Bijlage III Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2007: werkvoorschrift voor het uitvoeren van een hygiënogram
Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2007
De werkwijze die in dit voorschrift is vastgelegd, heeft enkel betrekking op het gebruik van Rodac-plaatjes met een doorsnede van circa 5,5 cm. Wanneer andere methoden met agar gebruikt worden, dient hiervoor een afgeleid voorschrift vooraf ter goedkeuring aan het Productschap worden voorgelegd. Plate count agar (PL-agar) voor totaal koloniegetal telling. Aangezien er restanten ontsmettingsmiddel op de te bemonsteren oppervlakken aanwezig kunnen zijn, dienen ter inactivering hiervan aan deze agar de volgende stoffen in de aangegeven hoeveelheden per liter te worden toegevoegd: Nutriënt Broth no. 2 25 gram Agar 1 6 gram Natriumthiosulfaat 0,5 gram Tween 80 1 ml Ammoniumcarbonaat 1 gram Lecithine 2 gram L-Histidine 1 gram Deze agar dient in steriele Rodac-plaatjes te worden gegoten en wel zodanig dat de agar het volledige plaatje vult met een bolle spiegel. De datum waarop de plaatjes zijn aangemaakt dient op elke verpakking aangegeven te worden, tenzij door de fabrikant op elke verpakking een "THT-datum" vermeld wordt die aangeeft tot wanneer de Rodacplaatjes uiterlijk te gebruiken zijn. De in voorraad klaargemaakte Rodac-plaatjes moeten worden opgeslagen bij een temperatuur tussen 0°C en 20°C. Tocht en temperatuurschommelingen moeten voorkomen worden. De plaatjes dienen altijd met de agar aan de bovenzijde te worden geplaatst. De op voorraad klaargemaakte Rodac-plaatjes kunnen niet meer gebruikt worden wanneer: Elk individueel plaatje is vooraf voorzien van het nummer of wordt voorafgaand aan het afdrukken voorzien van het nummer dat correspondeert met de bemonsteringsplaats, zoals aangegeven in onderdeel A2, B2 of C2 'Bemonsteringsschema Hygiënogram'. Kies het schema voor het betreffende staltype. De Rodac-plaatjes worden gedurende 18-24 uur bij 37°C (± 1 °C) bebroed. Berichtgeving aan de pluimveehouder vindt uiterlijk 4 dagen na aflezing plaats. Hiertoe wordt het volledig ingevulde Hygiënogramformulier of een ander, analoog aan dit formulier, aan de pluimveehouder
- a) zij bewaard zijn geweest bij een temperatuur lager dan 0°C of hoger dan 25°C, of
- b) er condensvorming is opgetreden aan de binnenzijde van de plaatjes, of
- c) wanneer de plaatjes geopend zijn geweest en daarna weer gesloten zonder dat direct afdrukken gemaakt zijn, of
- d) wanneer er groei op de agar waar te nemen is, of
- e) wanneer de plaatjes langer dan 30 dagen geleden zijn aangemaakt, tenzij de door de fabrikant vermelde "THT-datum" nog niet is verstreken, of
- f) wanneer het plaatje een breuk bevat of gebroken is.
- 1. De monsternemer dient zich ervan te vergewissen dat de juiste materialen worden gebruikt.
- 2. Neem hygiënische en beschermende maatregelen voordat de stal betreden wordt. Gebruik bedrijfskleding, hokschoeisel en eventueel een gasmasker.
- 1. Wanneer een ruimte moet worden bemonsterd die daarvoor gedesinfecteerd is, mag het hygiënogram pas worden uitgevoerd nadat de ruimte minstens twee uur is gelucht.
- 2. Invullen Hygiënogramformulier: kies het formulier voor het betreffende staltype (onderdeel A1, B1 of C1).
