Bijlage 1 Beleidsregels 2008 oplegging bestuurlijke boete bij niet tijdige aanmelding zorgverzekering
Beleidsregels 2008 oplegging bestuurlijke boete bij niet tijdige aanmelding zorgverzekering
De zorgverzekeraar die aan de overtreder het voornemen van het opleggen van een boete kenbaar maakt, vermeldt daarbij de mogelijkheid van verlaging van de bestuurlijke boete met een beroep op artikel 106 of 108 Zvw bij het CVZ. Het verzoek moet worden ingediend bij het CVZ op een door het CVZ voorgeschreven verzoekformulier. Als verzoek om verlaging van de bestuurlijke boete niet is ingediend op het voorgeschreven formulier zendt het CVZ het voorgeschreven verzoekformulier aan de overtreder toe. Het verzoekformulier wordt eveneens toegezonden als bij het bezwaar tegen een opgelegde boete een beroep wordt gedaan op de persoonlijke en financiële omstandigheden van de overtreder. Toezending van het formulier blijft achterwege als, de overtreder failliet is of op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is. Bij de beoordeling van het verzoek worden de financiële omstandigheden in aanmerking genomen die gelden op het moment dat de boete wordt opgelegd en met binnen een jaar te verwachten wijzigingen. Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de overtreder en de persoon met wie hij een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3 e.v. WWB, verminderd met hun schulden op die bezittingen waarop een voorrecht rust. Ook als de overtreder onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing. Artikel 3 Wwb merkt als echtgenoot mede aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ook in geval van samenwoning van bloedverwanten in de tweede graad wordt geen gezamenlijk huishouden aangenomen wanneer bij één van die bloedverwanten er sprake is van zorgbehoefte. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elka
- – zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
- – uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
- – zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend samenlevingscontract; of
- – zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als hiervoor bedoeld.
- – de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies, de bijdragen ingevolge een levensloopregeling, de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de overtreder en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt in beginsel rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling), na de wettelijke inhoudingen;
- – uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering);
- – overige inkomsten, met uitzondering van:
- a. de in een voorlopige teruggaaf begrepen kinderkorting ook voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan 5 jaar is de in een voorlopige teruggaaf begrepen combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting, een en ander als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- b. een toeslag op grond van de Wet kinderopvang;
- c. een vergoeding voor pleegouders ten behoeve van het levensonderhoud van een pleegkind;
- d. een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van de bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan;
- e. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen;
- f. toegekende bedragen in het kader van een regeling van een persoonsgebonden budget;
- g. de bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o van de WWB;
- h. de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36 van de WWB.
- – een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2160 per kalenderjaar;
- – een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar;
- – een kostenvergoeding in het kader van voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar;
- – inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 183 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
- – het huishouden van de overtreder uit meer dan 8 personen bestaat;
- – de overtreder gehandicapt is en in een aangepaste woning woont.
- – betalingen op premie voor de volksverzekeringen, ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet;
- – betalingen op terugvorderingsbeschikkingen toeslagen;
- – betalingen op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden.