Bijlage 3 Regeling vaststelling invaliditeit met dienstverband
Regeling vaststelling invaliditeit met dienstverband
Dit protocol is opgebouwd uit twee delen: Beide delen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit protocol is auteursrechtelijk beschermd. Het is niet toegestaan dit werk zonder toestemming van het Ministerie van Defensie openbaar te maken of te vermenigvuldigen. Artsen die met dit protocol willen werken moeten hiervoor specifieke scholing hebben gevolgd. Dit protocol is opgesteld door: Externe adviseurs: Dit MUPS/LOK protocol dient te worden gezien als een aanvulling op het WIA-IP protocol 2007 van Defensie. De aanvullingen betreffen voornamelijk de diagnosestelling, de causaliteit en de verzekeringsgeneeskundige onderzoeksbevindingen. Het duiden van de beperkingen in het kader van de invaliditeitsbeoordeling krijgt hierbij de bijzondere aandacht. Onderstaand wordt de aanvullingen schematisch weergegeven. Dit protocol is een eerste aanzet om de verzekeringsgeneeskundige, de dienstverband- (DV) en de invaliditeitbeoordeling (IP) te harmoniseren. Het is ontwikkeld voor de beoordeling van militairen met lichamelijk onverklaarde chronische klachten (LOK) na uitzendingen en te beschouwen als een aanvulling op het WIA-IP protocol van Defensie. Het MUPS/LOK protocol gaat in op de relevante diagnostische criteria en behandelingen. Ook worden handvatten voor de causaliteitsvraag (wel of niet door de uitzending ontstaan?) gegeven. Het protocol beschrijft vooral een methode voor de vertaling van de klachten naar hierdoor veroorzaakte beperkingen en geeft richtlijnen voor het vaststellen van het invaliditeitspercentage. De Gezondheidsraad heeft recent (2007) het WIA protocol ‘CVS’ (chronisch vermoeidheidsyndroom) gepubliceerd, waarin ook de MUPS/LOK bij militairen na uitzending wordt genoemd. Het voorliggende MUPS/LOK protocol sluit hierbij aan maar brengt bovendien de beoordeling van de militaire invaliditeit in beeld met concrete richtlijnen voor het vastleggen van de causaliteit, de beperkingen en het schatten van het invaliditeitspercentage. Het protocol ‘CVS’ bevat eleme
- 1. een beschrijvend deel, waarin de diagnostiek, de behandeling, het dienstverband, de causaliteit en de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van MUPS/LOK bij militairen na uitzendingen wordt verwoord.
- 2. drie bijlagen met een beschrijving van de LOK-poli, de beoordelingslijst voor het vastleggen van de beperkingen bij militairen met MUPS/LOK na uitzending en een bureaulegger voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling .
- – J.H. Paulusma-de Waal, arts beleid en advies, RGA, Internist n.p. Medisch adviseur sociaal medisch beleid Ministerie van Defensie.
- – Kolonel-arts dr. E. Vermetten, psychiater, hoofd wetenschappelijk onderzoek MGGZ Defensie. Voorzitter NATO HFM (Human Factors in medicine) MUPS
- – S. Knepper, Centraal stafverzekeringsarts kwaliteitsborging UWV, RGA, Medisch adviseur UWV, Lid commissies Donner I en II, Lid Raad van Advies Medisch Contact.
- – Prof. Dr. G.F. Koerselman, hoogleraar psychiatrie Universitair Medisch Centrum Utrecht, afdeling Psychiatrie Academisch Ziekenhuis Utrecht.
- – Prof. Dr. J.H.B.M. Willems, bedrijfsarts, bijzonder hoogleraar sociale verzekeringsgeneeskunde Universiteit van Amsterdam.
- II: MUPS / LOK bij militairen na uitzendingen wordt gekenmerkt door het feit dat tegelijkertijd in veel meer verschillende klachtengebieden symptomen voorkomen.
- III: MUPS / LOK bij militairen na uitzendingen wordt gekenmerkt door het feit dat de klachten in een veel hogere frequentie voorkomen dan in de normale populatie.
