Bijlage IX Regeling voertuigen: behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder: Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren. Eisen Wijze van Keuren Artikel 3 Bij wijziging van de inrichtingsomschrijving, dan wel het type carrosserie van een voertuig moet: a. de constructie deugdelijk en voldoende stijf zijn; Aan deze eis is voldaan, indien: a. een verklaring van de fabrikant van het oorspronkelijke voertuig waaruit blijkt dat deze de wijziging aan de carrosserie van het voertuig volledig garandeert, wordt overgelegd. De beoordeling van de verklaring vindt plaats door de Dienst Wegverkeer, of b. een statische beproeving voor wat betreft de torsiestijfheid, en de buigstijfheid wordt uitgevoerd waaruit blijkt dat aan de eis is voldaan; 1° de beproeving ten aanzien van de torsiestijfheid vindt plaats door het uitoefenen van een kracht op de carrosserie. Hierbij zijn de beweegbare niet-dragende delen, zoals de motorkap, kofferdeksel en deuren geopend. Het moment wordt ingeleid op of nabij de afsteunpunten van de carrosserie op het onderstel. Tussen de afsteunpunten aan de voorzijde van de carrosserie en die aan de achterzijde wordt op meerdere plaatsen de hoekverdraaiing in de dwarsrichting van de carrosserie gemeten. De torsiestijfheid mag niet meer dan 0,4 minuten per daNm bedragen dan wel niet meer dan de torsiestijfheid van de carrosserie in ongewijzigde toestand, waarbij geen grote variaties in het verloop van de hoekverdraaiingen in dwarsrichting, de torsielijn, mogen optreden; 2° de beproeving ten aanzien van de buigstijfheid vindt plaats door de carrosserie te belasten met 75 kg per zitplaats. Indien in dit geval de maximum toegestane massa van het oorspronkelijke voertuig nog niet is bereikt, wordt extra lading aangebracht tot de maximum toegestane massa, me
- niet-fabrieksmatig geproduceerd voertuig: motorvoertuig dat is samengesteld uit onderdelen waarvan ten minste de dragende constructie niet-bedrijfsmatig is vervaardigd of motorvoertuig dat als bouwpakket is samengesteld;
- torsiestijfheid: verhouding tussen het uitgeoefende moment op de carrosserie en de als gevolg hiervan optredende hoekverdraaiing van de carrosserie.
- a. wordt verstaan onder:
- Fwiel: de maximum toegestane last onder het desbetreffende wiel;
- b. zijn in de figuren:
- 1° de acceleratiekrachten positief en de remkrachten negatief aangegeven;
- 2° de naar buiten gerichte zijdelingse krachten positief en de naar binnen gerichte zijdelingse krachten negatief aangegeven.
- 1. De dynamische beproeving bestaat uit een drietal duurbeproevingen met wisselende krachten, te weten:
- a. een beproeving in de langsrichting van het voertuig;
- b. een beproeving in de dwarsrichting van het voertuig, en
- c. een beproeving in de verticale richting, waarbij het voertuig wordt beladen tot de maximum toegestane massa, zoals opgegeven door de fabrikant van het oorspronkelijke voertuig.
- 2. De duurbeproevingen worden met wisselende krachten uitgevoerd waarbij het voertuig op zodanige wijze op een proefopstelling wordt vastgezet, dat de uitgeoefende krachten zo realistisch mogelijk door het voertuig worden opgenomen. De krachten worden achtereenvolgens dan wel gelijktijdig door middel van de band, of een daarvoor in de plaats tredend element, ter plaatse van het raakvlak tussen de band en het wegdek, op het voertuig overgebracht.
- a. remkrachten op het niet-aangedreven voorwiel, overeenkomstig figuur 1;
- b. remkrachten op het niet-aangedreven achterwiel, overeenkomstig figuur 2;
- c. rem- en acceleratiekrachten op het aangedreven voorwiel, overeenkomstig figuur 3;
- d. rem- en acceleratiekrachten op het aangedreven achterwiel, overeenkomstig figuur 4.
- 1. Een duurbeproeving in verticale richting wordt uitgevoerd met 150.000 lastwisselingen waarbij het wiel ten opzichte van de rustpositie met een frequentie van circa 7 Hz 35 mm omhoog en 35 mm omlaag wordt bewogen.
- 2. De schokdempers mogen tijdens de beproeving niet warmer worden dan volgens de schokdemperfabrikant toelaatbaar is. Zo nodig worden de schokdempers gekoeld of wordt de beproeving intermitterend uitgevoerd. Indien het voertuig met verschillende schokdempers kan worden uitgerust, wordt beproefd in combinatie met de schokdempers die de grootste schokdemperkrachten uitoefenen.