschreven, doelgroep. Een project in het kader van dit hoofdstuk richt zich op personen die behoren tot een of meer van de volgende doelgroepen: De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daarto
- 1. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie A als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, wordt aangevraagd door:
- a. het college van burgemeester en wethouders van een gemeente,
- b. het UWV.
- 2. Op aanvragen ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente zijn de bepalingen van Hoofdstuk I van dit onderdeel van toepassing en op aanvragen van het UWV zijn de bepalingen in Hoofdstuk II van dit onderdeel van toepassing.
- 1. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een bij het project betrokken college van burgemeester en wethouders.
- 2. Indien wordt samengewerkt met andere bij het project betrokken partijen wordt één college van burgemeester en wethouders aangewezen als aanvrager.
- a. niet-uitkeringsontvangers;
- b. arbeidsbelemmerden, dan wel gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV, alsmede jonggehandicapten;
- c. 55-plussers met een WWB-uitkering, een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een IOAW-uitkering, een IOAZ- uitkering, of een uitkering van het UWV.
- 1. De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.
- 2. Per aanvrager wordt slechts één subsidie aanvraag tegelijk in behandeling genomen.
- 3. In aanvulling op het voorgaande lid kan een aanvrager maximaal één maand voor afloop van de projectperiode van een lopend project, waaraan subsidie is verleend in het kader van dit hoofdstuk, een nieuwe aanvraag indienen.
- a. het project past binnen het doel, omschreven in artikel A5;
- b. het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag; en
- c. de in de subsidieaanvraag begrote kosten van het project ten minste € 250.000,– bedragen.
- a. activiteiten gericht op het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van deelnemers, met inbegrip van re-integratietrajecten waaronder begrepen scholing, training en begeleiding;
- b. werving van niet-uitkeringsontvangers voor het project. De hiermee samenhangende kosten bedragen maximaal 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.
- a. arbeidsbelemmerden;
- b. gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV;
- c. jonggehandicapten.
- a. het project past binnen het in artikel A14 omschreven doel,
- b. het project een duur heeft van ten hoogste 40 maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag, en
- c. De begunstigde tijdig een tussentijds verzoek tot vaststelling, overeenkomstig artikel 18, tweede lid, indient.
- 1. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie B, worden in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 16 december, 09.00 uur, tot en met 31 december, 17.00 uur.
- 2. Een subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie B, wordt in het jaar 2014 ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2014, 09:00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17:00 uur.
- a. voor aanvragen, ingediend in 2009: € 15.000.000,–;
- b. voor aanvragen, ingediend in 2010: € 15.000.000,–;
- c. voor aanvragen, ingediend in 2011: € 15.000.000,–;
- d. voor aanvragen, ingediend in 2012: € 11.000.000,–;
- e. voor aanvragen, ingediend in 2013: € 10.000.000,–;
- f. voor aanvragen, ingediend in 2014: € 15.000.000,–.
- a. het project past binnen het hogergenoemde doel;
- b. het project een duur van ten hoogste 15 maanden heeft;
- c. het project start uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag
- d. ten aanzien van de in het doel genoemde personen de methodiek van individuele trajectbegeleiding wordt toegepast.
- a. activiteiten in het kader van individuele trajectbegeleiding;
- b. scholing en training;
- c. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen, passend binnen het doel, bedoeld in artikel B4, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.
- 1. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 9.00 uur tot en met 28 februari, 17.00 uur.
- 2. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 17 januari, 9.00 uur tot en met 28 januari, 17.00 uur.
- 3. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 15 maart 2012, 9.00 uur tot en met 30 maart 2012, 17.00 uur.
- 1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:
- a. voor aanvragen, ingediend in 2009: € 40.000.000,–;
- b. voor aanvragen, ingediend in 2010: € 24.000.000,–;
- c. voor aanvragen, ingediend in 2011: € 24.000.000,–;
- d. voor aanvragen, ingediend in 2012: € 48.000.000,–.
- 2. De maximumsubsidie per aanvrager per aanvraagtijdvak bedraagt € 450.000,–.
- 1. die in de periode van twaalf maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de start van het project, ingeschreven hebben gestaan bij een school zoals bedoeld in artikel C1 of die ten tijde van het project staan ingeschreven bij een dergelijke school, en
- 2. die naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs ondersteuning nodig hebben en/of die na het verlaten van de school begeleiding nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie.
