Bijlage B Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten: behorende bij artikel 8, tweede lid

Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

Er vindt bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (X) van de onderwijsinstelling ten behoeve van de vaststelling van de subsidie een correctie plaats indien er voor die instelling in een schooljaar sprake is van onevenredige groei of krimp van het aantal leerlingen ten opzichte van het schooljaar 2005–2006. Om te bezien of sprake is van een onevenredige groei of krimp voor een onderwijsinstelling wordt de volgende berekening uitgevoerd. De stijging of daling van het aantal leerlingen per schooljaar wordt uitgedrukt als percentage ten opzichte van het schooljaar 2005–2006 en als volgt berekend. Eerst wordt het verschil bepaald van het aantal leerlingen in schooljaar 2005–2006 en het aantal leerlingen in schooljaar (t). Dit verschil wordt gedeeld door het aantal leerlingen in schooljaar 2005–2006 en vervolgens vermenigvuldigd met 100. De uitkomst is het berekende percentage (P). Er is sprake van onevenredige groei of krimp in het schooljaar (t) indien het berekende percentage (P) groter is dan of gelijk is aan de volgende norm: Indien de stijging van het aantal leerlingen van de onderwijsinstelling voor een schooljaar hoger is dan de aangegeven norm, wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (X) voor dat schooljaar ten behoeve van het berekenen van de subsidie verlaagd overeenkomend met het berekende percentage (P). Indien de daling van het aantal leerlingen van de onderwijsinstelling voor een schooljaar hoger is dan de aangegeven norm, wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (X) voor dat schooljaar ten behoeve van het berekenen van de subsidie verhoogd overeenkomend met het berekende percentage (P).