Bijlage 1 Regeling typegoedkeuring roetfilters: bij artikel 5
Regeling typegoedkeuring roetfilters
In de bijlagen bij de Regeling typegoedkeuringseisen roetfilter wordt verstaan onder: De aanvrager van een typegoedkeuring voor een roetfilter moet aan de hand van de in de artikelen 6 tot en met 16 van deze bijlage beschreven proeven aantonen en bevestigen dat bij gebruik overeenkomstig zijn bestemming, de functionaliteit van het filter gedurende vijf jaar of 80.000 km, al naar gelang het criterium dat het eerst wordt bereikt, bij motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominaal toerental van meer dan 3000 min–1, en in andere gevallen gedurende vijf jaar of 200.000 km verzekerd is. Indien in het roetfilter voorzieningen zijn opgenomen die tot gevolg hebben dat onder bepaalde voorwaarden de grenswaarden voor de beperking van de uitstoot van deeltjes niet langer in acht worden genomen, dient de aanvrager aan te tonen: Ter beoordeling van een roetfilter dient het, als bewijs voor de functionaliteit tijdens het latere bedrijf in de praktijk, aan een duurproef van ten minste 25 ETC-testcycli te worden onderworpen. De duurproef dient als bewijs voor zowel de functionaliteit als voor de stabiliteit daarvan. De test van het roetfilter gebeurt filter- onderscheidenlijk familiegebonden voor het desbetreffende toepassingsbereik, d.w.z. per toepassingsbereik wordt één filter getest. Daarnaast wordt door middel van de duurproef vastgesteld of het een continu of een periodiek regenererend roetfilter betreft. Voorafgaand aan de duurproef wordt het roetfilter gepreconditioneerd door ten minste 2 uur belasting volgens fase 8 van de ESC-testcyclus, en vervolgens zodanig geconditioneerd door middel van het draaien van ETC-cycli dat een qua deeltjesemissie stabiele situatie ontstaat. Het bewijs van een continu verlopend regeneratieproces geldt als geleverd wanneer gedurende een periode van ten minste 25 testcycli een daartoe geschikte parameter aan het roetfilter als constant beoordeeld kan worden. Als geschikte parameters kunnen de deeltjesemissie en de
- BAFU: Zwitserse ‘Bundesamt für Umwelt’;
- VERT: goedkeuringsregiem voor roetfilters opgezet door het BAFU;
- roetfilter van klasse A: roetfilter dat een overeenkomstig de artikelen 15 of 16 van deze bijlage vastgesteld gravimetrisch deeltjesafvangrendement van ten minste 90% bezit;
- roetfilter van klasse B: roetfilter dat een overeenkomstig de artikelen 15 of 16 van deze bijlage vastgesteld gravimetrisch deeltjesafvangrendement:
- 1. van ten minste 50% doch minder dan 90% bezit; of
- 2. voor filters bestemd voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominaal toerental van meer dan 3000 min–1: van ten minste 30% doch minder dan 90% bezit;
- continu regenererend roetfilter: roetfilter waarbij een regeneratie niet wordt geïnitieerd door gewijzigde motorbesturingsparameters, aanvullende filters of volledige belasting van de motor. De voortdurende regeneratie van roetfilters vindt onder bepaalde uitlaatgastemperatuurcondities continu vanzelf plaats, of ten minste eenmaal per testcyclus;
- periodiek regenererend roetfilter: roetfilter waarbij een periodieke regeneratie zich iedere maximaal 100 uur motorbedrijf voltrekt;
- beladingstoestand: constante deeltjesbeladingstoestand van het roetfilter in bepaalde rijsituaties zonder externe regeneratiemaatregelen;
- afvangrendement: verhouding tussen de door het roetfilter afgevangen deeltjesmassa en de deeltjesmassa in de uitgangstoestand van het voertuig, gemeten in de ETC;
- richtlijn 72/306: richtlijn 72/306/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG 1972, L 190);
- richtlijn 91/542: richtlijn 91/542/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 1 oktober 1991 (PbEG 1991, L295) tot wijziging van richtlijn 88/77.
- richtlijn 98/70: richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie 13 oktober 1998 (PbEG 1998, L350) betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad, als gewijzigd bij richtlijn 2003/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 2003 (PbEG 2003, L76) tot wijziging van richtlijn 98/70/EEG;
- ESC-testcyclus: testcyclus, bestaande uit 13 statische testfases, volgens aanhangsel 1 van bijlage III van richtlijn 2005/55/EG;
- ELR-testcyclus: testcyclus, bestaande uit een serie belastingstappen bij constant toerental, volgens aanhangsel 1 van bijlage III van richtlijn 2005/55;
- ETC-testcyclus: testcyclus, bestaande uit transiënte stappen, volgens aanhangsel 2 van bijlage III van richtlijn 2005/55;
- familie van roetfilters: verzameling van alle uitvoeringen van roetfilters die op basis van de overeenstemmingscriteria voor filterfamilies van artikel 19 van deze bijlage qua functie als technisch identiek worden beschouwd;
- motorfamilie: verzameling van motortypen van een fabrikant die niet verschillen op de eigenschappen beschreven in punt 8.1. van bijlage I bij richtlijn 2005/55/EG;
- euroklasse: de aanduidingen Euro 2 en Euro 3 waaruit blijkt aan welke fase van aanscherping van de eisen aan de luchtverontreiniging een voertuig of een in een voertuig gemonteerde motor voldoet;
- Euro 2: de aanduiding dat de motor van een voertuig voldoet aan de grenswaarden voor de emissie als vermeld in rij B van de tabel van punt 6.2.1. van bijlage I van richtlijn 88/77, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/542, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van richtlijn 2005/55;
- Euro 3: de aanduiding dat een voertuig voldoet aan de grenswaarden voor de emissie als vermeld in rij A van tabel 1 van punt 6.2.1. van bijlage I van richtlijn 2005/55; η: afvangrendement; Mpi: gewogen totaalemissie (g/kWh) bij roetfilters van klasse A; Msi: tijdens meerdere cycli gemeten gemiddelde emissie zonder regeneratie; Mri: emissie tijdens de regeneratie; Ng: toestand na inbouw; VF: volume van het roetfilter; VH: slagvolume van de motor; PT: deeltjesemissie; Mgas: emissie van de gasvormige bestanddelen; UGR: uitlaatgasrecirculatie.
- 1. Indien de aanvrager van een typegoedkeuring voor een roetfilter aan de hand van de vermelding van een type roetfilter op de VERT-lijst en een afschrift van het testrapport van een laboratorium dat is erkend voor testen van roetfilters volgens VERT aantoont dat zijn roetfilter voldoet aan de eisen van de VERT-goedkeuring, inclusief de duurproef van 2 maal 1000 uren, zijn de testen en procedures voorgeschreven in artikelen 5 tot en met 17 van deze bijlage niet van toepassing. Deze VERT-goedgekeurde roetfilters worden aangemerkt als een roetfilter van klasse A en beschouwd als een continu regenererend roetfilter, tenzij de aanvrager aantoont dat het een periodiek regenererend filter betreft, uitgerust met een periodiek geactiveerde regeneratie, waarbij de uitlaatgastemperatuur kunstmatig wordt verhoogd gedurende een bepaalde tijdsinterval of wanneer een bepaalde grenswaarde van de uitlaatgastegendruk wordt overschreden. Alleen VERT-goedgekeurde roetfilters waarbij de regeneratie tijdens het rijden plaatsvindt worden geaccepteerd.
- 2. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer uit informatie ontvangen van het BAFU blijkt dat de VERT-goedkeuring is ingetrokken.
- 1. onder welke omstandigheden zulke voorzieningen worden geactiveerd en gedeactiveerd;
- 2. dat zij slechts strekken tot bescherming van de motor of van het roetfilter en niet duurzaam geactiveerd worden;
- 3. dat na een activering de voorziening na hoogstens twee voor het filter geldende testcylci op zodanige wijze wordt gedeactiveerd dat de oorspronkelijke toestand wordt hersteld. Dit moet worden aangetoond in een duurproef die ten minste vijf activeringen en deactiveringen omvat;
- 4. dat aan de aangegeven duurzaamheidscriteria wordt voldaan; en
- 5. dat de bestuurder over de activering van de voorziening wordt geïnformeerd.
- 1. Roetfilters behoren tot een zelfde type indien zij op de volgende parameters niet verschillen:
- a. soort afvang, werkwijze, materiaal voor vermindering (metaal, keramiek);
- b. type filter: klasse A of klasse B;
- c. type regeneratie: periodiek of continu;
- d. constructie van het afvangmateriaal (platen, gevlochten, gewikkeld, minimale cel-, materiaal- en vliesdikte, maximale poreusheid, poriëndiameter, aantal tassen en kogels, oppervlakteruwheid, draad-, kogel- en vezeldiameter);
- e. minimumkatalytische bekleding van het roetfilter (g/ft3);
- f. omhulsel ofverpakking (opslag offixatie van de afvangelement);
- g. wijze van opsluiting ofbevestiging van het filterelement, modulaire opbouw;
- h. volume ± 30%;
- i. regeneratiestrategie (katalytische, thermische regeneratie);
- j. indien van toepassing, soort brandstofadditief / doseerfilter;
- k. indien van toepassing, type additief;
- l. plaats van de montage (maximaal + 0,5 m afstandsverschil tussen turbo-uitgang en inlaat van het roetfilter);
- m. met of zonder opwaarts geplaatste oxidatiekatalysator(en).
- 2. Het eerste lid, onderdeel h, is niet van toepassing op een VERT-goedgekeurd roetfilter.
- a. 100 tot 60% van het vermogen van de basismotor van een motorfamilie als bedoeld in bijlage I punt 8.2. van richtlijn 2005/55 in het toepassingsbereik.
- b. kleinste toegepaste filtervolume (VFI) voor de geselecteerde testmotor overeenkomstig de latere toepassing;
- c. de motor moet qua uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes voldoen aan de grenswaarden die voor het onderhavige type motor golden op het moment van de toelating, gemeten volgens de bij die toelating toegepaste testcycli.
- 1. Het afvangrendement η dient:
- a. bij filters van klasse A ten minste 90% te bedragen. In het geval van VERT-goedgekeurde roetfilters dient aan de overeenkomstige VERT-criteria te worden voldaan; b. bij filters van klasse B voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominaal toerental van meer dan 3000 min–1 ten minste 30%, in alle andere gevallen ten minste 50% te bedragen.
- 2. De gereglementeerde gasvormige verontreinigende stoffen dienen zowel voor als na de retrofit aan de grenswaarden te voldoen die golden voor de oorspronkelijke goedgekeurde euroklasse.
- 3. De NO2/NOx-verhouding van het uitlaatgas wordt voor zowel de uitgangstoestand als voor de geretrofitte toestand bepaald op de wijze aangegeven in bijlage 3 en wordt in het testrapport vermeld.
- 4. De volgens aanhangsel 1 van bijlage III van richtlijn 2005/55 vastgestelde opaciteit mag bij Euro 3-motoren zowel in de uitgangstoestand als in de geretrofitte toestand de waarde van 0,8 m–1 niet overschrijden. Bij Euro 2-motoren moet de opaciteit zowel voor als na het retrofitten voldoen aan de waarde op het symbool bedoeld in punt 4 van bijlage I van richtlijn 72/306.
- 1. Het afvangrendement η dient:
- a. bij filters van klasse A ten minste 90% te bedragen. In het geval van VERT gecertificeerde roetfilter dient aan de overeenkomstige VERT criteria te worden voldaan;
- b. bij filters van klasse B voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominaal toerental van meer dan 3000 min–1 ten minste 30%, in alle andere gevallen ten minste 50% te bedragen.
- 2. De gereglementeerde gasvormige verontreinigende stoffen CO, HC en NOx mogen de grenswaarden van de desbetreffende euroklasse niet overschrijden.
- 3. Bij periodiek regenererende filters wordt de uitstoot van de gasvormige componenten als volgt bepaald: MGas = (n1 × MGas,n1 + n2 × MGas,n2) / (n1 + n2) waarin n1 = aantal ETC-testcycli tussen twee regeneraties n2 = aantal ETC-testcycli gedurende de regeneratie (minimum 1 testcyclus) Mgas,n2 = emissie tijdens de regeneratie Mgas,n1 = emissie tijdens de belading (rekenkundige gemiddelde van de meting bij het begin van de belading en de meting bij het einde van de belading [minimum, meer metingen toelaatbaar])
- 4. De volgens aanhangsel 1 van bijlage III van richtlijn 2005/55 vastgestelde opaciteit mag bij Euro 3 motoren zowel in de uitgangstoestand als in de geretrofitte toestand de waarde van 0,8 m–1 niet overschreden worden. Bij Euro 2 motoren moet de opaciteit zowel voor als na het retrofitten voldoen aan de waarde op het symbool bedoeld in punt 4 van bijlage I van richtlijn 72/306.
- 1. Voor het bepalen van het toepassingsbereik van een roetfilter van dezelfde constructie, maar met verschillende volumina, voor verschillende motortypen of voertuigtypen, mogen de filters niet verschillen voor wat betreft de kenmerken overeenkomstig artikel 5. De grenzen van het toepassingsbereik van een filter worden bepaald door de keuze van de testmotor.
- 2. Het toepassingsbereik van een familie van roetfilters omvat de door de desbetreffende testmotor volgens artikel 8 afgedekte motorfamilie van een motorfabrikant. Toont de aanvrager aan dat een andere motorfamilie van dezelfde fabrikant, met een toepassingsbereik afgedekt door de testmotor, onderscheidenlijk motorenfamilies van een andere fabrikant waarvan het toepassingsbereik wordt afgedekt door de testmotor, niet verschillen voor wat betreft het cilinderslagvolume (+/– 15%) en de wijze van cilindervulling (turbo, interkoeling, natuurlijk aanzuigend) gelijk is, dan kan het toepassingsbereik met die motorenfamilies uitgebreid worden. Mits deze criteria in acht worden genomen kan een toepassingsbereik dat Euro 3 motoren omvat worden uitgebreid met Euro 2 motoren.
- 3. Indien de testmotor niet is voorzien van UGR kan het toepassingsbereik van het roetfilter slechts met motortypen met UGR worden uitgebreid als de aanvrager aantoont dat het roetfilter geen negatieve invloed heeft op de uitstoot van gasvormige uitlaatgascomponenten, dan wel door een vrijgave door de desbetreffende motorfabrikant te overleggen.
- 4. Families van VERT-goedgekeurde roetfilters worden bepaald volgens de VERT-eisen en procedures.
- 1. Voertuigen met boorddiagnosefilters mogen door de montage van het retrofitfilter niet in hun bewakingsfunctie beperkt worden.
- 2. Indien door het achteraf inbouwen van een roetfilter nog andere maatregelen aan emissierelevante onderdelen en filtercomponenten noodzakelijk wordt, zoals een aanpassing van de UGR-regeling ten behoeve van het goed functioneren daarvan, moet de motorfabrikant daarvoor vrijgave hebben verleend.
- 3. De inbouw van het roetfilter mag geen invloed hebben op de gebruiksmogelijkheden van het voertuig en mag geen negatieve gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid.
- 4. In combinatie met roetfilters van klasse B zijn brandstofadditieven ter ondersteuning van de regeneratie niet toegestaan.
- 5. In geval van een roetfilter met een door een brandstofadditief ondersteunde regeneratie dient de aanvrager een door het RIVM afgegeven verklaring van geen bezwaar tegen de combinatie van het filter en het additief te overleggen, dan wel een overeenkomstige ‘Unbedenklichkeitserklärung’ van het Umweltbundesamt van de Bondsrepubliek Duitsland. Deze eis is niet van toepassing voor VERT-gecertificeerde roetfilters.
- 6. Indien voor de goede werking van een roetfilter de oorspronkelijk op een voertuig aanwezige oxidatiekatalysator(en) van belang zijn, dient de montagehandleiding van het roetfilter aan te geven op grond van welke criteria deze oxidatiekatalysatoren eventueel moeten worden vervangen. Vervanging dient in ieder geval plaats te vinden indien de katalysator zichtbare gebreken vertoont. Indien de fabrikant van het roetfilter aantoont dat het filter ook zonder de seriematig aangebrachte oxidatiekatalysator aan de eisen voldoet, wordt dat aangetekend op het goedkeuringsformulier.
