Art. 3.65 Rarim, Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
Activiteitenregeling milieubeheer (Rarim)
1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en ten behoeve van het voorkomen van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 3.48 van het besluit wordt bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen voldaan aan het tweede tot en met negende lid.
2. Indien agrarische bedrijfsstoffen langer dan twee weken maar korter dan een half jaar op een onverhard oppervlak op een locatie worden opgeslagen, vindt het opslaan in elk geval plaats:
a. boven een absorberende laag met een dikte van ten minste 0,15 meter en een organische stofgehalte van ten minste 25%, en
b. zodanig dat contact met hemelwater wordt voorkomen.
3. Indien na het opslaan, bedoeld in het tweede lid, de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen worden verwijderd, wordt de absorberende laag eveneens verwijderd.
4. Indien agrarische bedrijfsstoffen anders dan pluimveemest gedurende een half jaar of langer worden opgeslagen, vindt het opslaan plaats op ten minste een vloeistofkerende voorziening. Artikel 2.3 is daarbij niet van toepassing.
5. Bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen anders dan gedroogde pluimveemest op een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening worden vloeistoffen opgevangen in een opslagvoorziening die wordt aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van BRL 2342 en is de vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening zodanig aangelegd dat de vloeistof naar deze opslagvoorziening stroomt.
6. In afwijking van het tweede tot en met vijfde lid zijn een absorberende laag als bedoeld in het tweede lid, een vloeistofkerende voorziening als bedoeld in het vierde lid en een opslagvoorziening als bedoeld in het vijfde lid niet vereist voor het opslaan van kuilvoer, indien het gehalte aan droge stof ten minste 40% bedraagt en de opslag zodanig is afgedekt dat contact met regenwater niet plaatsvindt.
7. Het tweede tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op het opslaan van in folie verpakte veevoederbalen.
8. Indien pluimveemest op een locatie gedurende een half jaar of langer wordt opgeslagen, vindt het opslaan plaats boven een vloeistofkerende voorziening in een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie. Artikel 2.3 is daarbij niet van toepassing.
9. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op pluimveemest die in een afgedekte container wordt opgeslagen.
10. Het tweede, vierde en vijfde lid zijn tot 1 januari 2027 niet van toepassing op de opslag van kuilvoer indien een voorziening voor het opslaan van kuilvoer in gebruik was voor 1 januari 2013.
11. Artikel 2.11, eerste tot en met negende lid, van het besluit is niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2522
- ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:155
- CBb 29 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:44
- ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:272
- CBb 28 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:453
- ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2227
- ABRvS 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2416
- CBb 30 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:542
- CBb 3 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:621
- ABRvS 28 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5030
- ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2835
- ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3147
- Rb. Overijssel 2 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4520
- Rb. Oost-Brabant 21 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3929
- Rb. Noord-Nederland 26 maart 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1140
- Rb. Den Haag 7 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4780
- CBb 11 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:154
- CBb 15 februari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:70
- CBb 5 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:917
- CBb 14 september 2021, ECLI:NL:CBB:2021:884