Bijlage B Aanwijzing Schade Niet-Voegen: model toewijzing van het verzoek
Geachte heer/mevrouw <naam>, In vervolg op mijn brief van <datum> (ontvangstbevestiging) bericht ik u als volgt. Bij brief van <datum> heeft u verzocht om een tegemoetkoming, omdat u door een nalatigheid van het Openbaar Ministerie niet in staat bent gesteld de schade van <hoogte schadebedrag>, die u ten gevolge van <betreffende strafbare feit> heeft geleden, in het strafproces vergoed te krijgen. In gevallen waarin een benadeelde partij, zoals u, ondanks een verzoek daartoe, ten gevolge van een verzuim van het Openbaar Ministerie niet in staat is gesteld zich te voegen in het strafgeding, kan een tegemoetkoming voor de geleden schade worden aangeboden, omdat een relatief eenvoudige mogelijkheid tot verhaal van de schade op de dader verloren is gegaan. Ik wijs er echter met nadruk op dat de Staat niet aansprakelijk is voor de schade die de benadeelde partij ten gevolge van het strafbaar feit heeft geleden. Deze schade is immers geen gevolg van het verzuim van de officier van justitie. Het recht op schadevergoeding jegens de dader, die hiervoor aansprakelijk is, is niet verloren gegaan. Voor het toekennen van een tegemoetkoming als hierboven is beschreven, moet worden voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moet uit de stukken blijken dat het de bedoeling van de benadeelde partij was zich te voegen in het strafproces en ten tweede moet toewijzing van de vordering in het kader van het strafproces mogelijk zijn geweest. Nu in het onderhavige geval gebleken is dat voeging beoogd was en toewijzing van de vordering mogelijk, ken ik een tegemoetkoming toe. De hoogte van de tegemoetkoming is gerelateerd aan het griffierecht dat u verschuldigd bent indien u alsnog de schade langs civielrechtelijke weg op de dader zou willen verhalen. Eventueel (indien er een naar het oordeel van het Openbaar Ministerie te hoge schade wordt gesteld): U stelt schade te hebben geleden ter hoogte van een bedrag van <hoogte gestelde schade>. Na bestudering van het dossier en uw vordering acht ik