- 7. De aanvrager dient aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door het tonen van de resultaten van het uitvoeren van vergelijkingsmetingen, dat door het toepassen van een roetfilter geen zodanige verslechtering van het geluidsniveau te verwachten is dat niet langer aan de van toepassing zijnde eisen wordt voldaan. In geval van een roetfilter dat aanvullend op de oorspronkelijke geluiddemper wordt aangebracht kan van een geluidmeting worden afgezien.
- 8. Indien elektronische onderdelen of stuurapparaten worden gebruikt moeten die aan de eisen inzake radiostoring en EMC conform richtlijn 72/245/EEG of ECE-reglement nr 10 voldoen.
- 9. Het gewogen brandstofverbruik van de motor met roetfilter in de ETC-testcyclus mag maximaal 4% hoger liggen dan in de uitgangstoestand. De metingen ter bepaling van het brandstofverbruik vindt gelijktijdig plaats met de metingen volgens artikel 15 voor continu regenererende filters of artikel 16 voor periodiek regenererende filters. Deze eis is niet van toepassing voor VERT-geodgekeurde roetfilters.
- 1. De maatregelen die worden genomen om de overeenstemming van de productie te garanderen, moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 12 van richtlijn 2007/46/EG.
- 2. De controles als bedoeld in punt 2.2 van bijlage X van richtlijn 2007/46/EG omvatten de controle van de overeenstemming met de in artikel 5 van deze regeling omschreven kenmerken.Voor de toepassing van punt 3.5 van bijlage X van richtlijn 2007/46/EG mogen de in artikelen 6 t/m 13 beschreven tests (voorschriften betreffende emissies) worden uitgevoerd. Voor VERT-gecertificeerde roetfilters wordt in plaats daarvan een voldoende hoeveelheid resultaten van periodieke metingen van de opaciteit van de uitlaatgassen van in gebruik zijnde voertuigen met roetiflters tijdens een vrije acceleratieproef gebruikt om de adequate functionaliteit en duurzaamheid van in serie geproduceerde roetfilters aan te tonen. De grenswaarden voor opaciteit die tijdens deze metingen worden toegepast, worden bepaald volgens de VERT-eisen en methoden.
- 3. Voordat goedkeuringen afgegeven kunnen worden, verstrekt de fabrikant de volgende gegevens betreffende de overeenstemming van de productie (in het Engels, Duits of Nederlands) t.b.v. de ‘eerste beoordeling’ (Engels: Initial Assessment):
- a. een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, volgens een door de Dienst Wegverkeer te verstrekken model;
- b. een beschrijving van de gevraagde informatie, volgens de bijlage van het aanvraagformulier;
- c. een kopie van het ISO9001:2000 certificaat, of gelijkwaardig kwaliteitssysteem, met een relevante scope.
- 4. Fabrikanten die een gecertificeerd kwaliteitssysteem hebben kunnen op basis van deze informatie toegelaten worden en ontvangen een Initial Assessment Statement op basis van een documentenbeoordeling. In plaats van een gecertificeerd kwaliteitssysteem kan de Dienst Wegverkeer door middel van een audit de gelijkwaardigheid vaststellen.
- 5. Indien de fabrikant geen gecertificeerd kwaliteitssysteem heeft, wordt een bedrijfsbeoordeling uitgevoerd op basis van ISO9001:2000 inclusief aspecten ten aanzien van de Conformity of Production (COP).
- 6. Minimaal de volgende aspecten van ISO9001:2000 dienen beschreven en geverifieerd te worden:
- a. kwaliteitsmanagementsysteem
- b. directieverantwoordelijkheid
- c. management van middelen
- d. realiseren van het product
- e. meting, analyse en verbetering.
- 7. Ter bevestiging dat er voldoende maatregelen en procedures zijn voor een effectieve controle op COP ontvangt de fabrikant een Verklaring van Overeenstemming (Engels: Compliance Statement), tegen het gepubliceerde certificaattarief.
- 8. De verklaring heeft een vastgelegde geldigheid.
- 9. Vóór het verlopen van de geldigheid van beide verklaringen zal door de Dienst Wegverkeer een herbeoordeling (COP audit) worden uitgevoerd middels een procescontrole bij de fabrikant om de effectiviteit van de uitgevoerde COP-controles te verifiëren.
- 10. De Dienst Wegverkeer houdt bij het uitoefenen van toezicht op de COP rekening met het toezicht dat daarop eventueel al door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie wordt uitgeoefend.