Bijlage 1 Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009
Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009
De kandidaat beschikt over kennis van en inzicht in onderwerpen die voor een veilige, vlotte en milieubewuste verkeersdeelname relevant zijn, doordat hij: Vervallen. De kandidaat laat in reële verkeerssituaties zien dat hij als eerste bestuurder van een personenauto veilig, vlot en milieubewust kan autorijden, doordat hij: De kandidaat kan tijdens een zelfstandig gereden verkeersopgave in reële verkeerssituaties verwoorden hoe de taakprocessen, die nodig zijn om concrete verkeersopgaven op te lossen, doorlopen moeten worden. Hij beschikt daartoe over kennis van en inzicht in de verkeerstaak van de bestuurder en in de taakprocessen die doorlopen moeten worden om te kunnen komen tot een veilige, vlotte en milieubewuste uitvoering van de verkeerstaak. De kandidaat bepaalt vooraf een rijvaardigheids-didactische structuur waarin de rijopleiding aangeboden wordt, maar gaat hier tegelijkertijd tijdens de opleiding flexibel mee om als de situatie van de cursist dat vereist. Hij is bereid de opleiding af te stemmen op de specifieke kenmerken en de vorderingen van de cursist. Hij geeft in principe les volgens een vooraf bepaalde rijvaardigheids-didactische structuur, maar weet wanneer hij hiervan moet afwijken. Hij beschikt hiertoe over kennis en inzicht in: De kandidaat laat zien dat hij als tweede bestuurder van een lesauto beschikt over voertuigbeheersing, doordat hij:
- a. relevante wet- en regelgeving kent en deze kan toepassen in concrete verkeerssituaties;
- b. in verkeerssituaties, waarbij geen specifieke wet of regel geldt, zijn beslissing laat afhangen van de dan geldende maatschappelijke criteria (veiligheid, doorstroming, bereikbaarheid en milieu) en de van toepassing zijnde rijprocedure;
- c. beschikt over het gewenste rij- en weginzicht:
- – hij kan de risico’s in het verkeer inschatten;
- – hij kan de risico’s van de weg- en de weersomstandigheden inschatten;
- – hij kent zwakke en sterke punten van het andere verkeer en weet hoe hij daarmee rekening moet houden;
- d. beschikt over het gewenste inzicht in eigen risicovolle neigingen:
- – hij heeft kennis van en inzicht in persoonlijke factoren en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op zijn gedragskeuzen in het verkeer;
- – hij kent zwakke en sterke punten van zijn eigen rijvaardigheid en weet hoe hij daarmee rekening moet houden;
- e. beschikt over kennis van de personenauto met betrekking tot de bediening, de werking, de defectenbehandeling en het onderhoud voor zover die relevant zijn voor een veilige, verantwoorde, vlotte en milieubewuste verkeersdeelname;
- f. beschikt over kennis van en inzicht in de afhandeling van aanrijdingen en ongevallen en over toepassing van EHBO in deze situaties.
- a. vooraf de noodzakelijke voorbereidings- en controlehandelingen kan uitvoeren;
- b. in zijn keuze en planning van de verkeersdeelname rekening houdt met zowel persoonlijke risicovolle kenmerken en omstandigheden als externe risicovolle factoren en omstandigheden;
- c. op een soepele wijze met de bedieningsorganen van de personenauto omgaat;
- d. onder alle omstandigheden het voertuig beheerst, zijn rijtaak voortdurend afstemt op de eigen gedragsmogelijkheden en tevens afstemt op externe risico’s; en
- e. zorgt dat het gekozen rijgedrag voortdurend in overeenstemming is met de voorschriften van de verkeerswetgeving en de Rijprocedure B respectievelijk Rijprocedure T en hij de handelingen op een correcte en verantwoorde wijze uitvoert conform de inhoud van de Rijprocedure B respectievelijk Rijprocedure T. Dit betekent dat hij op een aangepaste, sociale en verkeersinzichtelijke wijze en met een zodanige besluitvaardigheid aan het verkeer deelneemt, zodat hij zoveel mogelijk bijdraagt aan de verkeersveiligheid en de verkeersdoorstroming en het milieu zoveel mogelijk ontziet.
- 1. de principes waarlangs een structuur in de opleiding kan worden opgebouwd (eenvoudig-complex naar type rijtaak, verkeersomgeving);
- 2. wat de inhoud en functie van een leergang (lesprogramma) en een lesplan in het leer- en instructieproces is;
- 3. de fasen die in het instructieproces bij het lesgeven aan rijschoolleerlingen te onderscheiden zijn;
- 4. de methoden waarmee leerlingen een groeiende bekwaamheid verwerven in het vlot, veilig en milieubewust uitvoeren van rijtaken;
- 5. de kenmerken en eigenschappen van leerlingen die van invloed kunnen zijn op het instructie- en begeleidingsproces, en de wijze waarop met die kenmerken en eigenschappen in de verschillende fasen van de opleiding moet worden omgegaan;
- 6. de didactische en communicatieve vaardigheden die bij de begeleiding van leerlingen een belangrijke rol spelen.
- 1. De kandidaat kan de lesplannen vertalen in concrete lesactiviteiten en didactische werkvormen om stapsgewijs bepaalde leerdoelen te bereiken, doordat hij:
- a. lesactiviteiten en daarbij passende werkvormen, inhouden, routes en mate van ondersteuning voorbereidt;
- b. bereid is de opleiding af te stemmen op de specifieke kenmerken van de cursist.
- 2. De rijinstructeur beschikt hiertoe over kennis van en inzicht in:
- a. de belangrijkste didactische werkvormen die ten aanzien van de rijopleiding kunnen worden onderscheiden en bij welke gewenste leeractiviteiten een bepaalde werkvorm is geïndiceerd;
- b. de verschillende lesactiviteiten die hij kan toepassen om verschillende soorten leerdoelen te bereiken, de fasering die hij moet aanbrengen bij instructie over een nieuw onderdeel van rijvaardigheid en de daarbij passende instructiemethoden en mate van ondersteuning;
- c. de instructiemethoden die hij kan hanteren om ervoor te zorgen dat nieuw aangeleerd gedrag ook wordt toegepast in verschillende nieuwe verkeerssituaties;
- d. de verschillende media die hij tijdens de rijopleiding kan toepassen, hoe hij ze kan toepassen en wanneer toepassing geïndiceerd is.
- 1. De kandidaat weet een vloeiend verloop van de lessen te realiseren, doordat hij:
- a. duidelijke afspraken maakt en regels stelt;
- b. realistisch en flexibel kan plannen en de tijd bewaken;
- c. de te rijden routes goed voorbereidt;
- d. de lesruimte (lesvoertuig en leslokaal) zorgvuldig en adequaat heeft ingericht.
- e. lesonderbrekingen voorkomt en zonodig opvangt met behoud van maximale leertijd voor de leerling;
- f. adequate informatie verstrekt over procedures, inhoud en exameneisen voor het theorie- en praktijkexamen van het CBR en hierop tijdens het instructieproces anticipeert.
- 2. Hiertoe beschikt de rijinstructeur over kennis en inzicht in:
- a. de organisatorische en tijdsconsequenties van het gebruik van verschillende lesactiviteiten en didactische werkvormen;
- b. de technische problemen die zich voor kunnen doen bij het gebruik van het lesvoertuig;
- c. de procedures, inhoud en exameneisen voor het theorie- en praktijkexamen van het CBR en de manier waarop hij hierop moet anticiperen tijdens het instructieproces.
- 1. De kandidaat kan zijn deskundigheid overbrengen en kan de cursist opleiden tot een veilige, vlotte en milieubewuste bestuurder, doordat hij doelgerichte instructie geeft die bijdraagt aan de verwerving van kennis en vaardigheden, waarbij de cursist leert:
- a. op een geautomatiseerd niveau te rijden volgens de rijprocedure en ervan af te wijken als de situatie dat vraagt;
- b. gevaarlijke (nood)situaties te herkennen, de risico’s ervan in te schatten en adequaat te handelen;
- c. de regels op een juiste manier toe te passen in concrete situaties;
- d. volgens een milieubewuste rijstijl te rijden;
- e. bereid is de instructiewijze af te stemmen op het verloop en de voortgang in het leerproces, en op het welbevinden van de cursist;
- f. anticipeert op voor de cursist risicovolle, maar mogelijk ook leerzame situaties door een tijdige en adequate waarneming, de cursist adequaat en tijdig informeert over mogelijk gevaarlijke situaties en op die manier zoveel mogelijk voorkomt dat de cursist verkeersovertredingen maakt of dat hij die verkeersovertredingen zo kort mogelijk laat duren.
- 2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
- a. de kenmerken en eigenschappen van leerlingen die van invloed kunnen zijn op het instructieproces, en de wijze waarop met die kenmerken en eigenschappen moet worden omgegaan;
- b. de principes waarlangs een lesstructuur en uitleg worden opgebouwd;
- c. de verschillende lesactiviteiten die hij kan toepassen om verschillende soorten leerdoelen te bereiken, de fasering die hij moet aanbrengen bij instructie over een nieuw onderdeel van rijvaardigheid en de daarbij passende instructiemethoden en mate van ondersteuning;
- d. de instructiemethoden die hij kan hanteren om ervoor te zorgen dat nieuw aangeleerd gedrag ook wordt toegepast in verschillende nieuwe verkeerssituaties;
- e. de verschillende media die hij tijdens de rijopleiding kan toepassen, hoe hij ze kan toepassen en wanneer toepassing geïndiceerd is.
