Art. 2.14 Rarim, Oplosmiddelen

Activiteitenregeling milieubeheer (Rarim)

Degene die een oplosmiddeleninstallatie drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarmee:

a. wordt aangetoond dat is voldaan aan:

1°. de emissiegrenswaarden, diffuse-emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 2.29, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.30, tweede en derde lid, van het besluit, en

2°. indien van toepassing, de eisen van het reductieprogramma, bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, van het besluit;

b. de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst worden gespecificeerd, en

c. informatie aan eenieder kan worden verstrekt over het verbruik en de emissie van oplosmiddelen.