Bijlage X Regeling voertuigen: behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Vervallen. Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren. Eisen Wijze van keuren § 0. Algemeen Artikel 1.2 De in het voertuig geïnstalleerde LPG-installatie moet zodanig functioneren dat de maximale bedrijfsdruk waarvoor deze is ontworpen en goedgekeurd, niet kan worden overschreden. Visuele controle. Artikel 1.3 1. De volgende LPG-onderdelen moeten voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 67: Visuele controle van het VN/ECE-goedkeuringsmerk. a. de LPG-tank; b. de 80%-vulklep voorzien van terugslagklep; c. de niveaumeter; d. de veerveiligheid; e. de op afstand bediende afnamekraan met doorstroombegrenzer; f. de gasdichte behuizing; g. de drukregelaar en verdamper, eventueel gecombineerd; h. de op een afstand bediende gasafsluiter; i. de flexibele slang die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar; j. de vuleenheid; k. de terugslagklep; l. de overdrukklep van de gasleiding; m. de LPG-brandstofpomp; n. de gasdoseringseenheid; o. de gasinjector; p. het LPG-filter, met uitzondering van het LPG-filter die in de LPG-tank wordt gemonteerd; q. de druk- of temperatuursensor; r. de overdrukinrichting(smeltprop); s. de doorvoerisolator voor de voeding van de LPG-brandstofpomp of het vloeistofniveau; t. de elektronische regeleenheid; u. de servicekoppeling. 2. De tankappendages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, en de appendage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel s, kunnen met elkaar zijn gecombineerd tot een multiklep. Beoordeling vindt plaats aan de hand van de informatie vermeld op het goedkeuringscertificaat van de LPG-tank. 3. De op afstand bediende gasafsluiter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, kan zijn gecombineerd met de verdamper/d
- 1. De volgende CNG-onderdelen moeten voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 110:
- a. de CNG-tank;
- b. de overdrukbeveiliging ten behoeve van de CNG-tank;
- c. de automatische tankafsluiter;
- d. de gasdichte behuizing;
- e. de flexibele slang die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar;
- f. de drukregelaar;
- g. de automatische afsluitklep;
- h. de vulaansluiting;
- i. de terugslagklep;
- j. de handafsluiter;
- k. de gasregeleenheid welke functioneert bij een druk hoger dan 0,2 bar;
- l. het inspuitstuk welke functioneert bij een druk hoger dan 0,2 bar;
- m. de CNG-filtereenheid die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar;
- n. de druk- of temperatuursensor;
- o. de doorstroombegrenzer;
- p. de veerveiligheid;
- q. de elektronische controle-eenheid.
- 2. De CNG-onderdelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en j, mogen met elkaar zijn gecombineerd.
- 1. De beoordeling van het bepaalde in artikel 1.30, eerste lid, vindt plaats door middel van visuele controle.
- 2. De in artikel 1.30, tweede lid, gestelde eisen worden, in geval van twijfel, beoordeeld aan de hand van het goedkeuringscertificaat.
- a. een CNG-tank;
- b. een overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank;
- c. een automatische tankafsluiter;
- d. een drukindicator of brandstofmeter;
- e. een drukregelaar;
- f. een automatische afsluitklep die gecombineerd mag zijn met de drukregelaar;
- g. een vulaansluiting;
- h. gasleidingen en flexibele slangen;
- i. gasvoerende verbindingen tussen de CNG-onderdelen;
- j. een inspuitstuk dan wel gasmengstuk;
- k. een handafsluiter;
- l. een gasregeleenheid;
- m. een doorstroombegrenzer;
- n. een elektronische controle-eenheid;
- o. een gasdichte behuizing, indien CNG-onderdelen zich in de personenruimte of gesloten laadruimte bevinden.
- 1. Alle onderdelen van de CNG-installatie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
- 2. De CNG-installatie mag geen lekkage vertonen.
- 1. De CNG-installatie moet zodanig zijn aangebracht dat deze zo goed mogelijk is beschermd tegen beschadigingen, zoals beschadigingen die kunnen worden veroorzaakt door aanrijdingen, bewegende voertuigdelen, steenslag, boomtakken of als gevolg van het laden of lossen van het motorvoertuig dan wel het verschuiven van de lading.
- 2. Geen enkel onderdeel van de CNG-installatie inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel uitmaakt van het desbetreffende onderdeel mag buiten de zijdelingse contouren van het motorvoertuig uitsteken, met uitzondering van de vulaansluiting indien deze ten opzichte van de plaats van de bevestiging niet meer dan 10 mm uitsteekt.
- 3. Met uitzondering van de CNG-tank mogen, gezien in elke dwarsdoorsnede van het motorvoertuig, geen onderdelen van de CNG-installatie, inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel uitmaakt van het desbetreffende onderdeel, aan de onderzijde van de voertuigconstructie uitsteken, tenzij binnen een straal van 150 mm een deel van het voertuig lager is gelegen.
- 4. Alle CNG-onderdelen waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moeten zodanig zijn aangebracht dat ze controleerbaar zijn en dat de identificatiemerken leesbaar zijn.
- 1. Indien de CNG-tank is aangebracht in de personenruimte of in de gesloten laadruimte van het voertuig, moet deze zijn voorzien van een gasdichte behuizing.
- 2. Gasleidingen en -slangen die in de personenruimte of in de gesloten laadruimte van het voertuig aanwezig zijn, mogen niet langer zijn dan noodzakelijk is om vanuit de CNG-tank één van beide zijkanten van het motorvoertuig te bereiken.
- 3. In de personenruimte of gesloten laadruimte mogen geen gasvoerende verbindingen aanwezig zijn met uitzondering van:
- a. de verbindingen in de gasdichte behuizing, en
- b. de verbinding tussen gasleiding of -slang en de vulaansluiting indien deze verbinding is voorzien van een omkapseling die bestand is tegen CNG en in open verbinding staat met de buitenlucht.
- 4. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing, indien het een bus betreft en de gasleidingen zijn voorzien van een omkapseling die bestand is tegen CNG en in open verbinding staan met de buitenlucht.
- 1. Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het motorvoertuig.
- 2. In afwijking van het eerste lid, mag een voertuig zijn voorzien van een verwarmingsinstallatie die is aangesloten op de CNG-installatie en bedoeld is voor het verwarmen van de personenruimte en de laadruimte.
- 3. De verwarmingsinstallatie, bedoel in het tweede lid, is naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer voldoende beveiligd en beïnvloedt de vereiste werking van de normale CNG-installatie niet.
- 1. De CNG-installatie moet zijn voorzien van een verklaring met bijbehorende detailtekening door of namens de fabrikant van het motorvoertuig, indien sprake is van één of meer van de volgende situaties:
- a. in de carrosseriebodem is een gat gemaakt, niet zijnde een gat in de bodemplaat van ten hoogste 150 bij 150 mm ten behoeve van een inspectieluikje dan wel doorvoergaten ten behoeve van leidingen en gaten voor de montage van de CNG-tank;
- b. de carrosseriebodem is in ernstige mate vervormd waardoor de stijfheid en sterkte van de carrosserie is beïnvloed;
- c. langs- of dwarsprofielen dan wel versterkingsdelen van de mee- of zelfdragende carrosserie zijn verwijderd die de stijfheid en sterkte van de carrosserie beïnvloeden;
- d. het motorvoertuig is voorzien van een lastafhankelijke remkrachtregelaar en de vering is gewijzigd om te kunnen voldoen aan artikel 1.44, eerste lid.
- 2. Indien de CNG-tank op het dak van het motorvoertuig wordt aangebracht, is een verklaring met bijbehorende detailtekening door of namens de fabrikant van het motorvoertuig vereist.
- 1. De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt;
- b. met behulp van een middel dat lekkage aantoonbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld;
- c. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.
- 2. Bij de op grond van artikel 1.34 te bepalen druk moet worden uitgegaan van 120 °C in de motorruimte en 65 °C elders in het voertuig.
- 3. De in artikel 1.36, derde lid, gestelde eis wordt bovendien getoetst bij het voertuig in onbeladen toestand met behulp van een rei die horizontaal tegen de onderzijde van de voertuigconstructie wordt gehouden, waarbij de wielen niet en de CNG-tank wel als deel van de voertuigconstructie worden aangemerkt.
- 1. CNG-tanks zijn te onderscheiden in vier typen:
- a. volledig metaal (staal of aluminium) (type CNG-1);
- b. metalen tank met vezelversterkt cilindrisch deel (type CNG-2);
- c. metalen binnentank met volledig vezelversterkte buitentank (type CNG-3);
- d. kunststof binnentank met volledig vezelversterkte buitentank (type CNG-4).
- 2. De geldigheidstermijn tot de eerstvolgende periodieke controle zoals voorgeschreven door de fabrikant van de CNG-tank mag niet zijn overschreden.
- 3. Bij elk CNG-tank moet een verklaring van de fabrikant van de tank aanwezig zijn betreffende het controleprogramma en de procedure voor de periodieke controle zoals de herkeurfrequentie, de testmethode en de afkeurcriteria.
- 4. De CNG-tank moet permanent aan het motorvoertuig zijn bevestigd en mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
- 5. De CNG-tank moet zodanig zijn bevestigd dat er geen metallisch contact bestaat, met uitzondering van de vaste bevestigingspunten aan de CNG-tank.
- 6. De CNG-tank moet, onverminderd het bepaalde in de artikelen 1.46 en 1.53, overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de tank zijn aangebracht.
- 1. De CNG-tank mag in bedrijfsklare toestand van het motorvoertuig niet lager zijn gelegen dan 200 mm boven het wegdek.
- 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien de tank aan de voorzijde en aan de zijkanten voldoende is beschermd door originele dragende delen welke tot de constructie van het motorvoertuig behoren, en geen deel van de tank lager dan die bescherming is gelegen.
- 1. De CNG-tank moet zijn voorzien van een gasdichte behuizing die voldoet aan het bepaalde in artikel 1.30, indien de CNG-tank in de personenruimte of de gesloten laadruimte is aangebracht.
- 2. De tankappendages moet zijn beschermd tegen vuil en water, indien de CNG-tank op een andere plaats is aangebracht dan bedoeld in het eerste lid.
- 1. De CNG-tank moet met de daartoe bestemde vaste bevestigingspunten dan wel met behulp van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig worden aangebracht.
- 2. De bevestiging aan het motorvoertuig moet zodanig zijn uitgevoerd dat bij volle tank de volgende acceleraties kunnen worden opgenomen zonder beschadigingen te veroorzaken:
- a. voor personenauto’s en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, voor motorfietsen en voor driewielige motorvoertuigen:
- 1°. 20 G in de rijrichting, en
- 2°. 8 G in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
- b. voor personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg doch niet meer dan 5.000 kg en voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg doch niet meer dan 12.000 kg:
- 1°. 10 G in de rijrichting, en
- 2°. 5 G in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
- c. voor personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg en voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg:
- 1°. 6,6 G in de rijrichting, en
- 2°. 5 G in de horizontale richting dwars op de rijrichting.
- 3. Indien de CNG-tank op een andere plaats dan op het dak van het motorvoertuig is aangebracht, wordt aan het tweede lid voldaan, indien de bevestiging aan het motorvoertuig:
- a. bestaat uit ten minste vier bouten;
- b. is voorzien van onderlegringen of -platen, in het geval het plaatwerk ter plaatse enkelvoudig is uitgevoerd, en
- c. deze bouten en onderlegringen of -platen, uitgaande van materiaalsoort St 37 en bevestigingsbouten van klasse 8.8 ten minste voldoen aan de hieronder in tabel 3 aangegeven afmetingen.
- 4. Ter plaatse van de bevestiging mogen geen samendrukbare stoffen aanwezig zijn, tenzij de bevestiging voldoet aan het bepaalde in het tweede lid. 1 Tankgewicht mag worden gebruikt indien het maximum tankgewicht (incl. gasgewicht) duidelijk op de tank is aangegeven.
- 1. De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,
- b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.
- 2. De in het artikel 1.46, tweede lid, gestelde eisen worden bovendien getoetst aan de hand van een verklaring door of namens de voertuigfabrikant, een berekening of een beproeving waaruit blijkt dat de betreffende bevestiging van voldoende sterkte is.
- 3. Bij de beoordeling van de in artikel 1.48 gestelde eis moet de vrije ruimte zodanig worden gemeten dat de tank, op denkbeeldige wijze, over een afstand van ten minste 100 mm in lengterichting van het voertuig kan worden verplaatst.
- 1. De tankbanden moeten voorkomen dat de CNG-tank kan gaan schuiven, draaien of losraken.
- 2. Tussen de CNG-tank en de tankbanden moet beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
- 3. De tankbanden moeten de tankomtrek geheel of nagenoeg geheel omsluiten, waarbij het tankframe een gedeelte van de omsluiting mag vormen.
- 1. De tankbanden en de bevestiging aan het tankframe moeten zodanig zijn uitgevoerd dat deze een kracht, gemeten door het zwaartepunt van de CNG-tank, van zestienmaal het gewicht van de gevulde CNG-tank in lengterichting en achtmaal het gewicht van de gevulde CNG-tank in dwars- en verticale richting van het motorvoertuig kan opnemen.