- 1. patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten accepteren de diagnose ‘onverklaarde lichamelijke klachten’ niet, omdat artsen naar hun mening onvoldoende kennis, ervaring en vaardigheden hebben om bij hen een geaccepteerde diagnose te stellen en hen adequaat te behandelen;
- 2. patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten behoren niet per definitie bij de psychiater, behalve als er sprake is van een chronische, ernstige somatoforme stoornis. Zij hebben dikwijls multipele complexe problemen en zouden het best behandeld kunnen worden door een team van samenwerkende medisch specialisten en paramedici;
- 3. patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten kunnen effectief worden behandeld met cognitieve gedragstherapie. Hiervoor zijn verschillende cognitieve modellen beschikbaar. Het ‘reattributiemodel’ richt de aandacht vooral op het herstel van een leefbaar leven, terwijl het ‘gevolgenmodel’ als doel heeft de gevolgen van de onverklaarde lichamelijke klachten te reduceren. Een aanpak volgens het reattributiemodel kan worden gevolgd door die van gevolgenmodel;
- 4. de ontwikkeling van een richtlijn voor de diagnostiek en de behandeling van onverklaarde lichamelijke klachten zou ten goede komen aan de kwaliteit van patiëntenzorg, zou invaliditeit door de klachten verminderen, zou mogelijkheden voor reïntegratie bevorderen en zou wetenschappelijk onderzoek stimuleren;
- 5. zowel in het medisch onderwijs als in de medisch-specialistische vervolgopleidingen is de theoretische en praktische training op het gebied van onverklaarde lichamelijke klachten momenteel onvoldoende. Wetenschappelijk onderzoek is hard nodig om te komen tot een evidence-based richtlijn.
- 1. De diagnostiek vindt plaats op basis van exclusie. Indien de klachten verklaard kunnen worden vallen zij buiten dit kader. De rekbaarheid en uitgebreidheid van de diagnostiek is een kritische factor alvorens tot onverklaarbaarheid wordt geconcludeerd. De beoordeling van het medische voortraject is hierbij van belang. De somatische status van iedere patiënt moet in detail beoordeeld worden.
- 2. Zoveel mogelijk informatie over de patiënt moet worden opgevraagd bij eerdere behandelaars en gedetailleerd worden beoordeeld op consistentie, systematiek en compleetheid van dossier. Bij deze beoordeling dient te worden gezocht naar een somatische basis/verklaring voor de aanmeldingsklachten. Immers, alleen als die basis ontbreekt, kan een patiënt worden toegelaten tot de LOK-poli. Er wordt beoordeeld of in de voorgeschiedenis al het nodige is gedaan om lichamelijke oorzaken van het ziek zijn te kunnen verwerpen
- 3. Op basis van voorgaande twee punten wordt overwogen of aanvullend onderzoek geïndiceerd is. Procesmatig worden hierbij de volgende lijnen gevolgd: Op dossier niveau vindt allereerst overleg plaats met de desbetreffende orgaanspecialist. Bij positief advies aan de LOK-indicatiecommissie wordt dit aanvullend onderzoek door specialisten van het CMH verricht, op vooraf afgesproken condities en met terugverwijzing naar de LOK-polikliniek.
- 4. Indien sprake is van een LOK beeld zal een uitsplitsing worden gemaakt naar MUPS/LOK bij militairen na uitzendingen en naar andere onverklaarde symptoomcomplexen/algemene LOK-beelden.
- • De MUPS/LOK klachten mogen vóór de uitzending niet aanwezig zijn geweest.
- • De MUPS/LOK klachten moeten zich tijdens of tot binnen 2 jaar na de uitzending hebben voorgedaan met daaraan gekoppeld een noodzaak tot medische behandeling, c.q. een medisch professionele hulpvraag moet in die periode zijn gesteld.
- • Een medische diagnose of medische verklaring, ook in de algemene psychiatrische classificatie ontbreekt.
- – Spelen (co-morbide) stoornissen zoals stemmingsstoornissen/angststoornissen, PTSS/depressies een rol?
- – Zijn er somatisch objectiveerbare stoornissen
- – Zijn er preëxistente aandoeningen?
- – Zijn er luxerende factoren geweest/sprake van predispositie?
- – Zijn er ziektebestendigende factoren?
- – Zijn er stressoren in de privé en/of werkomgeving die van belang zijn?
- – Zijn lichamelijke klachten en beperkingen aanwezig?
- – Is er sprake geweest van adequate therapie/begeleiding (niet alleen inzichtgevende therapie)
- – Waarop richtte zich het behandelplan vooral? Wat zijn, volgens dat behandelplan, de belangrijkste belemmeringen voor herstel geweest?