- a. het concreet omschreven, schooleigen project past binnen het in artikel C4 omschreven doel;
- b. het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft; en
- c. het project start na 31 juli van een kalenderjaar, doch uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag.
- 1. arbeidskundig onderzoek, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 900,– bedragen;
- 2. leerlingwerkplaatsen in directe samenhang met branches en bedrijven, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de school, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 3000,– bedragen;
- 3. branchegerichte cursussen met een civiel effect, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 4000,– bedragen;
- 4. vormgeven en intensivering van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 2000,– bedragen; of
- 5. opleidingen in het kader van professionalisering van docenten en schoolleiders, die aantoonbaar rechtstreeks gericht zijn op de onder punt 1 tot en met 4 genoemde activiteiten, voor zover deze leiden tot een certificaat of diploma en voor zover de kosten per docent of schoolleider ten hoogste € 2000,– bedragen, met een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen voor subsidie in aanmerking komende kosten;
- 6. ondersteuning van de onder 1 tot en met 4 genoemde activiteiten door netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie;
- 7. ontwikkelingsactiviteiten gericht op activiteiten als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.
- 1. Projecten in het kader van Actie C van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling niet eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben voorrang op projecten van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend.
- 2. Met betrekking tot de projecten van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben projecten die in hogere mate voldoen aan de criteria arbeidsmarktgerichtheid, innovatief gehalte en netwerkgerichtheid, voorrang op de projecten die in mindere mate aan die criteria voldoen.
- 3. De mate waarin voldaan wordt aan de criteria wordt beoordeeld door het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C. Het Comité van experts kent aan zijn beoordeling een score toe en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister.
- 4. Indien de beoordeling ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, heeft het project van een subsidieaanvrager aan wie minder vaak subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, voorrang op het project van een subsidieaanvrager aan wie vaker subsidie voor een dergelijk project is verleend.
- 5. Indien na toepassing van het voorgaande lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, hebben subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor voortgezet speciaal onderwijs voorrang op subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor praktijkonderwijs.
- 6. Indien na toepassing van het voorgaande lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, worden die subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.
- a. voor aanvragen, ingediend in 2009: € 150.000.000,–;
- b. voor aanvragen, ingediend in 2010: € 150.000.000,–;
- c. voor aanvragen, ingediend in 2011: € 225.000.000,–.
- 1. Een project in het kader van Actie D komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen het doel, zoals omschreven in artikel D4;
- b. het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat het project uitvoert of doet uitvoeren, dan wel, het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds waarmee in het kader van het project wordt samengewerkt;
- c. het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag;
- d. het project gericht is op een in het CREBO opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt.
- 2. De begunstigde toetst of de opleidingen binnen het project, welke niet in het CREBO register zijn opgenomen, voldoen aan de vereisten gesteld in het voorgaande lid. Desgevraagd verstrekt de begunstigde aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen informatie waaruit blijkt dat aan deze vereisten is voldaan.
- 3. De begunstigde toont aan dat het opleidingsniveau van de deelnemers maximaal MBO-4 niveau is. Dit kan door middel van een verklaring van de werkgever voor alle deelnemers of door middel van een verklaring van de individuele deelnemer over zijn opleidingsniveau.
- 1. Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel D4 ondersteunen:
- a. opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau, alsmede de toepassing van de EVC-procedure;
- b. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.
- 2. Bedrijfsspecifieke opleidingen, EHBO cursussen en BHV cursussen zijn uitgesloten van subsidie.
- 1. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, wordt met betrekking tot een project in het kader van Actie D het in artikel 12 genoemde percentage van 40% verhoogd:
- a. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen bestaat;
- b. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren van 15 jaar of ouder, doch jonger dan 24 jaar bestaat;
- c. met 1 procentpunt, indien ten minste 10% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit gedeeltelijk-arbeidsgeschikten of personen met een WSW-indicatie, bestaat;
- d. met 1 procentpunt, indien ten minste 40% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit werkenden zonder startkwalificatie bestaat;
- e. met 1 procentpunt, indien het aantal vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen van werknemers; economische activiteit en geslacht’.
- 2. Bij de beoordeling of het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag, zoals bedoeld in artikel 10 lid 3 van deze regeling, is bereikt blijft de verhoging van het subsidiepercentage zoals hierboven bedoeld buiten beschouwing.
- 3. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat minder dan 60% van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag waarop aanspraak zou bestaan verlaagd met 5%.
- 4. Het derde lid is slechts van toepassing ten aanzien van projecten waarvoor na 1 oktober 2010 subsidie is aangevraagd.