- 3. Visuele controle: de visuele controle dient te worden uitgevoerd bij pluimveebedrijven en ingevuld te worden op het Hygiënogramformulier. Indien bepaalde onderdelen als 'slecht' beoordeeld worden, dient aangegeven te worden welke bemonsteringsplaatsen dit betreft. De volgende zaken worden gecontroleerd: De norm voor de visuele beoordeling is als volgt:
- a) Reinheid inventaris: goed / voldoende / matig / slecht
- b) Reinheid vloer: goed / voldoende / matig / slecht
- c) Reinheid muren / plafonds: goed / voldoende / matig / slecht
- d) Ongedierte wering: goed / voldoende / matig / slecht
- e) Ongedierte sporen: afwezig / schade / uitwerpselen / kevers / vliegen / larven
- 4. Bemonstering: na de visuele beoordeling dienen de bemonsteringen te worden uitgevoerd conform het "Bemonsteringsschema hygiënogram" van onderdeel A2, B2 of C2 (al naar gelang het staltype). De volgende stappen worden doorlopen:
- a) open na aankomst op het bedrijf, maar voor het betreden van de stal het pakje met Rodac-plaatjes;
- b) neem het dekseltje van het Rodac-plaatje en inspecteer het oppervlak van het Rodacplaatje. Het plaatje wordt niet gebruikt indien één van de punten, zoals vermeld bij paragraaf 1.1, onderdeel 3 aan de orde is;
- c) natte plekken in de stal worden niet bemonsterd.
- d) nummer de plaatjes;
- e) druk het plaatje met agar één keer met telkens gelijke druk gedurende 15 seconden op het te onderzoeken oppervlak. De agar mag hierbij niet met de handen aangeraakt worden en het afdrukken mag niet met een draaiende beweging gebeuren.
- f) plaats het dekseltje terug;
- g) draai het Rodac-plaatje om en plaats het met de agar aan de bovenzijde in een beschermend omhulsel.
- 5. Naast de hiervoor genoemde bemonsteringen dient één plaatje niet bemonsterd te worden (negatief monster) en één plaatje binnen de 'poort van het bedrijf', maar buiten de stal (positief monster). De analyse van deze twee plaatjes dienen als referentie voor de stalmonsters. De uitslagen van deze monsters dienen op het hiervoor bestemde formulier vermeld te worden.
- 1. Verpak en vervoer de plaatjes dusdanig dat zij niet herbesmet kunnen worden.
- 2. Vervoer en eventuele opslag (gedurende maximaal 12 uur) dient bij een temperatuur tussen 0°C en 20°C plaats te vinden. Bij hogere temperaturen dienen de plaatjes binnen 4 uur verder verwerkt te worden. Wanneer vervoer en eventuele opslag langer duurt dan 12 uur dient hiervoor een afgeleid voorschrift vnnraf ter goedkeuring aan het productschap voorgelegd te worden.
- 1. Lees de Rodac-plaatjes direct na 18-24 uur bebroeding af of plaats de plaatjes gedurende maximaal 24 uur in een koelkast bij een temperatuur tussen 2 en 8°C.
- 2. Lees de Rodac-plaatjes af en tel het aantal kolonies (kve = kolonie vormende eenheid). Let op de aanwezigheid van schimmelgroei. Wanneer duidelijk blijkt dat de plaat overgroeid is door één enkele spreider dient dit als één kolonie beschouwt te worden. Wanneer door het optreden van schimmelgroei het plaatje niet meer eenvoudig af te lezen is, dient deze als ongeschikt geclassificeerd te worden en niet meegeteld te worden voor de berekening van het gemiddelde. Wanneer drie of meer plaatjes als ongeschikt geclassificeerd worden, wordt het volledige onderzoek als ongeschikt beschouwd.
- 1. Score bij aantal kolonies per plaatje:
- 2. De afzonderlijke scores worden op het Hygiënogramformulier vermeld. De uitslag wordt berekend door de som van de afzonderlijke monsters te delen door het aantal genomen monsters. De uitslag wordt op één cijfer achter de komma afgerond en op het formulier vermeld.
