Bijlage 3 Besluit kerndoelen WEC: bij Besluit kerndoelen WEC
In deze bijlage is de eerste generatie kerndoelen opgenomen voor het voortgezet speciaal onderwijs. Voor het voortgezet speciaal onderwijs zijn in de WEC drie uitstroomprofielen opgenomen: vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding. Voor alle drie de uitstroomprofielen gelden kerndoelen. Voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs zijn dat de kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs. Voor de overige twee profielen gelden er kerndoelen voor de verschillende leergebieden en zijn er kerndoelen gericht op de voorbereiding op de arbeidsmarkt en de dagbesteding. Voor alle drie profielen zijn er leergebiedoverstijgende kerndoelen, die ook voor het profiel vervolgonderwijs gelden voor de gehele schoolperiode. Het onderwijs in dit uitstroomprofiel is gericht op het behalen van een regulier vo-diploma. De leerlingen in dit profiel moeten voor een diploma aan dezelfde eisen voldoen als de leerlingen in het regulier onderwijs. Het onderwijs in dit uitstroomprofiel richt zich niet alleen op de voorbereiding op vervolgonderwijs, maar ook op het leren omgaan met de beperking en op bevordering van de zelfredzaamheid van leerlingen. Zelfredzaamheidscompetenties op het gebied wonen, vrije tijd en burgerschap zullen een belangrijke plaats in het onderwijs moeten krijgen, opdat de leerling zo zelfstandig mogelijk door het leven kan gaan. Bovendien zal er tijdig een plaats in het onderwijsaanbod moeten worden ingeruimd voor de overgang naar het vervolgonderwijs. Het onderwijs in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel is enerzijds gericht op een brede persoonlijke vorming en participatie in de samenleving en anderzijds op duurzame toeleiding van leerlingen naar een passende plaats op de arbeidsmarkt. Tevens is onderwijs in dit uitstroomprofiel gericht op het leren omgaan met de beperking of stoornis en op bevordering van de zelfredzaamheid van leerlingen. Zelfredzaamheidscompetenties hebben een belangrijke plaats in het onderwijs, omdat de leerling wordt toegerust voor een
- • arbeidsmatige activiteiten (werk/taken gericht op productie/resultaat, met beperkte vereisten en werkdruk en zonder «afrekening»);
- • dagbestedingsactiviteiten (activiteiten gericht op eigen ontwikkeling, oefening en behoud van vaardigheden);
- • belevingsgerichte activiteiten (verzorgende en veilige situatie, waarin zoveel mogelijk kansen en stimulansen tot contact/interactie met de omgeving).
- 1. Leren leren.
- 2. Leren taken uitvoeren.
- 3. Leren functioneren in sociale situaties.
- 4. Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief.
- • op zichzelf, hun eigen wensen en voorkeuren;
- • op ontwikkelingsmogelijkheden;
- • op de wereld van opleidingen, werk en/of dagbesteding;
- • op mogelijkheden en wensen met betrekking tot burgerschap, wonen en vrije tijdsbesteding.
- 1. De leerling ontwikkelt een open en flexibele houding ten opzichte van de wereld om hem heen.
- 2. De leerling leert doelgericht en planmatig te leren en daarbij strategieën te gebruiken.
- 3. De leerling leert verschillende soorten informatie te zoeken, te beoordelen en te gebruiken.
- 4. De leerling leert op basis van feiten een mening te vormen, deze adequaat te uiten en respectvol om te gaan met andere meningen.
- 5. De leerling leert zich redzaam en weerbaar te gedragen bij de uitvoering van dagelijkse activiteiten.
- 6. De leerling leert op doelgerichte, planmatige en methodische wijze taken en activiteiten uit te voeren.
- 7. De leerling leert samen te werken aan een taak of activiteit.
- 8. De leerling leert op adequate wijze om te gaan met eigen gevoelens en wensen.
- 9. De leerling leert respectvol en verantwoordelijk om te gaan met anderen.
- 10. De leerling krijgt zicht op de eigen voorkeuren, interesses en toekomstwensen op het gebied van werken, wonen, vrije tijd en burgerschap.
- 11. De leerling leert afwegingen en keuzes te maken die leiden tot een passend persoonlijk toekomstperspectief, met realiseerbare mogelijkheden en kansen.
- 10. De leerling leert vertrouwde woorden en basiszinnen te begrijpen die zichzelf, zijn/haar familie en directe concrete omgeving betreffen, wanneer mensen langzaam en duidelijk spreken.
- 11. De leerling leert vertrouwde namen, woorden en zeer eenvoudige zinnen begrijpen, bijvoorbeeld in mededelingen, op posters en in catalogi.
- 12. De leerling leert deel te nemen aan een eenvoudig gesprek waarin hij eenvoudige vragen kan stellen en beantwoorden die een directe behoefte of zeer vertrouwd onderwerp betreffen.