- 1. Met betrekking tot projecten in het kader van Actie D komen subsidieaanvragers per aanvraagtijdvak in aanmerking voor subsidie tot een maximum van 2% van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag per aanvraagtijdvak.
- 2. Voor het aanvraagtijdvak februari 2011 komen subsidieaanvragers in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 4.000.000,– .
- 1. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie E, bedoeld in artikel 4, onderdeel e, wordt aangevraagd door:
- a. een natuurlijke- of rechtspersoon die een arbeidsorganisatie in stand houdt.
- b. een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (O&O fonds) dat door de minister op grond van de erkenningsregeling als subsidieaanvrager is erkend.
- 2. Op aanvragen ingediend door een aanvrager als bedoeld onder a zijn de bepalingen van Hoofdstuk I van dit onderdeel van toepassing en op aanvragen van O&O fondsen als bedoeld onder b zijn de bepalingen in Hoofdstuk II van dit onderdeel van toepassing.
- a. procesverbetering: het binnen de arbeidsorganisatie(s) verbeteren, herschikken en innoveren van bedrijfsprocessen.
- b. duurzame inzetbaarheid: het creëren van een cultuuromslag gericht op gezond, vitaal en productief werken van indiensttreding tot aan pensionering, door:
- – het stimuleren van regionale en intersectorale arbeidsmobiliteit van werknemers,
- – arbeidstijdenmanagement,
- – het bevorderen van gezond, vitaal en veilig werken, of
- – het bevorderen van zelfredzaamheid op de werkvloer.
- 1. De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.
- 2. Per aanvrager wordt slechts één subsidie aanvraag in behandeling genomen.
- 3. Op een volledige aanvraag wordt na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E2, in afwijking van artikel 8, vijfde lid, binnen achttien weken beslist.
- 4. In geval het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies met betrekking tot dit hoofdstuk, het in artikel E4 vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, verdeelt de minister de beschikbare middelen op basis van een bij loting door de notaris vastgestelde volgorde na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E3.
- 5. In de in het voorgaande lid bedoelde situatie is artikel 9, derde lid, niet van toepassing.
- a. het project past binnen het in artikel E5 omschreven doel;
- b. het project een duur van ten hoogste negen maanden heeft;
- c. het project uiterlijk binnen vier weken na verzending van het besluit tot verlening van de subsidie start;
- d. werknemers van de subsidieaanvrager actief en aantoonbaar betrokken worden bij het project; en
- e. drie referenties van drie verschillende opdrachtgevers worden overgelegd met betrekking tot de kennis en ervaring op het terrein van sociale innovatie van de beoogde adviseur of adviseurs.
- a. aan aanvragers aan wie op grond van Actie E reeds subsidie is toegekend en van wie het verzoek tot vaststelling van de subsidie nog niet is ontvangen;
- b. aan aanvragers aan wie op grond van enige andere subsidieregeling voor het project subsidie is of zal worden verstrekt.
- a. het opstellen van een diagnose of advies; of
- b. het in de praktijk laten uittesten of implementeren van een plan van aanpak.
- 1. Wanneer de aanvraag aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet verleent de minister steeds een subsidie van maximaal € 18.000,–.
- 2. Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van de ingehuurde adviseur gemaximeerd op € 125,– exclusief BTW.
- 3. Voor aan de subsidieaanvrager in rekening gebrachte BTW wordt geen subsidie verleend.
- 4. De subsidie wordt op € 0,– vastgesteld wanneer de kosten van de adviseur, bedoeld in artikel E8, lager zijn dan € 13.000,–.
- 1. In afwijking van artikel 18, eerste lid, dient de begunstigde binnen vier weken na beëindiging van het project in het kader van dit hoofdstuk, een verzoek tot vaststelling in bij de minister. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt de door de adviseur opgestelde diagnose, het advies, het implementatieplan of een verslag gevoegd en de factuur of facturen van de adviseur(s) en de bijbehorende algemeen aanvaarde betalingsbewijzen.
- 2. De minister beslist, in afwijking van artikel 18, derde lid, binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling.
- 1. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (O&O fonds), dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in Bijlage 2 van deze regeling, als subsidieaanvrager is erkend.
- 2. Indien wordt samengewerkt met andere bij het project betrokken partijen wordt één O&O fonds aangewezen als subsidieaanvrager.
- 1. In het kader van dit hoofdstuk kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd voor projecten die sociale innovatie in de sector stimuleren en specifiek gericht zijn op duurzame inzetbaarheid. Hierbij wordt onder duurzame inzetbaarheid verstaan: het vermogen om gezond, vitaal en productief te blijven tot aan de pensioenleeftijd en de arbeidsproductiviteit te vergroten.
- 2. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking wanneer het project is gericht op ten minste één van de onderstaande thema’s:
- a. het stimuleren van arbeidsmobiliteit van werknemers, waaronder regionale en intersectorale arbeidsmobiliteit;
- b. het bevorderen van gezond, veilig en vitaal werken en arbeidstijdenmanagement;
- c. het bevorderen van sociaal innovatief en duurzaam ondernemerschap en employability.
- 1. De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.
- 2. Er worden per aanvrager maximaal vier subsidieaanvragen tegelijk in behandeling genomen, waaronder
- a. maximaal drie aanvragen als bedoeld in artikel E16;
- b. maximaal één aanvraag die uitsluitend gericht is op het thema intersectorale arbeidsmobiliteit en waarbij aantoonbaar wordt samengewerkt met een andere partij of partijen.
- 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen het in artikel E16 omschreven doel;
- b. het project een duur van ten hoogste vijftien maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag;
- c. drie referenties van drie verschillende opdrachtgevers worden overgelegd met betrekking tot de kennis en ervaring op het terrein van sociale innovatie van de beoogde externe adviseur of adviseurs.
- 2. Niet voor subsidie in aanmerking komen projecten die gericht zijn op technische innovatie of op het uitvoeren van scholingsactiviteiten.
- 1. In afwijking van artikel 13 komen enkel voor subsidie in aanmerking de kosten van de door een adviseur of intern personeel werkelijk gerealiseerde uren om te komen tot in ieder geval twee of meer van de onderstaande producten, ter uitvoering van één of meer thema’s uit artikel E16:
- a. een rapport van onderzoek naar, of analyse van de stand van zaken binnen de sector;
- b. een sectoraal beleidsplan met concrete doelstellingen en de haalbaarheid daarvan;
- c. een communicatie- of voorlichtingsplan voor de sector, gericht op bewustwording of op implementatie;
- d. een plan voor effectieve monitoring van de activiteiten op het gebied van duurzame inzetbaarheid;
- e. de uitvoering en het verslag van een pilot of meerdere pilots, waarin sociaal innovatieve instrumenten, methoden en werkwijzen zijn getest;
- f. de uitvoering en een verslag van voorlichtingsactiviteiten en/ of communicatie activiteiten;
- g. de uitvoering en het verslag van een sectoraal beleidsplan;
- h. de uitvoering en het verslag van een plan voor effectieve monitoring van de activiteiten op het gebied van duurzame inzetbaarheid.
- 2. Aanvragers zijn verplicht om in ieder geval één product als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, f, g, of h, op te leveren.
- 3. De producten dienen bij de einddeclaratie te worden gevoegd.
- 4. De aanvrager betrekt organisaties die onder de werkingssfeer van het O&O fonds vallen actief en aantoonbaar bij het project, hetgeen moet blijken uit de op te leveren producten.
- 5. De minister maakt de producten openbaar op grond van artikel 19, zevende lid.
- 6. Kosten voor intern personeel komen enkel voor subsidie in aanmerking voor zover deze aantoonbaar ten behoeve van het project gemaakt zijn en berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% en het aantal werkbare uren per jaar. Enkel bij een voltijds inzet van intern personeel kan gebruik gemaakt worden van een addendum bij de arbeidsovereenkomst.
- 1. De subsidiabele kosten bedragen per project minimaal € 120.000,– en maximaal € 320.000,–.
- 2. Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van de ingehuurde adviseur gemaximeerd op € 125,– exclusief BTW.
- 3. Artikel 13, vierde lid, is niet van toepassing, tenzij de aanvrager aanbestedingsplichtig is op grond van de toepasselijke wettelijke regelingen.
- 4. Indien bij het indienen, dan wel het controleren van de einddeclaratie blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.
- 1. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd wordt aangevraagd door:
- a. het college van burgemeester en wethouders van een coördinerende gemeente, zoals genoemd in artikel 1 van de regeling; of
- b. een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in Bijlage 2 van deze regeling als subsidieaanvrager is erkend, mits aantoonbaar een sectorarrangement is afgesloten.
