Bijlage 2 Regeling vaststelling invaliditeit met dienstverband: – Protocol voor psychische aandoeningen waaronder PTSS
Regeling vaststelling invaliditeit met dienstverband
Dit protocol is opgebouwd uit twee delen: Beide delen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit protocol is exclusief bedoeld voor artsen werkzaam bij de afdeling Sociaal Medisch Onderzoek (SMO) van het ABP/APG en het bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB) van Defensie. Artsen die met dit protocol gaan werken, zullen geïnstrueerd worden in het gebruik van de nieuwe beoordelingsmethodiek. Deze instructie zal intern gegeven worden door ervaren artsen van de genoemde afdelingen. Dit nu voorliggende protocol is een herziening van het voorgaande PTSS-protocol van 2007. Na evaluaties, uitgevoerd door de afdeling toegepast gezondheidsonderzoek van de universiteit van Groningen en na uitgebreid overleg tussen de vakcentrales en Defensie, is afgesproken om het oude protocol aan te passen en zo te komen tot een beoordelingssystematiek die rekening houdt met recente medische en maatschappelijke ontwikkelingen en inzichten en recht doet aan de beperkingen van de militair of ex-militair met een psychische dienstverbandaandoening. Het is geen vervanging maar een aanpassing van een bestaand en getoetst protocol naar een protocol dat voldoet aan de huidige medisch-wetenschappelijk richtlijnen. Om te komen tot dit nu voorliggende protocol, is door de Hoofddirecteur Personeel de opdracht gegeven voor de instelling van een werkgroep. De werkgroep is als volgt samengesteld: verzekeringsartsen met ervaring in het werken met het voorgaande PTSS-protocol, een psychiater met kennis van psychiatrische aandoeningen met dienstverband, een methodoloog en de pensioenverzekeringsautoriteit. De werkgroep is als volgt samengesteld: Bij de totstandkoming van dit protocol zijn de volgende externe adviseurs betrokken: 1. INLEIDING 1.1 Leeswijzer 2. KORT OVERZICHT VAN PSYCHISCHE AANDOENINGEN DIE KUNNEN VOORKOMEN BIJ ONDERZOEK NAAR DIENSTVERBAND 2.1. PTSS 3. VERZEKERINGSGENEESKUNDIG ONDERZOEK 3.1 Diagnose 3.2 Psychiatrische expertise 3.3 Behandeling 4. COMORBIDITEIT 5. CAUSALITEIT 5.1 Verer
- 1. een beschrijvend deel, waarin de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van psychische aandoeningen met dienstverband5De termen dienstverband en causaliteit (ook wel causaal verband genoemd) worden beiden gebruikt om aan te geven dat de aandoening in overwegende mate is ontstaan, tot uiting is gekomen of is verergerd door een incident, trauma, gebeurtenissen of blootstelling tijdens de bijzondere of buitengewone omstandigheden. wordt verwoord.
- 2. een bijlage met de beoordelingsmethodiek voor het vastleggen van het invaliditeitspercentage van de beperkingen op ADL en BDL.
- − A.J.M. Liefting, bedrijfsarts en verzekeringsarts, KTZ(AR) bd, adviseur van Defensie en projectleider,
- − KTZ(AR) A.J. van der Sluis, verzekeringsarts en commandant BMB,
- − Dhr. M. Bourier, verzekeringsarts BMB (tevens bedrijfsarts),
- − KTZ(AR) P.F. Eland, psychiater BMB,
- − Dhr. P.G. Verkerk, verzekeringsarts SMO (tevens jurist),
- − Mw. K. Baal, verzekeringsarts SMO,
- − Dhr. P. Pliva, verzekeringsarts en pensioenverzekeringsautoriteit,
- − Mw. dr. J.A. Wilschut, methodoloog, werkzaam bij de Bestuursstaf Defensie.
- − Mw. Prof. Dr. S. J. van der Burg- Vermeulen, bijzonder hoogleraar sociale verzekeringsgeneeskunde en verzekeringsarts,
- − Dhr. A.J. Maas, verzekeringsarts en voormalig kwaliteitsfunctionaris medisch bureau SVB,
- − Dhr. J.J. Meulenkamp, medisch adviseur RGA.