- – Zou betrokkene, vroeger of later, deze klachten mogelijk ook hebben gekregen als hij/zij niet uitgezonden was geweest?
- • Een afdoende medische diagnose of medische verklaring, ook in de psychiatrische classificatie ontbreekt.
- • Beoordeling/behandeling heeft plaatsgevonden door of via de LOK poli (zodra deze operationeel is en bekend binnen Defensie).
- • De klachten mogen vóór de uitzending niet aanwezig zijn geweest.
- • De MUPS/LOK klachten moeten zich tijdens tot binnen 2 jaar na de uitzending hebben voorgedaan met daaraan gekoppeld een noodzaak tot medische behandeling.
- • De MUPS/LOK klachten moeten langer dan 6 maanden aanwezig zijn.
- • De MUPS/LOK klachten/beperkingen moeten bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling worden vastgesteld door toetsing op plausibiliteit en consistentie.
- 1. Grotendeels wel causaal verband tussen de beperkingen en de dienstverband aandoening aannemelijk/aanwezig
- 2. In gelijke mate causaal verband en niet causaal verband aannemelijk/aanwezig: en zo ja, betreft deze gelijke mate dan meer of minder dan 50% causaal verband
- 3. Grotendeels geen causaal verband aannemelijk/aanwezig
- 4. (Geen causaal verband aannemelijk/aanwezig )
- – predisponerende factoren: familie, constitutie, ‘basic trust’, persoonlijkheid, levensstijl, lichamelijke activiteit
- – uitlokkende factoren: acute stress, lichamelijke ziekte
- – onderhoudende factoren: inactiviteit, somatische attributie, verhoogde aandacht voor lichamelijke sensaties, gedrag van hulpverleners, aandacht, gewenning, verlies van motivatie.
- – manifestaties van bepaalde eigenschappen of (gebrek) aan opleiding of vaardigheid geen aanleiding voor beperkingen kunnen zijn
- – beperkingen vaststelbaar zijn, derhalve geverifieerd door observatie, onderzoek of informatie van derden
- – die vaststelling (sociaal)-medisch is, dus met gebruik van reguliere (sociaal)geneeskundige onderzoeksmethoden
- – er sprake is van (streven naar) objectiviteit, wat impliceert dat de beoordeling toetsbaar is, dus met niet-falsifieerbare controleerbare feiten en argumenten wordt onderbouwd en zo nodig wordt weerlegd
- – de beoordeling reproduceerbaar is, dus schriftelijk vastgelegd waarbij het aannemelijk is dat gekwalificeerde beroepsgenoten tot een soortgelijke conclusie gekomen zouden zijn
- – de beperkingen consistent zijn, de feiten waarop de beoordeling is gebaseerd vertonen logische samenhang
- – fysiologische manifestaties van ongebruikelijke of overbelasting – sociaal of fysiek – niet als beperkingen opgevat worden
- – met compensatie- en herstelgedrag heeft geprobeerd oplossingen te vinden voor zijn verminderd functioneren
- – aan zijn fysieke en mentale (bijhouden kennis en vaardigheid) conditie heeft gewerkt
- – cognitieve gedragstherapie heeft gevolgd, aangezien dat de tot op heden de enig aangetoonde werkzame behandeling is
- – analyse sociaal-medische informatie
- – het beoordelingsgesprek
- – observatie
- – lichamelijk of psychiatrisch onderzoek
- – overleg met derden.
- – de algemene indruk met name verzorging en uiterlijke gezondheid
- – presentatie en wijze van contactleggen
- – opvallende bijzonderheden
- – aan- of juist afwezige specifieke geclaimde belemmeringen
- – er toch duidelijk sprake kan zijn van een lichamelijke aandoening, meestal bij een relatief korte duur van de klachten
- – dat bijdraagt aan het vertrouwen in het onderzoek door de cliënt
- – dat bijdraagt aan (verdere) observaties of verdieping van het beoordelingsgesprek
- – aandacht, concentratie, geheugen
- – stemming en affect
- – opvallend pijn- en vermijdingsgedrag
- – preoccupatie van het denken
- – psychomotoriek
- – vertelt dat er alsnog afwijkingen gevonden zijn
- – vertelt dat hij van zijn (reguliere) behandelend arts niet zou mogen werken
- – plausibiliteit en consistentie van de klachten en belemmeringen
- – mogelijkheden prefereren zolang beperkingen niet overtuigend zijn gebleken
- – inactiviteit is vanuit revalidatie gezichtspunt over het algemeen nadelig
- – welke gezondheidsschade is te verwachten wanneer de klachten niet vermeden zouden worden.
- – validiteit van argumenten die cliënt of behandelaars hebben aangereikt
- – adequaatheid van het herstelgedrag
- – autonomie en lijdensdruk van de cliënt
- – een depressieve stoornis: gekenmerkt door depressieve stemming en vermindering van interesse en plezier in bijna alle activiteiten
- – een angststoornis: gekenmerkt door gespannenheid, prikkelbaarheid, slaapstoornissen
- – een aanpassingsstoornis of overspanning: gekenmerkt door spanningsklachten en onmacht in duidelijke relatie met voorafgaande stressvolle omstandigheden
- – een somatoforme stoornis waaronder ook de somatisatie stoornis en de hypochondrie vallen
- – een somatisatiestoornis: gekenmerkt door een bont scala van telkens andere chronische klachten vanaf de adolescentie, met een grote medische consumptie
- – middelenafhankelijkheid: gekenmerkt door overmatig gebruik van alcohol, slaapmiddelen of tranquillizers (vaak benzodiazepinen) en pijnstillers
- – hypochondrie: gekenmerkt door irrationele angst voor ziekte
- – nagebootste stoornis: gekenmerkt door een ziekelijke behoefte om aandacht te krijgen met een pathologisch doel
- – simulatie: gekenmerkt door opzettelijke misleiding met een materieel doel
- • De militaire pensioenvoorschriften Er moet sprake zijn van een ‘dienstverband aandoening’. De invaliditeit moet zijn opgelopen tijdens en door de uitzendingen en hebben geleid tot blijvende invaliditeit. De mate van invaliditeit dient te worden vastgesteld aan de hand van een barèma, tot heden de WPC-schaal.
- • Het ziektebegrip De operationele definitie zoals verwoord in dit protocol moet van toepassing zijn.
- • De causaliteit De causaliteit dient te worden aangetoond volgens het zogenaamde ‘stappenplan MUPS/LOK bij militairen na uitzendingen’ en de hieruit ontwikkelde medische causaliteitsregels.
- • De invaliditeitsdefinitie ‘de in een percentage uit te drukken mate van lichamelijke en geestelijke tekortkomingen en beperkingen, welke de belanghebbende in verhouding tot een geheel valide persoon van gelijke leeftijd in het dagelijks leven in het algemeen ondervindt’. Bij de vaststelling van het invaliditeitspercentage dient derhalve uit te worden gegaan van beperkingen en niet van de ernst van symptomen. Eventuele beperkingen in verband met arbeid dienen buiten beschouwing te blijven. Klachten, lijdensdruk en gederfde levensvreugde mogen niet worden meegewogen.
- • De invaliditeitsschatting Deze dient te gebeuren aan de hand van ADL en BDL (Activiteiten en Bijzondere activiteiten Dagelijks Leven)-beperkingen. De ernst van de beperkingen dient hierbij te worden weergegeven.
- – Het ziektebegrip: In hoofdstuk 1 is hierop ingegaan en is de operationele definitie verwoord.
- – De dienstverbandbeoordeling en de causaliteitsvraag. Op deze beide onderwerpen is in hoofdstuk 6 (causaliteit) ingegaan.
- – De schatting van het invaliditeitspercentage volgens de WPC-schaal (War Pension Committee): De schattingsmethodiek volgens de WPC-schaal voldoet niet bij MUPS/LOK bij militairen na uitzending. De WPC schaal kent de aandoening niet eens, laat staan dat de schaal richtlijnen voor de schatting geeft. Onderstaand wordt, aanvullend op de WPC-schaal een methodiek beschreven waarmee het invaliditeitspercentage op een transparante reproduceerbare wijze kan worden geduid.
- – Het maken van een onderscheid tussen beperkingen gerelateerd aan de dienstverband aandoening en de beperkingen die hiervan los staan. Ook dit onderwerp is in het hoofdstuk causaliteit ter sprake gekomen.
- • Rubriek 1: Activiteiten van het dagelijkse leven, met als 4 subrubrieken: persoonlijke hygiëne en zelfzorg, mobiliteit, slapen, seksuele functie
- • Rubriek 2: Concentratie doorzettingsvermogen en tempo, met als 2 subrubrieken structuur aanbrengen en huishoudelijke activiteiten.
- 1. het valideren van de aanname van oorzakelijkheid van de LOK-klachten; het is belangrijk dat naar de klachten goede diagnostiek geschiedt en additioneel wetenschappelijk onderzoek wordt verricht
- 2. het bieden van een therapeutisch programma, analoog aan state-of-the-art hulpverlening voor deze klachten;
- 1. een cognitieve, gedragstherapeutische interventie gericht op zelfwaardering, de eigen gezondheidsbeleving en hoe hierin verandering te bereiken
- 2. lichamelijke oefentherapie gericht op het evenwicht tussen belasting en belastbaarheid, interactie in sport en spel en het verkennen van de persoonlijke grenzen, onder meer in relatie tot het eigen lichaam, met aerobe oefenvormen
- 3. gezondheidseducatie in brede zin met onder meer aandacht voor de geschiedenis van veteranenziekten, stress en diverse lichamelijke onbegrepen chronische klachten
- 4. gevat in en omlijst door het principe van casemanagement als algemene ondersteuning van de deelnemende patiënten
- 1. Een generalist (huisarts of onderdeelsarts) doet de intakes in het CMH (loketfunctie, ‘1e termijn poli’).
- 2. Er komt een standaardprotocol voor de intake van nieuwe LOK-patiënten met anamnese, lichamelijk onderzoek en een minimaal pakket aan laboratoriumtesten.
- 3. Het is aan het oordeel van de generalist om bij twijfel aanvullend onderzoek aan te vragen, in overleg met relevante specialisten.
- 4. Psychiatrische en verzekeringstechnische exclusiecriteria worden zodanig geformaliseerd en gespecificeerd dat de onderzoekspopulatie niet te heterogeen is. De omschrijving: ‘er mag geen medische verklaring zijn’ is te vaag. Er mag geen duidelijk (somatisch) pathofysiologisch substraat zijn (b.v. ontsteking). Er moet in ieder geval een vermoeden bestaan op en relatie met de uitzending (klachten waren voordien niet aanwezig).
- 5. Drugsgebruik: een totale exclusie is niet realistisch (te veel uitval). Er wordt nader gespecificeerd welke middelen wel of niet toegelaten zijn. Het gebruik mag niet compulsief zijn, het dagelijks leven ontwrichten, of ingrijpende effecten op de fysiologische onderzoeksdomeinen hebben.
- 6. Er wordt voldoende aandacht besteed aan communicatieontwikkeling tussen behandelaars onderling. Er vindt een grondige voorbereiding plaats in teambesprekingen. Alle behandelaars moeten dezelfde taal spreken en dezelfde strategie volgen naar de patiënt.
- 7. Het hele diagnose- en behandeltraject moet in het CMH plaatsvinden, en niet onder het ‘bordje’ Militaire Psychiatrie. Een psychiater kan later wel bij het onderzoek en de behandeling betrokken zijn, maar het psychiatrisch element moet niet domineren omdat dit de werving van patiënten bemoeilijkt.
- 8. Patiënten kunnen vóór begin en na afloop van de behandeling eventueel worden gekoppeld aan een specialist van het belangrijkste klachtendomein. Dit kan ook de primaire verwijzer zijn. Deze mag niet bij het behandeltraject betrokken worden.
- 9. Er wordt voor aanvang geformuleerd in welke omstandigheden de patiënt tijdens de behandeling uit onderzoek geexcludeerd wordt (b.v. full-blown PTSS).
- 10. Fysiotherapie: patiënten worden ook bij exclusie uit het onderzoek niet te snel uit de behandelingsgroep gehaald, maar men laat ze het traject afmaken, eventueel met aanvullende behandeling. Alleen als de problematiek zeer ernstig/disruptief is wordt de patiënt uit de groep verwijderd.
- 11. Het toevoegen van additionele parameters, bijvoorbeeld experimentele maagdistensie met lucht in het onderzoeksprotocol wordt overwogen als dit niet te belastend voor de patiënt wordt, eventueel alleen als follow-up voor een subgroep patiënten met functionele maagdarm klachten.
- 12. Neem een oorzakelijke rol van uitzending wel op in het onderzoeksprotocol, maar benadruk het niet naar de patiënt toe (‘U heeft klachten; oorzaak is complex, we gaan proberen het beter te begrijpen en er wat aan te doen’).
- 13. Het besef van een relatie met de uitzending kan bij de patiënt wel steeds meer groeien tijdens behandeling. Bedenk van tevoren hoe je daar mee omgaat.
- 14. De benodigde ruimten voor behandeling en onderzoek worden opgenomen in de planning en begroting. Dit wordt grondig voorbereid en bijtijds doorgegeven aan de staf van het CMH.
- 15. Bij follow-up (6 en 12 mnd) wordt expliciet gevraagd of er inmiddels een ziekte is ontstaan die retrospectief een verklaring voor de lichamelijk onbegrepen chronische klachten vormt.
- – intaketeam, een groep onderzoekers, belast met planning en uitvoering en evaluatie van diagnostische assessment
- – onderzoekers in het kader van wetenschappelijk onderzoek
- – behandelaars belast met uitvoer en evaluatie van het zorgaanbod
- a. Zowel militairen in werkelijke dienst als postactieve militairen die veteraan zijn komen in aanmerking, mits dus vaststaat dat zij uitgezonden zijn geweest.
- b. De uitzending waarin is deelgenomen heeft na 1978 plaatsgevonden.
- c. De gezondheidsklachten hebben als zodanig minimaal 6 maanden bestaan. Er is geen sprake van een medische verklaring voor de klachten.
- d. De betrokkene heeft de oorzaak van zijn gezondheidsklachten aan een uitzending toegekend.
- e. Patiënt wordt in staat geacht eigen verantwoordelijkheid te nemen om de betekenis van zijn klachten te onderzoeken en wegen te vinden ter vermindering dan wel acceptatie van zijn klachten.
- f. Patiënt moet inzien en aanvaarden dat er geen instrumentele oplossing van buitenaf is die hem tot dusverre steeds zou zijn onthouden.
- – Er vindt nog onderzoek plaats naar een medische verklaring voor de klachten, dat wil zeggen naar een aannemelijk pathofysiologisch substraat.
- – Er loopt een medische behandeling voor deze klachten.
- – Er loopt een verzekeringsprocedure in relatie tot de onderhavige klachten zodat die voortgang van de behandeling kunnen beïnvloeden.
- – Aanwezigheid van psychiatrische problematiek zoals depressie, psychosen/wanen, verslaving, obsessief-compulsieve stoornissen en angststoornissen die beter op een andere manier kunnen worden behandeld.
- – Aanwezigheid van chronische invaliderende ziekten die het kunnen doorlopen van het behandelprogramma in de weg staan.
- – Aanwezigheid van een dusdanig ontregeld (ziekte-onderhoudend) thuissysteem dat van behandeling geen (blijvend) effect verwacht kan worden. een gesprek met het thuissysteem (partner, ouder ed.) zal dan ook onderdeel zijn van de intakeprocedure.
- – Op beoordeling aanwezigheid van: persoonlijkheidsstoornissen, gedragsstoornissen.
- – Patiënt weet vooraf dat hij in verband met zijn arbeidsomstandigheden niet aan de behandelvoorwaarden kan voldoen.
- 1. In de eerste fase wordt de patiënt gezien op de LOK-poli door de LOK-huisarts en eventueel op diens verzoek, na overleg op dossierniveau, door een andere medische specialist (eenmalig) voor aanvullend onderzoek. Hierbij wordt de indicatie gesteld en getoetst op de inclusie en exclusiecriteria. Tijdens de intakefase zal anamnestisch informatie verzameld worden. Tevens zal tijdens de intake in kaart worden gebracht welke medische consumptie door betrokkene is genoten, zowel voor, tijdens als na uitzending. Beschikbare medische gegevens opgevraagd. Bij de patiënt zal er een zekere bereidheid gesignaleerd moeten worden om op een constructieve wijze mee te denken over de plaats die de klacht in het leven van betrokkene tot dat moment heeft, maar ook zou kunnen gaan krijgen. Daarbij zal het accent liggen op belevingssfeer, copingsmechanismen, lichaamsbeleving, egosterkte en vermogen tot zelfreflectie. Tevens zal er een beeld moeten ontstaan over de betekenis hiervan in de gezinssituatie. De partner zal worden uitgenodigd te participeren bij de intake en op diverse momenten tijdens de behandeling.
