Art. 3.1 Binnenvaartregeling, Technische voorschriften

Binnenvaartregeling

In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:

a. Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat:

a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,

b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en

c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;

niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden;

a. skûtsje: zeilend passagiersschip:

a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,

b. dat is gebouwd voor 1950, en

c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.