- − Twijfel over de door de curatieve sector gestelde diagnose, bijvoorbeeld wanneer de verzekeringsarts constateert dat de symptomen onvoldoende overeenkomen met de criteria in de DSM-classificatie,
- − Vermoeden op comorbiditeit, welke onvoldoende lijkt te zijn onderzocht,
- − Het bestaan van onduidelijkheid over de invloed van ziekte-onderhoudende factoren, zoals dysfunctionele persoonlijkheidstrekken en herstel belemmerende coping stijlen,
- − Meer in het algemeen: onduidelijkheid bij de verzekeringsarts over ziekte en gebrek in relatie tot dienstverband en beperkingen.
- − Aanwezigheid van pre-existente, luxerende en ziekte-onderhoudende factoren met daarbij het duiden van deze factoren,
- − Aanwezigheid van comorbiditeit,
- − Eventueel aanwezige gemotiveerde relatie tussen deze comorbiditeit en de militaire dienstverrichting, naast de weging van deze relatie,
- − Weging van comorbiditeit bij het duiden van de beperkingen, als deze comorbiditeit geen relatie heeft tot de dienstverrichting,
- − Het geprotocolleerd duiden van de beperkingen en de ernst hiervan.
- − Wat is de aard en ernst van het incident, trauma of de gebeurtenissen
- − Wat is de tijdsduur tussen blootstelling n claim?
- − Is er sprake van een ‘knik’ in het functioneren?
- − Zijn er (andere) life-events die van invloed kunnen zijn?
- − Zijn er comorbide stoornissen?
- − Zijn er pre-existente factoren?
- − Zijn er luxerende factoren geweest?
- − Zijn er ziektebestendigende factoren die het voortbestaan van ziekte ondersteunen of versterken zoals een schadelijke leefstijl, of zijn er herstelbelemmerende factoren die het herstel bemoeilijken of vertragen, zoals gebrek aan motivatie of angst?
- − Zijn er stressoren in de privé of werkomgeving die van belang zijn?
- − Zijn er lichamelijke klachten en beperkingen aanwezig?
- − Is de meest passende behandeling volgens de op dat moment geldende medische inzichten en richtlijnen gevolgd?
- − Waarop richtte zich de behandeling vooral? Hoe verliep het herstel en wat zijn de belangrijkste belemmeringen voor herstel geweest?
- − Wat is het huidige niveau van functioneren?
- − Is het verhaal plausibel; passen presentatie en beperkingen bij de aard en de ernst van het ziektebeeld?
- − Is er sprake van consistentie; vormt het verhaal van de cliënt over zijn klachten, beperkingen en functioneren een logisch geheel?
- − Aanwezige informatie: De aanvraag en de daarbij verzonden informatie, beschikbaar voor aanvang van het onderzoek.
- − Medische voorgeschiedenis: Aandoeningen voor indiensttreding en het beloop hiervan. Van belang is vooral of er psychische aandoeningen waren in de jeugd en of er psychische hulpverlening is geweest.
- − Psychische klachten en stoornissen en het beloop hiervan: Het gaat hier om de huidige klachten en de gestelde diagnose. Daarbij geldt de informatie van de curatieve sector als uitgangspunt. Naast het onderzoek naar de psychische aandoening, dienen comorbide ziekten apart te worden gediagnosticeerd. De behandelingen moeten bekend zijn. Somatische klachten en stoornissen moeten worden nagevraagd en worden uitgesloten als oorzaak van de psychische aandoening. Hierbij is behalve eigen onderzoek, op indicatie ook informatie van de curatieve sector van belang.
- − Werk: De loopbaan voor indiensttreding en tijdens de dienstperiode. Het huidige werk. De aanwezigheid van chronische stressoren of loopbaanproblematiek zoals ervaren door de cliënt.
- − Persoonlijk en sociaal functioneren: De sociale situatie, de burgerlijke staat, deelname aan sport of verenigingen. Daarbij ook de jeugd en opleiding. De aanwezigheid van chronische stressoren zoals ervaren door cliënt. Inzicht in de balans werk/privé.
- − Dagverhaal/functioneringsniveau: Het dagverhaal c.q. het functioneringsniveau betreft het gemiddelde functioneren in de periode voor het onderzoek. De verzekeringsarts moet vooral een globaal beeld krijgen van waaruit hij consistentie kan afleiden over een bepaalde tijdspanne. Het betreft dus niet een specifiek onderzoek naar één bepaalde dag, zoals de dag vóór het onderzoek.