- 2. Bij een positief oordeel in de LOK intake/patiëntenbespreking wordt de patiënt uitgenodigd op een separate dag deel te nemen aan een intakefase waarin hij of zij gezien wordt voor een gesprek met de behandelaren van het programma, de klinisch psycholoog, de fysiotherapeuten, en casemanagers. Tevens vindt aanvullend testonderzoek (‘nulmeting’) plaats in kader van wetenschappelijk onderzoek. De casemanager geeft tevens een rondleiding op de diverse locaties.
- 1. cognitieve gedragstherapie
- 2. fysiotherapie en haptotherapie
- 3. casemanagement en
- 4. psycho – educatieve seminars
- – abnormale vermoeidheid
- – rug-, hoofd en/of nekpijn
- – verminderde concentratie en/of geheugen
- – duizeligheid
- – spier- en/of gewrichtspijn
- – buikklachten
- – overgevoeligheid voor licht of geluid
- – perceptie van allergie
- – slaapklachten
- o specifieke gelokaliseerde onverklaarde klachten (bv. lumbago)
- o als (ander) syndroom benoemde onverklaarde chronische klachten (bv. CVS)
- o geen aanzienlijke belemmeringen > 6 maanden
- o niet door de LOK-poli CMH uitbehandelde klachten
- – analyse aanwezig gegevens
- – beoordelingsgesprek face-to-face
- – geclaimde belemmeringen
- – biografie en voorgeschiedenis
- – opvatting causaliteit
- – medische, psychische en sociale situatie
- – observatie en onderzoek
- – verificatie: minimaal aan de bevindingen en conclusies van de LOK-poli
- o probleemstelling en claim
- o probleemanalyse medisch, psychisch en sociaal
- o aanzienlijk disfunctioneren > 6 maanden
- o plausibiliteit en consistentie
- o herstelgedrag
- o precipiterende, onderhoudende en herstelbelemmerende factoren
- o bespreking opvattingen van derden
- o autonomie en lijdensdruk
- o premorbide klachten
- o ontstaan en noodzaak behandeling binnen twee jaar na uitzending
- o mate van causaliteit bij comorbiditeit
- o checklist causaliteit WIA-IP protocol
- o professionele weging perceptie
- o Rapport ‘schade in schalen de psyche in beeld’ rubriek ADL + vier subrubrieken
- o Rapport ‘schade in schalen de psyche in beeld’ rubriek concentratie/doorzettingsvermogen + twee subrubrieken
- o Indeling ernst van de beperkingen in vijf graderingen
- o geclaimde belemmeringen
- o professionele beoordeling
- o mogelijkheden, tenzij
- o beperkingen conform FML
- – vraagstelling
- – voorgeschiedenis
- – anamnestische gegevens
- – relevante bevindingen
- – argumentatie
- – conclusie
- – Beperkingen mogen alleen worden geduid als een causaal verband aanwezig is tussen de aandoening en de uitzending.
- – Beperkingen mogen alleen worden gescoord als deze verklaard kunnen worden vanuit de MUPS/LOK problematiek.
- – Beperkingen mogen alleen worden gescoord na doelmatige therapie (LOK poli) en adequate inzet. Onderscheid dient te worden gemaakt tussen motivatiegebrek/feitelijk vertoond gedrag en werkelijke beperkingen.
- – Beperkingen dienen concretiseerbaar en consistent te zijn.
- – Alle klassen: het gaat om verlies aan functioneren. Beperkingen mogen alleen worden gescoord indien de mogelijkheid eerder wel aanwezig is geweest.
- – Leeftijd en de hiermee gepaard gaande vermindering van het functioneren dienen als matigende factor te worden meegewogen.
- – Klasse 3: voor de onderzoeker en de directe persoonlijke omgeving zijn een afwijkend gedrag van betrokkene duidelijk merkbaar/waarneembaar. Vanaf klasse 3 zijn reguliere beroepsactiviteiten onaannemelijk. ‘Bij het verrichten van reguliere beroepsactiviteiten (zonder regelmatig uitval) dienen wel heel bijzondere evidenties en argumenten aanwezig te zijn om in dat geval beperkingen aan te kunnen nemen in de ADL/BDL’.
- – Klasse 4: voor iedereen zijn duidelijk continu symptomen bij betrokkene waarneembaar. Tevens continu behoefte aan zorg en medicatie. Verrichten reguliere beroepsactiviteiten onaannemelijk.
- – Klasse 5: onmiskenbaar voor iedereen waarneembare uitingen van zeer ernstig, volledig afhankelijk toestandsbeeld. Langdurige periodes van hospitalisatie.