- 13. De leerling leert in spreektaal een beeld te geven van zichzelf, anderen en de naaste omgeving.
- 14. De leerling leert een korte eenvoudige schriftelijke mededeling te doen en leert formulieren in te vullen met persoonlijke details.
- 15. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven Engelstalige teksten.
- 16. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn/haar woordenschat.
- 26. De leerling leert over zorg en leert te zorgen voor een gezonde voeding, voor de woon- en leefomgeving en voor de persoonlijke verzorging en presentatie.
- 27. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de school-, leef- en werkomgeving.
- 28. De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam en van de lichamelijke, seksuele en geestelijke ontwikkeling van mensen en leert te zorgen voor de eigen lichamelijke, seksuele en psychische gezondheid.
- 29. De leerling leert veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en leert te zorgen voor planten en/of dieren.
- 30. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg om te gaan met het milieu.
- 31. De leerling leert aan de hand van toepassingen uit het dagelijks leven technische en natuurkundige principes te herkennen.
- 32. De leerling leert technische toepassingen te herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.
- 33. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud uit te voeren.
- 34. De leerling leert over veiligheidsaspecten en leert veilig te handelen op school, thuis en op de werkplek.
- 35. De leerling leert over de rol van de consument in de Nederlandse samenleving, leert als consument bewuste en kritische keuzes te maken en leert daarbij bewust om te gaan met sociale druk.
- 36. De leerling leert te budgetteren en leert de eigen financiën te beheren, mede met het oog op zelfstandig wonen in de toekomst.
- 37. De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland en de wereld te gebruiken om zich te kunnen verplaatsen en te reizen.
- 38. De leerling leert over het belang en de betekenis van werk voor zichzelf en oriënteert zich op de eigen plaats binnen een arbeidsorganisatie en op regelingen voor arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.
- 39. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om de vrije tijd te besteden en verkent actief de eigen mogelijkheden om te participeren aan activiteiten in de vrije tijd.
- 40. De leerling leert over burgerschap in de Nederlandse samenleving en de eigen rol als burger in te vullen en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.
- 41. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en hoe hij zelf daarbij betrokken kan zijn.
- 42. De leerling leert perioden, gebeurtenissen en personen uit zijn eigen leven en leefomgeving te ordenen in de tijd.
- 43. De leerling leert enkele belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in de tijd te plaatsen.
- 44. De leerling oriënteert zich op het sociaal-culturele aanbod in zijn omgeving, leert een voor hem passende keuze te maken uit dit aanbod en leert actief deel te nemen aan culturele activiteiten.
- 45. De leerling leert zich creatief en kunstzinnig te uiten, passend bij de eigen talenten, voorkeuren en mogelijkheden.
- 46. De leerling leert eigen creatief of kunstzinnig werk, alleen of met een groep, aan derden te presenteren.
- 47. De leerling leert te vertellen en na te denken over eigen creatief of kunstzinnig werk en over het werk van anderen.
- 48. De leerling leert deel te nemen aan activiteiten uit verschillende bewegingsgebieden.
- 49. De leerling leert deel te nemen aan verschillende spelvormen en sportactiviteiten.
- 50. De leerling leert deel te nemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.
- 51. De leerlingen leren zelfstandig met elkaar bewegingssituaties te reguleren.
- 52. De leerlingen leren met elkaar bewegingssituaties positief te beleven.
- 53. De leerling leert over de waarde van bewegen voor gezondheid en welzijn en ontwikkelt een gewoonte van regelmatig en verantwoord bewegen.
- 54. De leerling oriënteert zich op sport- en bewegingsmogelijkheden in zijn omgeving, leert een voor hem passende keuze te maken uit dit aanbod en leert actief deel te nemen aan bewegingsactiviteiten buiten schoolverband.
- 59. De leerling verkent actief werkvelden en beroepen, bij voorkeur in de eigen regio.
- 60. De leerling leert vaardigheden om werk te verwerven, te behouden en om van werk te veranderen.
- 61. De leerling ontwikkelt algemene competenties voor arbeid, met name de volgende:
- 61.1 De leerling leert samen te werken en te overleggen.
- 61.2 De leerling leert instructies en procedures op te volgen.
- 61.3 De leerling leert bij arbeidsmatige taken de juiste materialen en middelen op een doelmatige en doelgerichte manier in te zetten.
- 61.4 De leerling leert de eigen beroepsmatige werkzaamheden te plannen en te organiseren.
- 61.5 De leerling leert kwaliteit te leveren in arbeidsmatige situaties.
- 61.6 De leerling leert ethisch en integer te handelen in beroepssituaties.
- 61.7 De leerling leert om te gaan met veranderingen en zich aan te passen.
- 61.8 De leerling leert met druk en tegenslag om te gaan.
- 62. De leerling ontwikkelt specifieke beroepsvaardigheden die passen bij de eigen keuzes, mogelijkheden en beperkingen. Afhankelijk van het gekozen beroep kan dat een combinatie zijn van vakspecifieke fysieke, manuele en/of mentale vaardigheden, kwaliteiten of vermogens.
