Bijlage B1 Patentreglement Rijn: als bedoeld in artikel 2.01, derde lid, van het Patentreglement Rijn
Minimumeisen ten aanzien van de lichamelijke geschiktheid van gegadigden voor het Rijnpatent Het gehoor is als voldoende te beschouwen, indien het gemiddeld gehoorverlies van beide oren bij de frequenties 500, 1000, 2000 en 3000 Hz de waarde van 40 dB(A) niet overschrijdt. Indien de waarde van 40 dB wordt overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te merken, als de conversatiespraak met een hoortoestel op 2 m met elk oor afzonderlijk duidelijk wordt verstaan. Indien de navolgende ziekten of lichamelijke gebreken voorkomen kan dit aanleiding geven tot twijfel aan de lichamelijke geschiktheid van de gegadigde als schipper: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
- 1. Gezichtsscherpte bij daglicht: Met of zonder optische hulpmiddelen, ten minste 0,8 met beide ogen gezamenlijk of met het beste oog. Met één oog zien is toegestaan.
- 2. Nachtblindheid: Alleen in twijfelgevallen te onderzoeken. Mesotest zonder verblinding bij een helderheidsniveau van 0,032 cd/m2, Resultaat: Contrast 1 : 2,7.
- 3. Gewenning aan de duisternis: Alleen in twijfelgevallen te onderzoeken. Het resultaat mag niet meer dan een log-eenheid van de normaal kromme afwijken.
- 4. Gezichtsveld: Afwijkingen in het gezichtsveld van het oog met de beste gezichtsscherpte zijn niet toegestaan. In geval van twijfel dient perimetrisch onderzoek verricht te worden.
- 5. Kleurenonderscheidingsvermogen: Het kleurenonderscheidingsvermogen wordt als voldoende beschouwd wanneer de gegadigde voldoet aan de Farnsworth Panel D15 test of een erkende test met kleurplaten. In geval van twijfel onderzoeken met de anomaloscoop, waarbij de Anomaal quotiënt bij een normale trichromasie moet liggen tussen 0,7 en 1,4 of met een andere gelijkwaardige test. Erkende kleurplatentests zijn:
- a. Ishihara volgens de platen 12 tot 14,
- b. Stilling/Velhagen,
- c. Boström,
- d. HRR (resultaat tenminste ‘mild’),
- e. TMC (resultaat tenminste ‘second degree’),
- f. Holmer-Wright B (Resultaat ten hoogte 8 fouten bij ‘small’).
- 6. Motiliteit: Onbelemmerde beweeglijkheid van beide ogen; geen dubbelzien.
- 1. Aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijn- of evenwichtsstoornissen;
- 2. Aandoeningen of laesies van het centrale of perifere zenuwstelsel, gepaard gaande met duidelijke functionele stoornissen; in het bijzonder organische aandoeningen van de hersenen of het ruggenmerg en de daarbij optredende restverschijnselen, functionele stoornissen na schedel- of hersenletsel, cerebrale doorbloedingsstoornissen;
- 3. Geestesziekten;
- 4. Suikerziekte met niet goed instelbare, aanzienlijke schommelingen van de bloedglucose-waarden;
- 5. Manifeste endocriene stoornissen;
- 6. Ernstige aandoeningen van de bloedvormende orgaansystemen;
- 7. Astmatische bronchitis met aanvallen;
- 8. Aandoeningen of veranderingen in het hart of de bloedsomloop resulterend in een verminderde belastbaarheid;
- 9. Aandoeningen of gevolgen na een ongeval, die leiden tot een aanzienlijke bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de kracht in een der ledematen die voor de uit te oefenen arbeid van belang zijn;
- 10. Chronisch alcoholisme, alsmede verslaving aan verdovende middelen, of andere vormen van verslaving.