Bijlage M Rbk: behorende bij artikel 4.3.5 en 4.8.2
1. Locaties waarvan bekend is of verwacht wordt dat ze verontreinigd zijn als gevolg van een puntbron, zijn geen onderdeel van de kaart van de actuele kwaliteit van de bodem. Deze locaties worden van de kaart uitgesloten, door in de bodemkwaliteitskaart een kaartlaag op te nemen waarin alle locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging en alle bekende verontreinigde locaties worden weergegeven. 2. In de kaart van de actuele bodemkwaliteit wordt ten minste de bodemkwaliteit van de toplaag van 0 tot 0,5 meter beneden maaiveld of oppervlaktewaterniveau vastgelegd. 3. In de kaart van de actuele bodemkwaliteit worden ten minste de stoffen opgenomen als bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit. 4. In afwijking van het derde, is voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem voor rijkswateren artikel 4.5.1, tweede lid van de regeling van toepassing. Voorzover een stoffenpakket voor de rijkswateren is vastgesteld, worden ten minste de stoffen van het stoffenpakket voor de rijkswateren opgenomen in kaarten van de actuele bodemkwaliteit van de rijkwateren. 5. De kaart van de actuele bodemkwaliteit wordt voorzien van een toelichting, waarin wordt omschreven hoe de kaart tot stand is gekomen, en de inhoudelijke en beleidsmatige keuzes die daarbij zijn gemaakt. 1. Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden opgesteld voor gebieden waarvan het aannemelijk is dat de ruimtelijke indeling in bodemkwaliteitszones niet verandert binnen de geldigheidsduur van een bodemkwaliteitskaart. 2. Bodemverwachtingenkaarten kunnen worden gebruikt om te voldoen aan de in artikel 47, onder a, van het besluit genoemde eisen ter onderbouwing van de lokale maximale waarden. 3. Bodemverwachtingenkaarten kunnen niet gebruikt worden als basis voor een milieuhygiënische verklaring van de toe te passen baggerspecie of van de bodem waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast. 1. Het beheersgebied wordt ingede
- a. bodemopbouw,
- b. gebruikshistorie,
- c. ontwikkeling wijken of gebieden,
- d. geomorfologie, en
- e. huidig bodemgebruik.
- a. (geo)morfologische ontwikkeling van de waterbodem onder invloed van sedimentatie vanuit het oppervlaktewaterlichaam;
- b. veranderingen in de kwaliteit van het sediment dat in de loop van de tijd is afgezet;
- c. invloed van uitgevoerd baggerwerk (op de morfologische ontwikkeling);
- d. gebruik van het oppervlaktewaterlichaam;
- e. ligging van lozingspunten en riooloverstorten, bekende locaties van morsingen vanaf schepen en calamiteiten;
- f. afspoeling vanaf aangrenzende percelen (bijvoorbeeld belendende boomgaardpercelen, stedelijk gebied); en
- g. invloed van de nabije omgeving: depositie vanuit de lucht (verkeer).
- a. er zijn voor alle stoffen, met uitzondering van barium, ten minste 20 waarnemingen beschikbaar;
- b. Indien gekozen wordt voor het indelen, bedoeld in onderdeel 3, onder 4, van bijlage M geldt voor de stof PCB’s (som 7) dat ten minste dertig waarnemingen beschikbaar zijn;
- c. bij toepassing van onderdeel 3, onder 5, geldt dat voor de stoffen molybdeen en kobalt in het beheersgebied tenminste 30 waarnemingen beschikbaar zijn;
- d. in afwijking van de eis onder a, geldt voor de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam dat indien het oppervlak van de zone zo klein is dat er volgens de reguliere meetprotocollen, zoals genoemd in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de regeling, met minder dan 20 waarnemingen een milieuhygiënische verklaring kan worden verkregen, kan worden volstaan met de bij dat protocol horende meetinspanning;
- e. de waarnemingen liggen ruimtelijk voldoende verspreid over het deelgebied:
- 1°. Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken van gelijke oppervlakte in tenminste 10 vakken een of meer waarnemingen zijn gedaan.
- 2°. Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied ten minste 3 waarnemingen beschikbaar zijn; en
- f. voor alle stoffen geldt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of de variabiliteit die het opsplitsen van de zone zouden rechtvaardigen.
- a. de monsternemingsplaatsen worden gestratificeerd aselect over het deelgebied verdeeld, waardoor een (min of meer) gelijkmatige verdeling van de monsternemingsplaatsen over het deelgebied wordt verkregen. Er wordt daarbij rekening gehouden met de plaatsen waar al monsters zijn genomen,
- b. De monsters worden genomen volgens de eisen daartoe in de reguliere meetprotocollen, zoals genoemd in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de regeling.
- c. de monsters worden ten minste onderzocht op de stoffen als bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de regeling.
- d. in afwijking van de eis onder c, is voor aanvullend onderzoek van de bodem van rijkswateren artikel 4.5.1, tweede lid, van de regeling van toepassing. Zodra een stoffenpakket voor de rijkswateren is vastgesteld, worden tenminste de stoffen van het stoffenpakket voor de rijkswateren opgenomen in het aanvullend onderzoek voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem van rijkswateren.
- e. het veldwerk wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die op grond van het besluit daartoe is erkend, en
- f. de analyses worden uitgevoerd door een persoon of instelling die op grond van het besluit daartoe is erkend.
- a. de gemiddelde gehalten van alle in beeld gebrachte stoffen;
- b. de P95 en desgewenst andere percentielwaarden, zoals bijvoorbeeld de P80 en de P90.
- c. de gemiddelde fracties lutum en organisch stof.
- 1. Van de digitale geografische bronbestanden worden ten minste de ontgravingskaart en de toepassingskaart aangeleverd.
- 2. Het geografische bestand voldoet aan de volgende eisen:
- a. Polygons of MultiPolygons in ‘OpenGIS Implementation Specification for Geographic information – Simple feature access – Part 1: Common architecture’. Daarnaast mogen de vlakken van de kaart elkaar niet overlappen;
- b. de digitale bronbestanden zijn voorzien van kolommen, waarin de naam van de zones van de ontgravingskaart of toepassingskaart staat vermeld;
- c. de digitale bronbestanden moeten voorzien zijn van kolommen, waarin de toepassings- of ontgravingskwaliteit van de zones van de kaart zijn opgenomen. Deze kwaliteit is in deze kolommen omschreven als: ‘natuur-landbouw’, ‘wonen’, ‘industrie’ of ‘lokale maximale waarde’.
- 3. De ontgravingskaart en de toepassingskaart zijn voorzien van metadata en worden aangeleverd via het format dat verkrijgbaar is via www.bodemloket.nl. De metadata vermelden ten minste:
- a. het bestuursorgaan dat de kaarten heeft vastgesteld;
- b. de datum van inwerkingtreding van de kaarten;
- c. de kolom(men) met de namen van de zones van de ontgravingskaart of toepassingskaart;
- d. de kolom(men) met de kwaliteit van de zones van de ontgravingskaart of toepassingskaart;
- e. een verwijzing naar een URL of de naam van een document van het besluit als bedoeld in artikel 47 van het besluit.