- 1. Na aflezing worden de plaatjes gedurende minstens 20 minuten bij een temperatuur van 120°C geplaatst, teneinde alle kiemen te doden.
- 2. Bebroede Rodac-plaatjes dienen beschouwd te worden als chemisch afval en dienovereenkomstig te worden afgevoerd of verwerkt. Afhankelijk van de plaatselijke gemeentelijke verordening, kunnen Rodac-plaatjes die gesteriliseerd zijn, afgevoerd worden met het gewone afval.
- 1. Van elk deel A t/m F wordt een afdruk van de vloer gemaakt, die genummerd zijn van 1.1 t/m 1.6.
- 2. Van elk deel A, BC, DE en F wordt een afdruk van het voersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 2.1 t/m 2.4. De monsters worden volgens de diagonaal genomen. De monsters worden genomen van de binnenkant (voerpannen of -goten).
- 3. Van elk deel A, BC, DE en F wordt een afdruk van het drinksysteem gemaakt, die genummerd zijn van 3.1 t/m 3.4. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
- 4. Van elk deel 1, 2 en 3 wordt een afdruk gemaakt van de wand (één van de twee kopse kanten, tussen 1 en 2 meter hoogte), die genummerd zijn als 4.1 t/m 4.3.
- 5. Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 5.1 en 5.2.
- 6. Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd zijn als 6.1. en 6.2.
- 7. Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 7.1.
- 8. Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 8.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd.
- 9. Schema:
- 1. Van elk deel A, BC, DE en F wordt een afdruk van het voersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 1.1 t/m 1.4. De monsters worden volgens de diagonaal genomen. De monsters worden genomen van de binnenkant (voerpannen of -goten).
- 2. Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van een kooibodem gemaakt, die genummerd zijn van 2.1 t/m 2.3. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
- 3. Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van een kooiwand gemaakt, die genummerd zijn van 3.1 t/m 3.3. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
- 4. Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het drinksysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
- 5. Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 5.1. en 5.2.
- 6. Van elk deel 2 en 3 wordt een afdruk gemaakt van een tussenpad, die genummerd zijn als 6.1. en 6.2.
- 7. Van deel 1 of 3 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd is als 7.1.
- 8. Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 8.1.
- 9. Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 9.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd.
- 10. Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van de eierband, genummerd als 10.1 en 10.2.
- 11. Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van het eierbewaarlokaal een afdruk gemaakt, die genummerd is als 11.1. De uitslag van het eierbewaarlokaal wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijk eierbewaarlokaal, wordt het eierbewaarlokaal olel bemonsterd.
- 12. Schema:
- 1. Van elk deel ABC en DEF worden twee afdrukken van de vloer gemaakt, die genummerd zijn van 1.1. t/m 1.4. De monsters zijn, indien mogelijk, gelijkelijk verdeeld over ABC en DEF.
- 2. Van elk deel ABC en DEF wordt één afdruk van het rooster gemaakt, die genummerd zijn als 2.1 en 2.2.
- 3. Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het drinkwatersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3.
- 4. Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het voersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3.
- 5. Van elk deel 1 en 2 wordt een afdruk gemaakt van de wand (van één van de twee kopse kanten, tussen 1 en 2 meter hoogte) die genummerd zijn als 5.1. en 5.2.
- 6. Van elk deel 1 en 2 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 6.1 en 6.2.
- 7. Van deel 1 of 2 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd is als 7.1.
- 8. Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 8.1.
- 9. Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 9.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd.
- 10. Van elk deel AB, CD en EF wordt één afdruk gemaakt van een legnest, waarbij twee afdrukken worden gemaakt in segment 1 en één afdruk in segment 2, die genummerd zijn van 10.1 t/m 10.3
- 11. Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van het eierbewaarlokaal een afdruk gemaakt, die genummerd is als 11.1. De uitslag van het eierbewaarlokaal wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijk eierbewaarlokaal, wordt het eierbewaarlokaal niet bemonsterd.
- 12. Schema: