Bijlage 1 Aanwijzing Wet wegvervoer goederen: weeg- en meetinstructie
Aanwijzing Wet wegvervoer goederen
Bij het opmaken van een proces-verbaal ter zake van overbelading en/of aslast c.q. asstellastoverschrijding, moet deze weeg- en meetinstructie nauwkeurig worden gevolgd. Ook de opgegeven aanwijzingen van de fabrikant van de weeg- en meetapparatuur moeten te allen tijde worden opgevolgd. Het niet volgen van deze instructie of de door de fabrikant opgegeven aanwijzingen kan leiden tot weeg- en meetfouten en onjuiste weeg- en meetresultaten.7De weeg- en meetinstructie is tot stand gekomen naar aanleiding van een onderzoek van TNO Wegtransportmiddelen (rapport: Het meten van wiellasten van samenstellen van zware transportvoertuigen (d.d. 7 februari 1997). In de artikelen 5.18.17a t/m g van de Regeling Voertuigen (RV) worden normen gesteld aan onder meer de toegestane maximumaslasten en de toegestane maximummassa’s. Nieuw in de RV is dat deze waarden moeten worden afgeleid uit het Nederlandse kentekenbewijs of kentekenregister. Als dat niet mogelijk is, of als het voertuig of samenstel niet in Nederland is geregistreerd, noemt de RV maximumwaarden waaraan moet worden voldaan. Zo kan er dus worden opgetreden tegen buitenlandse vervoerders die naar Nederlandse maatstaven de beladingsvoorschriften overtreden, terwijl de waarden van hun (buitenlandse) kentekenbewijs wel in acht worden genomen. De som van de aslasten mag niet meer bedragen dan de maximum toegestane massa. Dit laatste geldt voor motorrijtuigen, autonome aanhangwagens en samenstellen van voertuigen. In artikel 5.18.17a en b RV wordt aangeven dat de totale massa van samenstellen van voertuigen (het zogenaamde treingewicht) en de som van de aslasten niet meer mag bedragen dan de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa. Staat in het kentekenregister geen maximummassa vermeld, dan is de toegestane maximummassa 50.000 kg. Voor de toepassing van deze weeg- en meetinstructie wordt verstaan onder: samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens aslast: de som van de wiellasten
- – De plaats van het meten moet zo vlak mogelijk zijn. Voor de vaststelling van aslasten of asstellasten moet gestreefd worden naar een horizontale ligging van de meetvloer, waarbij een maximumhelling van 5 procent ten opzichte van de breedte van het voertuig is toegestaan. Bij de vaststelling van wiellasten is het noodzakelijk dat de meetvloer in elke richting horizontaal is.
- – De grondplaat van het meetplatform moet gelijkmatig worden ondersteund door de meetvloer. Harde ondergronden met uitstekende stenen en wegen met groeven zijn niet geschikt. Eventuele ruimte tussen de grondplaat van het meetplatform en het wegdek mag in geen geval meer bedragen dan 10 mm.
- – Voor elke meting moet de nulinstelling van het meetplatform worden gecontroleerd.
- – Het actieve meetdeel van het meetplatform moet recht voor het wiel worden geplaatst.
- – Het voertuig c.q. het samenstel van voertuigen moet langzaam in rechte lijn op het meetplatform worden gereden.
- – De te meten wielen dienen ‘centraal’ en geheel op het actieve meetgedeelte van het meetplatform tot toegevoegde weegstaat te worden vermeld.
- – Wanneer gebruik wordt gemaakt van een dummy-meetplatvorm, is de plaatsing van het wiel gelijk aan de plaatsing op het meetplatform, zodat de aslast gelijkmatig wordt verdeeld.
- – Alle assen, behorende tot een asconfiguratie van het te meten voertuig c.q. het samenstel van voertuigen, moeten op gelijke hoogte met het meetplatform worden uitgevuld (voor een vrachtauto met daaraan gekoppeld een autonome aanhangwagen is uitvulling niet vereist). Hierbij mag gebruik worden gemaakt van zogenaamde dummy-meetplatformen of opvulmatten. Uitfrezingen waarin meetplatformen op gelijke hoogte met het wegdek kunnen worden verzonken, zijn toegestaan.
- – er geen remwerking te worden uitgeoefend op de assen van het voertuig of samenstel van voertuigen;
- – alle assen zich in een ontspannen toestand te bevinden;
- – gewacht te worden tot het voertuig volledig in rust is (voornamelijk bij vloeistoftransporten is dit erg belangrijk);
- – bij toepassing van luchtveersystemen te worden gewacht totdat dit systeem zich volledig heeft gestabiliseerd.