- 2. Aan het eerste lid wordt voldaan, indien de tankbanden, uitgaande van materiaalsoort St 37, en de bevestigingsbouten, uitgaande van klasse 8.8, ten minste voldoen aan de in tabel 4 aangegeven afmetingen. 1 Tankgewicht mag worden gebruikt indien het maximum tankgewicht (incl. gasgewicht) duidelijk is aangegeven op de tank. 2 Een tankband met een afmeting van 29 × 1,5 mm moet zijn gemonteerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de tankband. 3 In dit geval moet de CNG-tank met ten minste drie tankbanden zijn aangebracht. 4 In dit geval moet de CNG-tank met ten minste vier tankbanden zijn aangebracht.
- 1. De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,
- b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.
- 2. De in artikel 1.53, eerste lid, gestelde eis wordt bovendien getoetst aan de hand van een berekening of een beproeving waaruit blijkt dat de desbetreffende bevestiging van voldoende sterkte is.
- 1. De overdrukbeveiliging moet direct in de CNG-tank dan wel in een appendage op de tank zijn aangebracht, waarbij de werking van de appendage het functioneren van de overdrukbeveiliging niet mag belemmeren.
- 2. Overdrukbeveiliging mag niet in een leiding naast de CNG-tank zijn aangebracht.
- 3. De uitstroomopening mag niet zijn gericht op een CNG-tank of een andere brandstoftank.
- 1. De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
- 2. De in artikel 1.55 gestelde eis wordt bovendien getoetst aan de hand van het goedkeuringscertificaat van de CNG-tank, het label op de CNG-tank, dan wel andere waarmerken door de fabrikant van de CNG-tank aangebracht.
- 1. De automatische tankafsluiter moet direct op de CNG-tank zijn aangebracht.
- 2. De automatische tankafsluiter moet op een zodanige wijze zijn geschakeld dat bij het tot stilstand komen van de motor, ongeacht de stand van de contactschakelaar, deze afnameklep automatisch wordt gesloten en gesloten blijft indien de motor niet draait, waarbij een vertragingstijd van twee seconden is toegestaan.
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,
- b. door het contact in te schakelen en te controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd, waarna met het contact uitgeschakeld wordt gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.
- 1. De gasdichte behuizing moet ten behoeve van de ventilatie van de tankappendages, eventueel door middel van een verbindingsslang en een doorvoerstuk, rechtstreeks in open verbinding staan met de buitenlucht.
- 2. De ventilatieopening van de gasdichte behuizing moet daar waar deze buiten het motorvoertuig uitmondt naar boven of beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat. Indien de ventilatieopening boven het motorvoertuig uitmondt, moet deze opening tegen inwateren zijn beschermd.
- 3. De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte behuizing als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,
- b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.
- 1. Een gasleiding tussen CNG-onderdelen moet zijn vervaardigd uit naadloos roestvast staal, indien deze leiding voldoet aan DIN 17458, ASTM A 269 of ISO 2604/2 en de buitendiameter van de roestvast stalen gasleiding niet meer bedraagt dan 12 mm.
- 2. De in het eerste lid bedoelde gasleiding mag zijn vervangen door een flexibele slang, indien deze slang bewegende CNG-onderdelen met elkaar verbindt en deze slang voldoet aan het bepaalde in artikel 1.30.
- 1. Bij de in artikel 1.62, eerste lid, genoemde gasleiding moet een inspectiecertificaat volgens EN 10204 – 3.1.B dan wel een gelijkwaardig testrapport aanwezig zijn.
- 2. De fabricagedatum van de in artikel 1.62, tweede lid, bedoelde flexibele slang mag niet verder terug zijn gelegen dan één jaar. Indien alleen het fabricagejaar is vermeld, wordt als fabricagedatum aangemerkt 31 december van dat jaar.
- 1. Een gasleiding mag niet door middel van lassen of solderen dan wel met behulp van aluminium bevestigingsmiddelen zijn bevestigd.
- 2. Een gasleiding moet zodanig zijn bevestigd dat deze niet onderhevig is aan trillingen anders dan die van het voertuig zelf.
- 3. Een flexibele slang moet zodanig zijn bevestigd dat deze niet onderhevig is aan spanningen.
- 1. De onderlinge afstand tussen de bevestigingspunten van een stalen gasleiding mag ten hoogste 0,60 m bedragen.