- 2. In deze regeling wordt onderscheiden Actie Jeugd 1, ten behoeve van de coördinerende gemeenten, en Actie Jeugd 2, ten behoeve van Opleidings & Ontwikkelingsfondsen als aanvrager.
- 1. De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd 1, gericht op coördinerende gemeenten, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt door de minister ontvangen in de periode van 2 december 2013, 09.00 uur tot en met 17 januari 2014, 17.00 uur.
- 2. De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd 2, gericht op O&O fondsen, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt in het kalenderjaar 2010 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2010, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2010, 17.00 uur.
- a. voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in 2009: € 25.000.000,–;
- b. voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 2, ingediend in 2009: € 24.000.000,–;
- c. voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in de periode van 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011: € 35.000.000,–;
- d. voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 2, ingediend in 2010: € 25.000.000,–;
- e. voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014: € 61.600.000,–.
- 1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 1 voor aanvragen, ingediend in de periode van 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011, is per coördinerende gemeente vastgelegd in bijlage 4.
- 2. Voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 2 bedraagt het maximaal beschikbare bedrag per aanvrager € 2.000.000,–.
- 3. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 1 voor aanvragen, ingediend in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014, is per coördinerende gemeente Actie Jeugd 1 in 2013–2015, vastgelegd in bijlage 5.
- 1. Een project in het kader van Actie Jeugd komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen het doel, zoals omschreven in artikel J 4;
- b. een project in het kader van Actie Jeugd 1, zoals omschreven in artikel J2, eerste lid, een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de indiening van een volledige aanvraag;
- c. het project in het kader van Actie Jeugd 2 als bedoeld in artikel J2, tweede lid, een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de indiening van een volledige aanvraag;
- c. bij de aanvraag van een project door een O&O-fonds een sectorarrangement is overgelegd;
- d. de kosten van het project van een O&O-fonds meer bedragen dan € 1.250.000,–.
- 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, heeft een project in het kader van Actie Jeugd 1 als bedoeld in artikel J2, eerste lid, een duur tot uiterlijk 1 november 2015, indien de aanvraag door de minister is ontvangen in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014. De duur van de subsidieverlening wordt ambtshalve tot 1 november 2015 verlengd.
- 1. Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel J4 ondersteunen:
- a. met betrekking tot Jeugd 1: activiteiten die gericht zijn op het vergroten van duurzame arbeidsinpassing met inbegrip van re-integratietrajecten, waaronder begrepen scholing, training en begeleiding, dan wel die aansluiten bij het regionale plan van aanpak, actieplan, of het Actieplan Jeugdwerkloosheid;
- b. met betrekking tot Jeugd 2: activiteiten die aansluiten bij de afspraken uit het sectorarrangement.
- 1. Het door de minister ingestelde Comité van experts Actie Jeugd zal de aanvragen die zijn ingediend in het kader van Actie Jeugd 2 toetsen aan de hand van de hieronder beschreven kwalitatieve criteria. De mate waarin voldaan wordt aan deze criteria wordt beoordeeld door het Comité. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen. Het Comité van experts rangschikt de aanvragen en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister. De criteria zijn:
- a. aansluiting bij het actieplan jeugdwerkloosheid;
- b. de mate waarin aandacht wordt geschonken aan kwetsbare jongeren;
- c. de mate waarin een sector vergrijsd is en op korte en middellange termijn te maken krijgt met tekorten;
- d. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het project;
- e. de mate waarin aan een aanvrager al eerder subsidie is toegekend in het kader van de ESF 2007–2013, Actie Jeugd, waarbij aanvragers aan wie niet eerder subsidie is toegekend voorrang hebben op aanvragers aan wie wel al eerder subsidie is toegekend in het kader van Actie Jeugd van deze regeling.
- 2. Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.
- 1. Indien het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in artikel J3, onderdeel e, niet wordt bereikt en er aanvragers zijn die een aanvraag hebben ingediend voor een bedrag hoger dan het op grond van artikel J5, derde lid, voor hen beschikbare bedrag, kan de minister besluiten die aanvragers dat hogere subsidiebedrag te verlenen.
- 2. Indien het bedrag, noodzakelijk voor de hogere bedragen van de subsidieaanvragen in verband met het subsidieplafond, bedoeld in artikel J3, onderdeel e, niet toereikend is voor het verlenen van de subsidie in overeenstemming met die aanvragen, verleent de minister aan die aanvragers een hoger bedrag aan subsidie, rekening houdend met het aantal jongeren per arbeidsmarktregio, dat is geregistreerd als werkloze werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.