- – Als het voertuig of samenstel van voertuigen is voorzien van een luchtveersysteem, moet er op toegezien worden dat de chauffeur geen manipulaties pleegt met dit systeem. De aslast kan hierdoor beïnvloed worden, met als mogelijk gevolg een onjuist meetresultaat.
- – Ter terechtzitting wordt soms met succes het verweer gevoerd dat bij overschrijding van de aslasten het verschil tussen de onderlinge assen (van een asstel) te groot zijn en dat de meting derhalve incorrect is verlopen. Bij aanwezigheid van een luchtveersysteem zouden deze verschillen niet kunnen ontstaan. Onderzoek van het KLPD heeft uitgewezen dat dergelijke grote verschillen wel degelijk mogelijk zijn.8Rapport Belading van Voertuigen (B. Haneveld, KLPD Dienst Verkeerspolitie, unit TMC). Echter, uit oogpunt van een efficiënte rechtsgang moet bij een verschil van meer dan 500 kg tussen de assen een tweede meting plaatsvinden. Voordat deze tweede meting plaatsvindt, moet het voertuig van en opnieuw op de wiellastmeters worden gereden, zodat het duidelijk is dat de werking van de luchtveer niet van invloed is op de tweede meting. De tweede meting wordt ingevuld op een tweede rekenstaat die bij het proces-verbaal wordt gevoegd. De waarden van de meting die het gunstigste is, worden opgenomen in het proces-verbaal. Daarnaast wordt er in het proces-verbaal melding gemaakt van het feit dat er twee keer is gemeten.
- – De gemeten waarden moeten worden gecorrigeerd met de door de fabrikant opgegeven tolerantiewaarden.
- – Uitsluitend gecorrigeerde waarden dienen in het proces-verbaal of in de aan het proces-verbaal toegevoegde rekenstaat te worden vermeld.
- – De meetvloer is niet schoon of vlak; het meetplatform zakt te veel door.
- – De helling van de meetvloer is te groot. De lasten worden buiten het toegestane tolerantiegebied op het meetplatform overgebracht, wat resulteert in een negatieve aanwijzing van de lasten.
- – Het meetplatform stond niet op de nulinstelling toen het voertuig op het meetplatform werd gezet.
- – Het wiel stond niet ‘centraal’ en geheel op het actieve weeggedeelte van het meetplatform, wat resulteert in een negatieve aanwijzing van de lasten.
- – De niet te meten wielen c.q. assen zijn niet of niet op correcte wijze op gelijke hoogte met het meetplatform gesteld. Afhankelijk van de constructie van het voertuig resulteert dit in een positieve aanwijzing. Daarbij kunnen meetfouten worden versterkt door eventuele statische krachten in het mechanische gedeelte bij meervoudige asstellen.
- – Voor elke weging moet de nulinstelling van het weegplatform worden gecontroleerd.
- – Alle wielen van het te wegen voertuig of samenstel moeten geheel op het weegplatform tot stilstand worden gebracht.
- – Met een weegplatform mag alleen de massa van het gehele voertuig of samenstel van voertuigen worden vastgesteld. De wiel- c.q. aslasten kunnen niet op het weegplatvorm worden vastgesteld. Voor het vaststellen van de afzonderlijke massa van voertuigen die deel uitmaken van een samenstel, bestaande uit bedrijfs- c.q. personenauto met middenasaanhangwagen, moeten deze voertuigen tijdens de weging worden losgekoppeld.
- – Deelwegingen zijn toegestaan voor het vaststellen van de massa van het samenstel van voertuigen wanneer dit samenstel door lengte, breedte of massa niet in zijn geheel op de weegbrug geplaatst kan worden.
- – er geen remwerking te worden uitgeoefend op de assen van het voertuig of samenstel van voertuigen;
- – gewacht te worden tot het voertuig volledig in rust is (voornamelijk bij vloeistoftransporten is dit erg belangrijk).
- – Bij industriële weegbruggen moet een correctie worden toegepast van 100 kg. Deze correctie voldoet ruimschoots aan de norm EN 45501 die het Ministerie voor Economische Zaken hanteert voor industriële weegbruggen en aan de certificeringsnorm van het NMI.
- – Uitsluitend gecorrigeerde waarden moeten in het proces-verbaal of in de aan het proces-verbaal toegevoegde rekenstaat worden vermeld.
- – Het weegplatform stond niet op de nulinstelling toen het voertuig of samenstel op het weegplatform werd gezet.
- – De wielen stonden niet geheel op het weegplatform, wat resulteert in een negatieve aanwijzing van de massa.