- 1. De kandidaat begeleidt of coacht de cursist bij zijn leerproces en draagt er mede zorg voor dat de cursist met plezier, inzet en zelfvertrouwen deelneemt aan de opleiding. De cursist wordt ondersteund in zijn leren doordat de rij-instructeur een positief leerklimaat weet te creëren, waarbij de cursist in toenemende mate van zelfstandigheid de relevante competenties en een positieve taakhouding verwerft. Dat doet de rijinstructeur doordat hij:
- a. waarde hecht aan het scheppen van een veilige sfeer tijdens de opleidingsactiviteiten;
- b. vertrouwen heeft in het feit dat alle cursisten kunnen leren in de loop van het opleidingstraject (hij heeft geduld en schrijft niet te snel af);
- c. steeds een goed beeld heeft van het leerproces van de cursist en van mogelijke knelpunten die zich voordoen;
- d. waarde hecht aan kennis van de achtergrond en eigenschappen van de cursist en daarop inspeelt tijdens de opleiding en bij de begeleiding;
- e. bij het verzorgen van de opleiding waarde hecht aan het persoonlijk welbevinden van cursisten naast het bereiken van de inhoudelijke leerdoelen;
- f. bereid is de opleiding te verzorgen vanuit een rol die ondersteunend is aan het leerproces van de cursist (en niet uitsluitend als inhoudsdeskundige die kennis overdraagt);
- g. de cursist ondersteunt in zijn taakaanpak, in het zelfstandig oplossen van situaties en in zijn reflectie op eigen ontwikkeling en handelen;
- h. begeleidingsvaardigheden in de interactie met leerlingen beheerst.
- 2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
- a. de mogelijke gevolgen van de persoonlijke achtergrond van de cursist voor zijn leerklimaat en leerhouding;
- b. de effecten van (on)veiligheid en vertrouwen, emoties, motivatie, of sfeer op het leerproces van de cursist;
- c. de inhoud van verschillende vormen van feedback geven, bekrachtigen en motiveren en het effect daarvan op de mate van initiatief, welbevinden en zelfvertrouwen bij de cursist.
- 1. De kandidaat kan instrumenten hanteren die de vorderingen van de cursist in kaart brengen, zodat op basis van de resultaten de instructie en coaching kunnen worden bijgestuurd, de volgende les kan worden voorbereid en de examengereedheid kan worden vastgesteld.
- 2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
- a. de hoofdvormen van ‘evalueren’ van lessen in de praktijk;
- b. de te onderscheiden niveaus waarop een leerling de uitvoering van rijtaken en verkeersmanoeuvres kan beheersen;
- c. de diverse toetsmethoden die kunnen worden gehanteerd.
- 1. voorbereidingen treft om tijdig en adequaat verkeerssituaties te kunnen waarnemen en in te kunnen grijpen vanaf de bijrijdersstoel. Hiervoor is het belangrijk dat hij:
- a. vooraf de stand van de extra spiegels controleert; en
- b. vooraf de werking van de dubbele bediening controleert.
- 2. vanaf de bijrijdersstoel tijdens het rijden verkeerssituaties goed kan overzien en tijdig in kan grijpen zonder de beheersing over het lesvoertuig te verliezen. Hiervoor is het belangrijk dat hij:
- a. de extra spiegels tijdens het rijden op een juiste wijze gebruikt;
- b. tijdig en adequaat gebruik kan maken van de dubbele bediening; en
- c. tijdig en adequaat een stuuringreep kan maken.
- 1. De kandidaat kan zijn deskundigheid overbrengen en kan de cursist opleiden tot een veilige, vlotte en milieubewuste bestuurder, doordat hij:
- a. Doelgerichte instructie geeft die bijdraagt aan de verwerving van kennis en vaardigheden, waarbij de cursist leert:
- 1. op een geautomatiseerd niveau te rijden volgens de rijprocedure en ervan af te wijken als de situatie dat vraagt;
- 2. gevaarlijke (nood)situaties te herkennen, de risico’s ervan in te schatten en adequaat te handelen;
- 3. de regels op een juiste manier toe te passen in concrete situaties;
- 4. volgens een milieubewuste rijstijl te rijden.
- b. Bereid is de instructiewijze af te stemmen op het verloop en de voortgang in het leerproces, en op het welbevinden van de cursist;
- c. Anticipeert op voor de cursist risicovolle, maar mogelijk ook leerzame situaties door een tijdige en adequate waarneming, de cursist adequaat en tijdig informeert over mogelijk gevaarlijke situaties en op die manier zoveel mogelijk voorkomt dat de cursist verkeersovertredingen maakt of dat hij die verkeersovertredingen zo kort mogelijk laat duren.