- 2. De gasleiding of -slang moet ter plaatse van de bevestiging zijn voorzien van beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, tenzij de gasleiding al een beschermend omhulsel heeft.
- 1. Een gasleiding of -slang mag over een lengte van ten hoogste 0,40 m door een kokerbalk worden geleid.
- 2. Een gasleiding of -slang mag niet zijn gelegen ter plaatse van kriksteunen.
- 3. De gasleiding of -slang, al dan niet voorzien van een beschermend omhulsel, moet daar waar zich een doorvoer bevindt zijn voorzien van beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof.
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,
- b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.
- 1. Soldeerverbinding alsmede snijringverbindingen zijn niet toegestaan.
- 2. De verbinding van een roestvast stalen gasleiding mag uitsluitend geschieden door een fitting die is vervaardigd uit roestvast staal.
- 3. In afwijking van het tweede lid, mogen roestvast stalen gasleidingen onderling met elkaar worden verbonden door middel van een lasverbinding, indien een certificaat van een röntgenonderzoek, afgegeven door de Röntgen Technische Dienst (RTD), kan worden overgelegd.
- 4. Een verdeelblok moet zijn vervaardigd uit een corrosiebestendig metaal.
- 1. Een stalen gasleiding moet door middel van een geschikte knelringverbinding zijn aangesloten.
- 2. Het aantal verbindingen moet tot een minimum beperkt blijven.
- 1. De vulaansluiting moet zijn geborgd tegen verdraaiingen en is beschermd tegen vuil en water.
- 2. De vulaansluiting moet zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment, indien de CNG-tank in de personenruimte of in de gesloten laadruimte is gemonteerd.
- 1. In de gasleiding van de CNG-tank naar de drukregelaar moet zo dicht mogelijk bij de drukregelaar een automatische afsluitklep zijn aangebracht.
- 2. Indien meerdere drukregelaars zijn gemonteerd, mag de automatische afsluiter voor de laatste drukregelaar zijn geplaatst.
- 3. De automatische afsluitklep mag deel uitmaken van de drukregelaar.
- a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,
- b. door het contact in te schakelen en te controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt het contact uitgeschakeld en wordt gecontroleerd of de bekrachtiging wegvalt. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd, waarna met het contact uitgeschakeld wordt gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.
- a. extra veiligheidsafsluiter, gemonteerd in de motorruimte voor de automatische afsluitklep;
- b. testafsluiter, indien deze afsluiter is beveiligd tegen het gebruik door onbevoegden.
- 1. De elektrische voorzieningen van de CNG-installatie moeten zijn beveiligd tegen overbelasting waarbij ten minste in de voedingsleiding één afzonderlijke zekering moet zijn aangebracht.
- 2. De zekering moet op een zodanige plaats zijn aangebracht dat deze zonder het gebruik van gereedschap bereikbaar is.
- 1. De elektrische stroom van CNG-onderdelen die tevens gasvoerend zijn mogen niet via een gasleiding lopen.
- 2. Alle elektrische onderdelen die zijn aangebracht in het gedeelte van de CNG-installatie waar de druk hoger is dan 0,2 bar, moeten door middel van een aparte verbinding met de massa van het motorvoertuig zijn verbonden.
- 3. De elektrische bedrading moet afdoende tegen beschadiging zijn beschermd.
- 1. De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
- 2. De in artikel 1.81 gestelde eis wordt bovendien getoetst door de motor te starten en vervolgens de schakelaar te bedienen.
- a. de LPG-tank, inclusief alle aansluitingen;
- b. de automatische afsluitklep;
- c. het gasmengstuk of inspuitstuk, tenzij het inspuitstuk definitief is afgeplugd;
- d. de gasleiding, met uitzondering van het gedeelte dat rechtstreeks vast tegen de onderzijde van het voertuig is bevestigd;
- e. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, met uitzondering van de uitlaatstift bij luchtgekoelde motoren; en
- f. de vulaansluiting, tenzij deze definitief is afgeplugd.
- a. de CNG-tank, inclusief alle aansluitingen;
- b. de automatische afsluitklep;
- c. het gasmengstuk of inspuitstuk;
- d. de gasleiding, met uitzondering van het gedeelte dat rechtstreeks vast tegen de onderzijde van het voertuig is bevestigd;
- e. de warmtewisselaar/drukregelaar, al dan niet gecombineerd; en
- f. de vulaansluiting, tenzij deze definitief is afgeplugd.