Art. 3 Zuivelverordening 2008, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met vloeistofmeetinstallatie, RMO’s

Zuivelverordening 2008, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met vloeistofmeetinstallatie

De ontvanger van boerderijmelk maakt gebruik van RMO’s voorzien van een vloeistofmeetinstallatie die voldoet aan de hiernavolgende eisen:

1. Voorzien van een vloeistofmeetinstallatie die voldoet aan de in artikel 4 genoemde eisen.

2. Voorzien van een doelmatige ruimte, waarin de monsters diepgekoelde boerderijmelk kunnen worden gekoeld en bewaard op een temperatuur van ten minste 0,0° C en ten hoogste 4,0° C.

3. Op een duidelijke zichtbare plaats voorzien van een verzegelbare opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld:

a. merk of naam van de fabrikant;

b. gegevens over de nauwkeurigheid: nauwkeurigheidsklasse 0,5 en bestemd voor melk;

c. gegevens met betrekking tot gebruiksomstandigheden (melk): de minimale en maximale werkdruk;

d. meetcapaciteit: gegevens over de minimale en maximale volumestroom;

e. kenmerk ter identificatie van het meetinstrument (waaronder duidelijk leesbaar het nummer van de melkmeter);

f. nummer van het certificaat van het EG-type-onderzoek (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties);

g. de kleinste ontvangsthoeveelheid: 900 liter;

h. de basishoeveelheid, zijnde de melkinhoud op het gemiddelde rustniveau van de vloeistofmeetinstallatie tot de melkmeter.