- 2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
- a. De kenmerken en eigenschappen van leerlingen die van invloed kunnen zijn op het instructieproces, en de wijze waarop met die kenmerken en eigenschappen moet worden omgegaan;
- b. De principes waarlangs een lesstructuur en uitleg worden opgebouwd;
- c. De verschillende lesactiviteiten die hij kan toepassen om verschillende soorten leerdoelen te bereiken, de fasering die hij moet aanbrengen bij instructie over een nieuw onderdeel van rijvaardigheid en de daarbij passende instructiemethoden en mate van ondersteuning;
- d. De instructiemethoden die hij kan hanteren om ervoor te zorgen dat nieuw aangeleerd gedrag ook wordt toegepast in verschillende nieuwe verkeerssituaties;
- e. De verschillende media die hij tijdens de rijopleiding kan toepassen, hoe hij ze kan toepassen en wanneer toepassing geïndiceerd is.
- 1. De kandidaat begeleidt of coacht de cursist bij zijn leerproces en draagt er mede zorg voor dat de cursist met plezier, inzet en zelfvertrouwen deelneemt aan de opleiding. De cursist wordt ondersteund in zijn leren doordat de rij-instructeur een positief leerklimaat weet te creëren, waarbij de cursist in toenemende mate van zelfstandigheid de relevante competenties en een positieve taakhouding verwerft. Dat wil zeggen dat hij:
- a. Waarde hecht aan het scheppen van een veilige sfeer tijdens de opleidingsactiviteiten;
- b. Vertrouwen heeft in het feit dat alle cursisten kunnen leren in de loop van het opleidingstraject (hij heeft geduld en schrijft niet te snel af);
- c. Steeds een goed beeld heeft van het leerproces van de cursist en van mogelijke knelpunten die zich voordoen;
- d. Waarde hecht aan kennis van de achtergrond en eigenschappen van de cursist en daarop inspeelt tijdens de opleiding en bij de begeleiding;
- e. Bij het verzorgen van de opleiding waarde hecht aan het persoonlijk welbevinden van cursisten naast het bereiken van de inhoudelijke leerdoelen;
- f. Bereid is de opleiding te verzorgen vanuit een rol die ondersteunend is aan het leerproces van de cursist (en niet uitsluitend als inhoudsdeskundige die kennis overdraagt);
- g. De cursist ondersteunt in zijn taakaanpak, in het zelfstandig oplossen van situaties en in zijn reflectie op eigen ontwikkeling en handelen;
- h. Begeleidingsvaardigheden in de interactie met leerlingen beheerst.
- 2. Hiertoe beschikt de rijinstructeur over kennis van en inzicht in:
- a. De mogelijke gevolgen van de persoonlijke achtergrond van de cursist voor diens leerklimaat en leerhouding;
- b. De effecten van (on)veiligheid en vertrouwen, emoties, motivatie, of sfeer op het leerproces van de cursist;
- c. De rij-instructeur kent de inhoud van verschillende vormen van feedback geven, bekrachtigen en motiveren en het effect daarvan op de mate van initiatief, welbevinden en zelfvertrouwen bij de cursist.
- 1. De rijinstructeur kan instrumenten hanteren die de vorderingen van de cursist in kaart brengen, zodat op basis van de resultaten de instructie en coaching kan worden bijgestuurd, de volgende les kan worden voorbereid en de examengereedheid kan worden vastgesteld.
- 2. Hiertoe beschikt de rijinstructeur over kennis van en inzicht in:
- a. De hoofdvormen van ‘evalueren’ van lessen in de praktijk;
- b. De te onderscheiden niveaus waarop een leerling de uitvoering van rijtaken en verkeersmanoeuvres kan beheersen;
- c. De diverse toetsmethoden die kunnen worden gehanteerd.
- 1. De kandidaat die deelneemt aan de stage, sluit deze voor het einde daarvan af met een beoordeling met het oordeel ‘voldoende’.
- 2. De beoordeling vindt plaats door een examinator door beoordeling van één door de stagiair aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de betrokken motorrijtuigcategorie zelf gegeven rijles. Het onderwerp of de onderwerpen van de rijles worden gekozen door de examinator, gebaseerd op de vorderingen van de leerling.
- 3. De stagiair verleent medewerking aan de beoordeling en geeft het instituut voldoende gelegenheid binnen de geldende termijnen een beoordeling te geven. De examinator rijdt mee in het motorvoertuig waarin de kandidaat rijles geeft aan een leerling, behalve bij de te beoordelen les voor motorrijtuigcategorie A. Bij de beoordeling voor de motorrijtuigcategorie A rijdt de examinator achter de leerling of leerlingen en, indien van toepassing, de kandidaat op de motorfiets dan wel achter de leerling of leerlingen op de motorfiets in het volgvoertuig waarvan de kandidaat de bestuurder is.