- • zorg voor voeding, hygiëne en gezondheid (kerndoelen 14–16)
- • planten en dieren (kerndoel 17)
- • duurzaamheid en zorg voor de omgeving, milieu (kerndoel 18)
- • techniek, hulpmiddelen en veiligheid (kerndoelen 19–21)
- 14. De leerling leert zorg te dragen voor gezonde voeding en het verzorgen van de maaltijden.
- 15. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de eigen school-, leef- en werkomgeving.
- 16. De leerling leert hoofdzaken van bouw en functie van het menselijk lichaam en de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, en leert zorg te dragen voor de eigen lichamelijke, seksuele en psychische gezondheid.
- 17. De leerling leert te zorgen voor planten en dieren in de eigen leefomgeving, en leert veel voorkomende planten en dieren in de eigen leefomgeving te onderscheiden.
- 18. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg omgaan met het milieu.
- 19. De leerling leert technische toepassingen herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.
- 20. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud in de eigen leef- en woonomgeving uit te voeren.
- 21. De leerling leert over veiligheidsaspecten en leert zorg te dragen voor veiligheid voor zichzelf en anderen op school, thuis en op de werkplek.
- 22. De leerling leert wat hij voor een bescheiden bedrag kan kopen op basis van eigen voorkeuren.
- 23. De leerling leert zich te oriënteren op de ruimtelijke omgevingen waarin hij zich bevindt met aandacht voor basale verkeersregels.
- 24. De leerling leert deel te nemen aan werk en activiteitengroepen en daarin sociale gedragsregels te onderkennen en toepassen.
- 25. De leerling leert over het begeleid wonen in woongroepen, in het bijzonder over het naleven van leefregels, het belang van huishoudelijke taken en het milieu.
- 26. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om zijn vrije tijd te besteden.
- 27. De leerlingen leren herkennen dat in de samenleving, onder meer op het gebied van seksualiteit, verschillen en overeenkomsten zijn tussen mensen en groepen van mensen in de wijze waarop ze leven.
- 28. De leerling leert hoe hij betrokken kan zijn in medezeggenschap en besluitvormingsprocessen en welke bijdragen hij kan leveren aan een plezierige en stimulerende leer-, werk- en woonomgeving.
- 29. De leerling maakt kennis met het (sociaal-)culturele aanbod in zijn omgeving door actief deel te nemen aan culturele activiteiten.
- 30. De leerling leert vaardigheden waarmee hij zich creatief en kunstzinnig wil en kan uiten, passend bij de eigen mogelijkheden, talenten en voorkeuren.
- 31. De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of binnen een groep, aan anderen (medeleerlingen, ouders) te presenteren.
- 32. De leerling leert te communiceren over eigen kunstzinnig werk en dat van anderen.
- 33. De leerling leert deelnemen aan activiteiten uit verschillende bewegingsgebieden.
- 34. De leerling leert deel te nemen aan verschillende spelvormen en sportactiviteiten.
- 35. De leerling leert deel te nemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.
- 36. De leerlingen leren gezamenlijke bewegingssituaties met elkaar te reguleren.
- 37. De leerling leert bewegingssituaties positief te beleven.
- 38. De leerling leert de betekenis van bewegen voor gezondheid waarderen.
- 39. De leerling leert deel te nemen aan bewegings- en sportactiviteiten buiten schoolverband.
- 43. De leerling verkent de mogelijkheden van al dan niet arbeidsmatige dagbesteding die bereikbaar zijn.
- 44. De leerling leert vaardigheden die het kiezen voor deelname aan en veranderen van vormen van al dan niet arbeidsmatige dagbesteding mogelijk maken.
- 45. De leerling voor wie het functioneren in vormen van arbeidsmatige dagbesteding mogelijk is, ontwikkelt met name de volgende algemene competenties voor het functioneren daarin:
- 45.1 De leerling leert samen te werken en te overleggen.
- 45.2 De leerling leert instructies en procedures op te volgen.
- 45.3 De leerling leert bij arbeidsmatige taken de juiste materialen en middelen op een doelmatige en doelgerichte manier in te zetten.
- 45.4 De leerling leert de eigen arbeidsmatige taken te plannen en te organiseren.
- 45.5 De leerling leert kwaliteit te leveren in arbeidsmatige situaties.
- 45.6 De leerling leert ethisch en integer te handelen in arbeidsmatige situaties.
- 45.7 De leerling leert om te gaan met veranderingen en zich aan te passen.
- 45.8 De leerling leert met druk en tegenslag om te gaan.
- 46. De leerling voor wie het functioneren in vormen van arbeidsmatige dagbesteding mogelijk is, ontwikkelt specifieke arbeidsmatige vaardigheden die passen bij de eigen keuzes, mogelijkheden en beperkingen.