- − Voorgeschiedenis: De verzekeringsarts besteedt aandacht voor de aard en de ernst van het incident, het trauma of de gebeurtenissen, het functioneren van betrokkene de jaren daarvoor en daarna en voorafgaand aan de claim.
- − Onderzoek: Dit betreft het onderzoek van de verzekeringsarts: de algemene indruk en de eigen observaties van affect, gedrag, stemming, coherentie van het verhaal, realiteitszin, aangevuld met gegevens van het eigen psychisch onderzoek, eventueel aan de hand van vragenlijsten.
- − Persoonlijkheidskenmerken: De verzekeringsarts brengt deze in kaart vanwege zowel het pre-existente aspect als het ziektebestendigende aspect. Copingstijlen en levensfaseproblematiek kunnen van belang zijn.
- − Visie van betrokkene: De visie van cliënt wordt verwoord met betrekking tot de ernst van zijn beperkingen en mogelijkheden. De cliënt geeft zijn mening over de causaliteit.
- − Opgevraagde informatie: De noodzakelijk geachte medische en overige informatie die is opgevraagd en ontvangen.
- − Expertise aanvraag: Wanneer expertise geïndiceerd is wordt dit hier beschreven en de uitslag ervan wordt genoteerd.
- − Beschouwing: In de beschouwing noteert de verzekeringsarts de weging van alle informatie. Op basis hiervan stelt hij de diagnose en medische causaliteit vast, net als de beperkingen ten aanzien van ADL en BDL met verwijzing naar de beoordelingsmethodiek.
- − Conclusie: Deze volgt eenduidig uit de beschouwing en geeft antwoord op de vraag of er sprake is van een dienstverbandaandoening; of de claim gehonoreerd wordt; welk invaliditeitspercentage aan de beperkingen toegekend wordt en of er sprake is van duurzame functionele invaliditeit.
- − Oordeel van de pensioenverzekeringsautoriteit: Conform het gestelde in het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen stelt de pensioenverzekeringsautoriteit de aanspraken van de cliënt vast.
- − De militaire pensioenvoorschriften Er moet sprake zijn van een dienstverband aandoening. Zie voor de eisen hiervoor artikel 2 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.
- − Het ziektebegrip Bij een pensioenaanvraag voor beperkingen vanwege een psychische aandoening moet sprake zijn van een ziekte die herleidbaar is naar het vigerende DSM of de vigerende officiële psychiatrische richtlijnen die zijn overeengekomen tussen de betreffende beroepsgroepen in Nederland en als standaard gelden.
- − De causaliteit De causaliteitscriteria van de militaire pensioenwetgeving zijn bepalend: voldaan moet worden aan het begrip oorzakelijk of verergerend dienstverband.
- − De invaliditeitsdefinitie De in een percentage uit te drukken mate van lichamelijke en geestelijke tekortkomingen en beperkingen, welke de cliënt in verhouding tot een geheel valide persoon van gelijke leeftijd in het dagelijks leven in het algemeen ondervindt: bij vaststelling van het invaliditeitspercentage dient daarom uit te worden gegaan van beperkingen en niet van de ernst van symptomen. Arbeid dient buiten beschouwing te blijven. Klachten, lijdensdruk en gederfde levensvreugde worden niet meegewogen.
- − De invaliditeitsschatting Deze dient te gebeuren aan de hand van de beoordelingsmethodiek waarin de ernst van de beperkingen wordt weergegeven.
- − Beperkingen mogen alleen worden geduid als er een causaal verband is tussen de aandoening en de bijzondere of buitengewone dienstverrichtingen.
- − Beperkingen mogen alleen worden gescoord als deze op psychische gronden verklaard kunnen worden.
- − In het kader van dit protocol blijven activiteiten die door lichamelijke beperkingen verminderd kunnen zijn, buiten beschouwing. Deze worden beoordeeld met het protocol voor lichamelijke aandoeningen.
- − Beperkingen dienen plausibel en consistent te zijn.
- − Alle klassen: het gaat om verlies aan functioneren. Beperkingen mogen alleen worden gescoord indien de mogelijkheid eerder wel aanwezig is geweest.
- − Wanneer er binnen een (1) subrubriek beperkingen zijn in verschillende klassen, wordt de hoogste klasse toegekend.
- − Leeftijd en de hiermee gepaard gaande vermindering van het functioneren, dienen als matigende factor te worden meegewogen.
- − Stress gerelateerde lichamelijke spanningsklachten die leiden tot beperkingen, kunnen worden meegewogen.